De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

13 minuten leestijd

De encycliek „Pacem in terris" — Uit het Synodeverslag in „Kerk en Wereld" — Het Harmonium afgekeurd. .

Op witte Donderdag, de donderdag vlak voor Goede Vrijdag — dit jaar viel die op 11 april —, heeft Paus Johannes XXIII een encycliek uitgevaardigd, die men de vredesencycliek zou kunnen noemen. Officieel heeft zij de naam: „Pacem in terris", naar de aanvangswoorden, — de encycliek is in het latijn gesteld — die betekenen: Vrede in de aardse gewesten. Het is de achtste encycliek door de tegenwoordige Paus gegeven.

Een commentator — hij sprak voor de microfoon van de K.R.O. — noemde de jongste encycliek er ene van „wereldhistorische betekenis". Hij grondde zijn uitspraak op het feit, dat de Paus zich in deze zendbrief richtte tot de gehele wereld, tot „alle mensen van goeden wille". Inderdaad is deze adressering een novum, iets nieuws.

Encyclieken toch waren oorspronkelijk een rondschrijven door de bisschoppen gezonden aan de gemeenten in hun diocese, hun bisdom. Men zou ze pastorale, herderlijke brieven kunnen noemen. Veel later is de naam encycliek uitsluitend gereserveerd voor een pauselijk schrijven aan de geestelijkheid der gehele Kerk en dan ook aan al haar leden.

Die encyclieken hadden dan als onderwerp „gewichtige kwesties van godsdienstige, morele of maatschappelijke aard". De jongste pauselijke zendbrief maakt hierop een uitzondering, omdat zijn inhoud is samen te vatten in de volgende woorden: „Universele vrede is in het belang van alle mensen zonder enig onderscheid" {N.R.Crt. d.d. 10 april jl). Iets nieuws, hoe waar het op zichzelf ook zij, heeft de Paus hiermede allerminst gezegd.

Zijn uitspraak leeft wel als wens in aller mensen harten. Zijn niet alle conferenties der regeerders, vele activiteiten der groten dezer aarde, op de verwezenlijking van deze wens gericht? En toch vordert de universele vrede maar weinig indien hij al vorderingen maakt.

Zal deze pauselijke boodschap de realisering van dit ideaal nader tot het doel brengen? God geve het, want Hij is de Enige uit Wiens handen wij de vrede mogen verwachten. Hij verhore onze gebeden.

Men vraagt, bijzonder in onze tijd, om daden, want woorden zijn zo goedkoop. Deze gedachte liet mij niet los, toen ik in de weergave van de inhoud der encycliek „Pacem in terris" las:

De Paus behandelt in de encycliek o.a. het probleem van minderheidsgroepen die, om verschillende redenen vastgehouden worden binnen 't gebied van een andere natie. De paus noemt het een zware schending van de rechtvaar­digheid als tegen deze volkeren iets wordt ondernomen om hun levenskracht en de groei te onderdrukken of zelfs hen uit te roeien". (N.R.Crt. d.d. 10-4-'63). Ik kon niet los komen in mijn denken van de protestantse „minderheden" in diverse roomse landen, in Italië en met name in Spanje. En ik herlas nog weer eens, wat in het G.W. d.d. 13-4-1963 stond overgenomen uit „De Kruisbanier".

Het betreft een uitspraak van een zekere pater Eustaquio Guerrero, die „zich nadrukkelijk verzet tegen het verlenen van nieuwe concessies aan protestanten in Spanje". Hij noemde zulke concessies „het verdragen van het kwaad".

In dit verzet tegen dergelijke concessies, tornt hij wel op tegen de bisschop van Huelvo, die op grond van „aanpassing van de kerk en bepaalde tendenzen van het tweede Vaticaanse Concilie" een protestantse scholier vrijgesteld had van 't roomse godsdienstonderwijs. Deze pater Guerrero schijnt „de spreekbuis te zijn van vele hoge Spaanse prelaten en van de meerderheid der bisschoppelijke commissie, die moet waken „over de rechtzinnigheid der leer". Genoemde pater wijst er ook op; dat „het Concilie nog niet heeft beraadslaagd over de godsdienstvrijheid".

