GODDELIJK ONDERWIJS
Want zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan. Johannes 20:9.
Wanneer een fotograaf ons een door hem gemaakte foto thuis stuurt, hebben wij menigmaal heel wat aanmerkingen en diep in ons hart hadden wij in heel veel gevallen wel gewild, dat wij er wat voordeliger opgestaan hadden. Al zeggen anderen, dat wij het sprekend zijn, toch zijn wij niet helemaal overtuigd.
Deze houding, typeert ons meer dan wij denken. Wij denken veel te gunstig over onszelf en het is een hele les, en een langdurige les, om daar meer en meer van afgebracht te worden. Om te komen tot de belijdenis: „Ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont (Romeinen 7 : 18)."
Dit getuigen Gods kinderen ook van hun verstand. Ook hun verstand is verduisterd en onbekwaam tot de dingen van Gods Koninkrijk. Als Asaf in Psalm 73 ontdekt, dat hij met zijn eigen verstand over Gods wegen gedacht en geoordeeld heeft, roept hij uit, dat hij onvernuftig was en niets wist, ja, dat hij een groot beest bij God was. En de wijze Agur in Spreuken 30 heeft in zijn wijsheid ook ontdekt, hoe dwaas hij van zichzelven is: „Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand en ik heb geen mensenverstand".
Deze bijbelse foto zint ons ook niet. Laten wij maar niet vromer willen schijnen, dan wij zijn: deze tekening van de Bijbel, dus van de Geest Gods, is ons zeer onaangenaam. Toch is het waar en toch leert de Heilige Geest ons het ook beamen.
Wij zien deze dwaasheid ook bij de discipelen des Heeren. In de Kersttijd wordt ons steeds weer aangewezen, dat er bij de mensen geen plaats is voor het Kind in de kribbe; de Paastijd leert ons zo heel duidelijk, dat zelfs Gods kinderen nog zo verduisterd zijn van verstand, dat er in hun hart geen plaats is voor Gods daden.
Christus had het voor Zijn lijden en sterven herhaaldelijk gezegd: Hij zou gedood worden door de overpriesters en schriftgeleerden, maar „ten derde dagen zou Hij weder opstaan". Ja met nadruk had Hij nog gewezen op het voorbeeld van Jona: gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de vis, zo zou de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde". Duidelijker kon het al niet en toch: „Zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan".
Wat men wil gelooft men graag; wat men niet wil, gaat er niet zo gemakkelijk in. Ongeloof is geen zaak van het verstand alleen, maar ook van het hart, het onwillige hart, dat vasthoudt aan eigen wil en gevoelens. Omdat de apostelen het kruis niet wilden en niet aanvaardden als weg Gods tot redding van de wereld, daarom is hun geloof vastgelopen op Golgotha. Zij verstaan het kruis niet en daarom zien zij niet door het kruis heen.
Is dit geen duidelijk bewijs, dat wij onze eigen blindheid moeten erkennen, om werkelijk wijs te worden? Paulus zegt het ons met bijna dezelfde woorden: „Zo iemand onder u dunkt dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs mag worden" (1 Cor. 3 : 18).
Deze ware wijsheid is een ergernis voor het vlees. Maar juist als u dit verstaat, is het een teken, dat u van Boven geleerd bent.
En de Goede Herder maar weer aan het werk om de verstrooide schapen weer op te zoeken en hun wonden te helen! Ja, is dat niet het werk, dat de opgestane Christus wacht na Zijn opstanding? Toen Hij stierf aan het kruis was Hij omgeven door spottende vijanden en verbijsterde, onwetende discipelen, maar na Zijn opstanding is het niet anders. Wat een werk en wat een liefdevol geduld werd van Hem geëist, om de afgedwaalden terecht te brengen, de zwakken te sterken, het kranke te genezen. Het is onbegrijpelijk, maar. . . het is naar het Woord. Het is naar de beloften.
Zo zal het altijd weer zijn. Het werk Gods in onze harten, de kennis, die wij opdoen van Gods genade en onze ellende is voor het verstand onbegrijpelijk. U kunt niet begrijpen; dat Gods kinderen zo ellendig zijn; dat er van uzelf zo weinig overblijft enz. Maar . . . het is naar het Woord. Daar kunt gij hetzelfde in terugvinden. Daardoor bevestigt God onze harten, dat Hij in ons woont en werkt. Want waar de kennis des Geestes is, dat wil zeggen: het kennen naar de Geest, daar is ook het leven van die Geest. Hij oordeelt, maar Hij behoudt ook. Hij oordeelt, maar schenkt ook leven en troost door het geloof, door het gelovig kennen en beminnen van de enige en volkomen Middelaar. In Hem alleen is zaligheid. Hij laat ook niet varen het werk Zijner handen. Ellendigen zal Hij niet begeven noch verlaten. Onnaspeurlijk is de rijkdom der onverdiende genade. Geen wonder, dat men dan met Hagar kan uitroepen: „Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet"!
Wie in de hemel komt, valt er zelf buiten. Wie genade ontvangt, gaat het steeds meer als onbegrijpelijk zien. Maar .. . het is naar 't Woord.. Nooddruftigen van elk — ook van zichzelf! — verstoten, zal Hij ten Redder zijn.
Wij hebben enkele malen gezegd: hoe onbegrijpelijk het ook schijne, het is toch naar het Woord. Daarom bidden wij met Psalm 119: „Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast". Daarom is het onderwijs van Christus ook helemaal gericht op het ontsluiten van Zijn Woord. Dat lezen wij bij de Emmaüsgangers; dat lezen wij ook van de discipelen des avonds in de opperzaal. Christus gaat hen uit de Schrift aantonen, dat Hij al deze dingen moest lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan. Hij opent daarbij ook hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.
Ziet u daar niet uit, dat de levende en levendmalkende kermis van Christus onlosmakelijk verweven is met het waarachtig verstaan van de Schriften, ook van hetgeen de Schriften aangaande Hem verkondigen? De levende kennis van God wordt geboren uit de Schrift; wordt gevoed door de Schrift; leeft bij de Schrift en is er innerlijk mee verweven.
Is het niet uiterst merkwaardig, dat Christus Zich op deze wijze openbaart aan Zijn discipelen? De eerste twijfel neemt Hij weg, door hen Zijn handen en voeten te tonen, maar de laatste twijfel neemt Hij weg, door hen de Schriften te openen, met andere woorden door hen te tonen: De levende Christus is de Christus naar de Schriften.
Wie gelooft leeft niet meer naar het inzicht van zijn verduisterd verstand; die leeft ook niet bij hemelse visioenen, maar bij het Woord, levend gemaakt aan de harten door de Heilige Geest.
Want bedenk het wel, zoals Christus toen Zijn discipelen onderwees met Zijn eigen mondeling onderwijs, zo onderwijst Hij nu door het onderwijs van de Heilige Geest. Zo maakt Hij ook nu de harten brandende (Lukas 24:32); zo verlicht en verzekert Hij ook nu de harten.
Als ik Uw Woord gevonden heb — dat is ook: als ik Uw Woord verstaan heb en omhelsd — heb ik het opgegeten (zie Jeremia 15 : 16). Het is het leven van onze geest; het voedsel voor onze zielen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's