BROOD VOOR HET HART
Gaarne willen wij aan het verzoek van de commissie: Lectuuractie „Brood voor het Hart" voldoen om onze lezers voorlichting te geven over de grote actie, die gaande is om goede lectuur voor de Zending te verkrijgen. Gaarne hopen wij, dat alle gemeenten gehoor geven aan de oproep 5 mei a.s. een collecte voor dit doel te houden. Met het oog hierop publiceren wij een bijdrage van de heer H. van 't Veld. Red.
Schrijver werd In 1932 te Nijkerk geboren. Na de 5-jarige h.b.s. te Harderwijk doorlopen te hebben, studeerde hij voor de akte Nederlands M.O. Tijdens deze studie vervulde hij zijn militaire dienstplicht, werd de onderwijzersakte behaald en aanvaardde hij in 1956 een betrekking als leraar aan het Tweede Christelijk Lyceum te Zeist.
Na het behalen van de M.O. B.-akte in 1959 volgde er in Leiden de studie in de Bantoeïstiek en, via de School of Oriental and African Studies te Londen, in de Nilo-Hamitische talen.
Verder volgde hij de zgn. „lange cursus" aan de Zendingshogeschool te Oegstgeest. Medio 1963 hoopt de heer van 't Veld voor de Gereformeerde Zendingsbond naar Kenya te vertrekken, om daar taalkundig fieldwork en lectuurarbeid te verrichten.
LECTUURTAAL EN MOEDERTAAL
Over „primitief" gesproken..
Niets is in Afrika gemakkelijker dan de moedertaal te verguizen, niets is moeilijker dan haar te vergeten.
Het is de taal die het negerkind in zijn eerste levensjaren verwerft en die de uitdrukking is van de cultuur van de stam waarin het opgroeit. Is nu vanwege het feit, dat die cultuur minder techniek kent dan onze westerse het gerechtvaardigd de stamtaal „primitief" te noemen? In het minst niet.
Zó spreekt slechts de Europeaan die óf geen inheemse taal, óf slechts zeer onvolledig een verkeerstaal kent. Zo'n verkeerstaal kent immers in verband met zijn doel (het fungeren als contacttaal tussen vele stammen) niet de rijkdom die een stamtaal bezit.
En ook dan valt het nog wel mee! Wat denkt u, die gemiddeld een 1500 woorden gebruikt, van het Lomongo in Kongo met 20.000 woorden, of het Zulu met 30.000?
Ja maar, zult u tegenwerpen, daarbij zijn dan toch geen woorden voor abstracte begrippen, woorden die de vrucht zijn van een ontwikkeld denken, exponenten van het atoomtijdperk! Ook hier krijgt u ongelijk: de stamtalen zijn buigzaam en dynamisch allerminst statische grootheden. In de grote familie der Bantoetalen, zowel in Kameroen als in Kenya en Ruanda gesproken, worden personen, dieren, andere levende wezens, grote dingen enz. in min of meer streng gescheiden woordklassen ondergebracht. De abstracta hebben daarbij een afzonderlijke klasse toegewezen gekregen. Zo kan de Ruandese abt Kagamé, die veel over godsdienst en talen van zijn volk schreef, spreken van een onmetelijke rijkdom aan abstracta.
Ook ten aanzien van het denken van de neger past ons bescheidenheid in ons oordeel. Wat weten we er anno 1963 eigenlijk nog van? In het algemeen wat fragmentarische kennis op grond van enkele mythen en volksverhalen.
Maar blijken er bij intensieve studie niet volledige systemen te bestaan, zoals bleek voor de Dogon en Bambara in West-Afrika, en de Nuer in Oost-Afrika. Spreken onderzoekers als Tempels en Griaule niet van een „filosofie"? En hiervan is hun taal het voertuig; er is geen woord Latijn bij. Over Latijn gesproken: heeft u in uw gymnasiumtijd wel eens geprobeerd om een gedeelte van Thomas á Kempis oorspronkelijk in het Latijn geschreven „Navolging van Christus" in het Nederlands te vertalen? Moeilijk nietwaar? Maar in verschillende Afrikaanse talen is er een behoorlijke vertaling van. Zo iets kan dus!