Wat dit alles met de paragraaf over „minderheidsgroepen" — in de encycliek — te maken heeft? Wel dit, dat de Paus, pleitend voor die groepen, zijn begeerte, die zich tot vele volken richt, m.i. ook diene te verwerkelijken in zijn eigen machtsgebied, de r.k. kerk en met name paal en perk hebbe te stellen aan de agressiviteit van paters en prelaten in Spanje, opdat de protestanten daar in vrede kunnen leven. Of reikt de macht van de Paus zover niet ?

„Pacem in terris", wordt in de pers hogelijk gewaardeerd en geprezen. Ook de liberale N.R.Crt. bleef niet achter. Het is wel. De lof voor deze „belangrijkste der encyclieken" van Paus Johannes XXIII, zal m.i. nog groter worden, wanneer hij als hoofd der kerk, zijn boodschap, zoveel hem mogelijk is, in daden weet om te zetten, met name voor de „minderheidsgroepen" verdrukt door vele machthebbers der kerk. Dat mogen wij tooh van de Paus verwachten, die zich richtte tot „alle mensen van goeden wille". Want onder dezen zal hij toch ook moeten gerekend worden.

*

Meer malen heb ik geschreven over de m.i. wat summiere, niet in bijzonderheden tredende, verslagen van de zittingen der Generale Synode onzer kerk. Ze vestigen nogal eens de indruk, dat allen, met allen, of anders, de meesten met de meesten, het eens zijn. Dat dit echter niet het geval is, komt soms aan het licht door indrukken van een enkel lid in een verslag in eigen orgaan. Een staal daarvan is het verslag der jongste synode-zitting in „Kerk en Wereld" van vrijdag 15 maart jl. Het is van de hand van ds. Noorman en handelt voomamelijk over wat in de slotzitting en dan heel laat in de avond, naar voren kwam over reacties op het synodale geschrift over de Kernbewapening. Toen de praeses van de synode vóór de rondvraag dit punt aan de orde stelde, bleek uit mededelingen en vragen van verschillende synodeleden, dat „in vele vergaderingen van Kerkeraden en classes men op veel bedenkingen en verzet was gestuit". Heel wat mensen en vooral jongeren, die onder dienst moeten, hebben het er moeilijk mee.

Gevraagd wordt: „Wat zijn de consequenties van dit rapport voor ieder, die bij het defensie-apparaat is ingeschakeld ? " En dan lees ik verder; „Vooral prof. Van Niftrik was het geheel oneens met de strekking van het stuk. Hij verweet de synode gebrek aan naastenliefde door zo absolutistisch te spreken en daarmede mede-christenen in een moeilijke positie te brengen. Met dit radicale neen tegen de kernwapenen heeft de kerk haar taak om leiding te geven en voor te lichten op politiek gebied, uitgaande van het evangelie, verre overschreden. Het rapport wekt de schijn, alsof er maar één soort ware christenen zijn, terwijl men op grond van de Bijbel ook tot een heel andere conclusie en houding kan komen dan de synode in haar rapport".

Een dergelijke aanval was van prof. Van Niftrik te verwachten, gelet op wat hij daarover in de jongste Kroniek in „Kerk en Theologie" — ik heb dit kort geleden in deze rubriek doorgegeven — had geschreven. Met de schrijver van het verslag in „Kerk en Wereld" is het te betreuren, dat prof. Van Niftrik het antwoord van ds. Landsman niet kon afwachten, doch vertrekken moest. Zeker vanwege het late uur.

Het antwoord van ds. Landsman, die als verdediger van het rapport optrad, was wel heel merkwaardig. Ds. Noorman schrijft, dat het voor hem een hoogtepunt van de vergadering was, toen ds. L. zeide, dat hij respect had voor de overtuiging van waaruit prof. v. Niftrik had gesproken en dat het ook voor hem zelf geen eenvoudige zaak was om in deze kwestie positie te kiezen. Ds. Landsman vervolgt dan aldus: „Ook hij had zijn ogenblikken van onzekerheid en twijfel. Maar steeds weer brak de zekerheid door, dat waar het gaat om de toekomst der mensheid, de kerk haar eigen verantwoordelijkheid heeft en zeker op dit punt moet tonen, dat zij leeft uit een andere waarheid, dan welke voor de wereld geldt. Wat de kerk hierover zegt is geen vrijblijvende mening, waar ieder maar mee doen moet, wat hij wil. Het is ook geen absolutistische uitspraak, waar elk kerklid zich aan heeft te onderwerpen. Het is een uit geloof en in gehoorzaamheid gegeven getuigenis, in de hoop dat anderen daarin iets van de christelijke boodschap mogen verstaan. Het is tenslotte de Geest, die spreken en werken zal en het is het persoonlijke geweten, dat antwoorden en beslissen moet".