Tenslotte: de wetenschap. Wie durft er hier een negertaal iets te verwijten? Welke westerse taal wemelt niet van gewenste en ongewenste vreemdelingen? Hebben we in het Nederlands wel een woord voor „radio-activiteit"? Het Swahili in Oost-Afrika doet het beter zowaar, met zijn „vergif van atoom". Heus, deze talen redden zich op dit punt uitstekend, en op dezelfde wijze als dit bij ons gebeurt n.l. door ontlening, of door samenstelling van bestaande woorden.
In het Sotho in Zuid-Afrika heet „preekstoel": „prekesetulo", kennelijk aan het Afrikaans ontleend; in het Zulu wordt een barometer betiteld als „dat wat de lucht voelt". Voor de Nandi, een Nilotisch volk in de hooglanden van Kenya, was zelfs een schip een totaal vreemd cultuurelement. Het heet nu „honingvat van het water".
„Ziel van het volk"
De moedertaal is — de gedachte is ongetwijfeld bij het laatste voorbeeld al bij u opgekomen — een weerspiegeling van de cultuur, van de wereldvisie van de sprekers, en zo een sleutel tot hun denkwereld.
Men zegt dan wel: de taal is de „ziel" van een volk; een term die in de vorige eeuw in de opkomende dialectstudie nogal opgeld deed, en momenteel in bepaalde stromingen in de Amerikaanse linguïstiek in het centrum van de belangstelling staat.
Ook de Bantoe — in wiens „filosofie" naar de weergave van Tempels de levenskracht centraal staat — leeft de opvatting dat de taal, het taalgebruik — een uitwisseling van levenskracht is, een scheppend handelen. Taal is ook nauw verbonden met magie en taboe.
Hij ziet zijn taal en zijn handelen als keerzijden van één munt.
Evenzeer als toon en intonatie begeleidt het gebaar zijn zin.
In zijn taal blijkt hij primair gemeenschapswezen te zijn en geen individu, blijkt zijn speciale opvatting van tijd en ruimte, blijkt ook zijn waarneming van de buitenwereld, waarbij in zijn belangstelling de toestand het wint van de handelende persoon. Voor ons vaak irrolevante zaken merkt hij op en ze vinden hun neerslag in de gedetailleerdheid van zijn taal. De levenswijsheid, die toch wel een integrerend deel van de levenskracht uitmaakt, vindt haar uitleg in de vele spreekwoorden waarmee hij zijn taal doorspekt, hoe meer hoe liever: het geeft de intellectuele status van de spreker aan, en de doorsnee-kantoorbediende kan vaak 80 á 90 pct. van de totale voorraad die zijn taal kent (meestal 500 tot enkele duizenden) opsommen.
Moedertaal en lectuur
Zo wordt het nu begrijpelijk, dat alleen de moedertaal gebruikt wordt in de laagste klassen van de lagere scholen, waar het leren denken nog belangrijker is dan het bijbrengen van een grote hoeveelheid kermis, en eveneens bij het leesonderwijs aan volwassenen.
Zo zal ook duidelijk worden dat alle lectuur — al geldt dit voor een wiskundeboek minder dan voor de Bijbel of religieuze lectuur — het best begrepen wordt als ze in de moedertaal geschreven is.
En dat anderzijds een negerschrijver slechts dan de cultuur en denkwereld van zijn stam adekwaat zal verwoorden wanneer hij het in zijn moedertaal doet. Hiermede zijn nu echter ook de moeilijkheden gegeven.