Ik noemde dit antwoord „merkwaardig"? Waarom? Ik beluisterde daarin klanken uit de „ethisciae theologie", die naar men meermalen zeide, haar tijd gehad heeft. Het waren klanken uit de tijd van de Algemene Synode, toen wij nog leefden onder „de oude bedeling", d.w.z. het reglement van 1816. Als in die tijd de synode een belangrijke beslissing nam trok men zich veelal ook terug op de autoriteit van de Geest en het geweten. Nu is het inderdaad „nooit geraden iets tegen het geweten te doen". Dat hebben de reformatoren ons wel goed geleerd. En van de leiding en de kracht van de Geest — de Heilige Geest — hebben zij ons ook treffend onderricht. Maar ze leerden vóór alles, dat het moest gaan naar de Heilige Schrift, door welke de Heilige Geest werkt, en aan welke (de Schrift) het geweten onderworpen moet zijn en uit welke de consciëntie moet gevoed en verlicht worden. En juist dat grote, het Woord Gods, in zijn norm en eis, miste ik - althans naar 't verslag - in het antwoord van ds. Landsman. En het Schriftbewijs, én het conform de Belijdenis der Kerk, mis ik nog altijd in het synodaal geschrift over de kernbewapening. Dat is m.i. de zwakke stêê in heel dit geschrift der synode.

In kan begrijpen, dat ds. Noorman in dit verband opmerkt „dat hier geloof staat tegenover geloof en dat „het sterkste en zuiverste geloof het daarbij (nl. in het pogen elkander te overtuigen) zeker zal winnen". En hij beëindigt dit stuk als volgt: „Men strijde op ridderlijke wijze, in het geloof, dat de waarheid groot is en zal overwinnen. Heeft ook al Hegel niet gezegd, dat de moeilijkste keuze niet is tussen waarheid en leugen maar tussen waarheid en waarheid? In de onderhavige kwestie zal het er voor een christen om gaan solidair met de ander in de wereld te staan maar evenzeer gehoorzaam aan de Heer niet van de wereld te zijn".

Ik kan zijn verwijzing naar Episcopius — de woordvoerder van de remonstranten op de Dordtse synode — in zijn peroratie: „Groot is de kracht der Waarheid en zij zal overwinnen naar Hegel begrijpen". Want ds. N. behoort tot de vrijzinnige, groepering. Maar een reformatorisch christen vraagt iets anders. Met name van de Generale Synode der Ned. Herv. Kerk, die gehouden is naar haar grondwet de kerk te leiden „in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift in gemeenschap met de belijdenis der vaderen". En dat onbreekt naar ik meen in heel de zaak der Kernbewapening. Evenwel, het laatste woord is hierover van Synodewege nog niet gesproken. Over deze kwestie zou prof. dr. Roscam Abbing op de Predikanten vergadering 23 apiil j.l. refereren. Namens het moderamen der Synode zou daarbij ook over het bewuste schrijven en de reacties daarop, worden gesproken. Heeft daar het licht geschenen, waarnaar ik tot nu toe tevergeefs speurde? We zijn intussen de heer A. van Ramshorst dankbaar voor zijn artikelenreeks in ons blad.

Het bestuur ener Christelijke söhool te Coevorden wenste voor het zangonderwijs een harmonium aan te schaffen. Het vroeg daarvoor — want zon orgel kon naar zijn mening ressorteren onder de leermiddelen, waarvoor naar de wet gelden dienen beschikbaar gesteld te worden — toestemming aan de gemeenteraad. Het verzoek werd afgewezen. Het gemeentebestuur vond het niet nodig. Toen is door mr. Hangelbroek het verzoek aanhangig gemaakt bij alle instanties, zulks in hoger beroep tegen het besluit van het gemeentebestuur. Zelfs de Raad van State is eraan te pas gekomen. Alles tevergeefs. Het was neen, en het bleef neen.

Dit verhaal stond in „Nederlandse gedachten" van 15 maart jl. Of het bestuur toen toch uit eigen middelen een harmonium heeft aangeschaft — want dat mag toch nog? — stond niet vermeld.

Het in Coevorden gebeurde, stond in een artikel, waarin de schrijver de tijd nog eens ophaalde, dat het harmonium, het huisorgel, een geliefd voorwerp was in de christelijke gezinnen. Het was de tijd, dat rondom dat orgel door het gezin jong en oud, gezongen werd, vooral de zondagavonden. Het gaf binding aan het gezinsleven. Die avonden waren hoogtepunten in het huiselijk leven. De christelijke gezinnen waren te kennen aan de Statenbijbel op een ereplaats en het orgel — ook 'n sierlijk meubel! — in een der hoeken. Maar ach, die tijd is verdwijnend- of reeds verdwenen. De schrijver constateert het met weemoed. Nu ligt dit niet aan het feit, dat het orgel niet meer zo in trek is. Ook bij een piano kan men zingen. Een goed pianist kan zowel de koralen als de christelijke liederen treffend begeleiden. Ook bij dat meer „cultureel" instrument kan men naar hartelust zingen. Maar de lust tot zingen, tot zingen van een gewijd lied, ontbreekt helaas zo vaak. Wij laten teveel voor ons zingen, we laten teveel voor ons spelen. Ons leven krijgt veel te veel 'n passieve instelling. Natuurlijk werkt ook de radio dit in de hand. En was het nog maar genietbare muziek, wat ze geeft! Het is jammer genoeg vaak niet om aan te horen. Vooral geldt dit de zgn. „lichte muziek". Lawaaierig, met schrijnende dissonanten.

Maar genoeg hiervan. Het harmonium heeft officieel afgedaan, constateert de schrijver uit „Nederlandse Gedachten". Hij kon zelfs in de „Christelijke Encyclopedie" niet een artikel over het harmonium vinden. Een oude Duitse van vóór de eerste wereldoorlog gaf hem wat hij wenste te weten. En wat wij na de glorietijd van het harmonium, alias Amerikaanse orgel, er in onze tijd voor in de plaats kregen? Luister, wat de schrijver hieromtrent zegt: „Gelukkig zijn er nu andere mogelijkheden. De pick-up redt iedereen en houdt iedereen op het culturele peil. Er zijn vele tophits in de handel en Pas Geperst licht ons in. Wij zijn nu volkomen safe en het armzalige harmonium is uit de tijd. De deskundigen hebben het uitgemaakt.

Wat is het fijn, dat er op cultureel gebied deskundigen zijn. Zij beslissen, wat kunst is en wat niet. Zij maken uit, welke gedichtenbundels een prijs verdienen, en welke niet. Zij weten, welke toneelstukken grotendeels op kosten van de staat gespeeld moeten worden. Zij rekenen uit, welke kunstenaars een beurs van de staat moeten hebben, om te gaan reizen.

Op de begroting van O.K. en W. worden honderdduizenden uitgetrokken, om de kunst te stimuleren en te financieren. En de schrijvers van gedichten en romans beklagen zich zelf, en beschuldigen de regering, omdat zij nog geen pensionarissen zijn van de staat. Natuurlijk zullen de deskundigen uitmaken, zonder arrogantie, zonder partijdigheid, zonder voorkeur voor het heidendom en afkeer van het öhristendom, wat werkelijk kunst is en wat niet, en wat gefinancierd moet worden en wat niet. En in elk geval geen cent meer voor een harmonium. Punt uit, zei een socialistisch politicus in zulke gevallen".

Spotternij of Sotternij? Och, misschien beide wel. En het is verdiend ook. Maar met dat al: het harmonium wordt niet meer vol bevonden. Alleen het draaiorgel heeft nog een kans.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's