Voor het overgrote deel van de Afrikanen betekent moedertaal, zoals wij die boven definieerden, stamtaal. Het aantal daarvan is legio, een nauwkeurig aantal is niet aan te geven, men kan er slechts naar raden. De ene onderzoeker vat een groep talen onder één naam samen, een ander telt elk dialect afzonderlijk. De schattingen liggen tussen de 700 en 1500.
De voorziening van lectuur en leerboeken in al die talen is een onmogelijke opgave, betekent verspilling van geld en arbeidskracht, daarover is een ieder het eens.
Stelde de bekende Bantuïst Doke niet, dat een taal minstens één miljoen sprekers moet hebben wil de lectuur die erin verschijnt, zichzelf kunnen bekostigen? (De Amerikaanse antropoloog Herskovits noemt in zijn laatste werk „The Human Factor in Changing Africa", New York 1962, p251 een aantal van 100.000 sprekers als voorwaarde dat de lectuur niet „oneconomisch" is). Zowel aan de eerste als aan de laatste eis kunnen maar relatief weinig talen van Afrika voldoen. Zou men dus naar deze maatstaven te werk gaan, dan zou het verband tussen taal en denkwereld, „ziel" en lectuur voor de overgrote meerderheid slechts een theoretisch gegeven blijven.
Ik spreek in de voorwaardelijke wijs. Er is immers een oplossing zodat de Afrikaan het Woord des Vaders niet enkel in deze grote talen — waaraan terecht prioriteit wordt verleend — hoort klinken, maar ook in de moedertalen en hij zich ook op alle levensgebieden daarin ziet aangesproken. Die oplossing kan slechts verwezenlijkt worden door een ander verband: lectuur en geld. Afrikaanse lectuur en Europees geld.
Met de besteding van dit geld moet dan zeer voorzichtig en zeer wijs worden omgesprongen. Want men vergist zich, als men meent dat alle moeilijkheden van de baan zijn en alle wensen vervuld als er lectuur in elke moedertaal bestaat. Dikwijls blijkt immers de Afrikaan zich daar juist tegen te verzetten: „Door ons slechts boeken in onze eigen taal te geven, houden jullie ons achterlijk, behoud je de voordelen van de westerse beschaving voor jezelf. Wij willen een andere taal". Welke? ?
Van taaldokters en reuzestappen
Zo komen we tot een andere taalkundige grootheid in Afrika: de lectuurtaal. Deze kan van drieërlei aard zijn, mogelijkheden die we aanduiden met: verkeerstaal, standaardtaal en koloniale taal. Laten we ze even afzonderlijk bekijken:
Een verkeerstaal is een taal die gebruikt wordt door sprekers van verschillende moedertalen om zo gemakkelijk met elkaar in contact te kunnen treden. Meestal is deze taal ontstaan uit een langdurige vermenging van twee talen. Zo ontstond het Swahili, in heel Oost-Afrika gebruikt uit stamtaal x Arabisch, het Lingala in Kongo uit stamtaal x stamtaal, het Pidgin (=„zaken")- Engels van Afrika's Westkust uit stamtaal x Engels.
Een koloniale taal heeft dezelfde functie, maar is onvermengd, al is natuurlijk het Engels dat een ontwikkelde Nigeriaan spreekt en schrijft wel anders dan het Oxford-English. Het is de taal die zich met de komst van het koloniale gezag als een bovenlaag over de stamtalen heeft gelegd. Voorbeelden zijn in Afrika: Engels, Frans, Spaans, Portugees, Italiaans etc.
Het Arabisch, ten noorden van de Sahara algemeen gesproken, neemt een soort tussenpositie in tussen verkeerstaal en koloniale taal.
Een ding is duidelijk in het huidige Afrika: deze talen verdwijnen allerminst als het koloniale bestuur verdwijnt, integendeel.
Op grote schaal worden ze tot nationale taal gepromoveerd door de jonge staten, die hopen daardoor de eenheid van de vele stammen te bevorderen. Resten dan nog de standaardtalen. Waren verkeerstaal en koloniale taal min of meer natuurlijke gegevenheden, de standaardtaal draagt een ietwat kunstmatig karakter. Uit een groep verwante en onderling verstaanbare dialecten en stamtalen heeft men getracht een eenheidstaal te creëren, die voor een heel gebied als schrijftaal kan dienen en overal daarbinnen verstaan wordt. Men doktert aan een eenheidsspelling, men wikt en weegt grammaticale vormen tegen elkaar af, men zoekt naar gemeenschappelijke woorden.
Vaak baseert men zich daarbij op één dialect of stamtaal, die niet altoos de meeste sprekers behoeft te tellen, maar ook, hoewel kleiner, meer kans op ontwikkeling kan hebben. Voorbeelden zijn o.a. Zulu en Sesotho in Zuid-Afrika, al zijn deze mede door deze standaardisering meer en meer verkeerstalen gev/orden. U ziet hoe ingewikkeld de verhoudingen liggen. Laat u er echter niet door afschrikken: veel is ons immers niet vreemd. Is op de bovengeschetste wijze ook niet het Algemeen Beschaafd Nederlands ontstaan, met misschien ook eindelijk eens een eenheidsspelling? Ligt ook hieraan niet één dialect, het Hollandse uit de grote steden en hun omgeving ten grondslag?
En wat vindt u van een volgende denkbare Nederlandse verhouding, waarin u veel parallellen met de Afrikaanse toestanden zult ontdekken: Een Groninger jongen uit Winschoten ontmoet in 1943 een zwerver. Hij vraagt zich af, of hij met een bedelaar uit Roodeschool te doen heeft of met een gedropte Engelse piloot.
Hoe zal hij hem nu aanspreken? In zijn „stamtaal" het Gronings (met excuses aan de Groningers), in de verkeerstaal Engels, die hij op de Mulo leerde, in het Duits, de koloniale taal van de bezetters, of de eveneens als verkeerstaal fungerende standaardtaal, het „Hollands"?
Toch is er één belangrijk verschil: Het Nederlands heeft een eeuwenlange ontwikkeling achter zich, met vaak de vele decennia tussen de taalconferenties, terwijl er in Afrika nog geen tien jaar beschikbaar is om allerlei standaardtalen zich rustig te laten ontwikkelen en zolang te wachten met onderwijs en lectuurvoorziening.
De afstand tussen Karel de Grote en Minister Cals moet op het rusteloze continent in enkele jaren overbrugd worden. Wij weten hoe Da Costa dichtte over de boekdrukkunst: een reuzestap, ten hemel etc. Maar die stap werd hier te lande niet als op het Afrikaanse continent met een reuzevaart genomen. Bij ons waren er in de 15e en daaropvolgende eeuwen maar weinig scholen, was er geen schreeuwende vraag om schoolboeken, geen snel toenemend lezend publiek en geen massa-onderwijs.
Kiezen is moeilijk
In Afrika geldt dit alles wel. We zagen reeds dat het onmogelijk en ongewenst is om aan die behoefte in alle stamtalen te voldoen.
Men moet 'n beperkt aantal talen daarvoor kiezen, die door zoveel mogelijk mensen worden verstaan. Welke taal is nu het meest geschikt en biedt het meeste perspectief om als lectuurtaal te fungeren?
De koloniale taal? Er is veel voor te zeggen. Veel sprekers, of het nu in Senegal, Ghana of Rhodesië is, zijn al tweetalig. Radio, film en krant zorgen voor een snelle verbreiding. Het is de taal van wetgeving en bestuursmaatregel, van continentale vergaderingen en noem maar op.
De taal heeft prestige: via Engels of Frans gaat de deur voor de neger open naar wat de sociologen „skilied labour" noemen, naar de witteboordenbaan of de politiek, naar het leiderschap over ééntaligen, naar studie in Amerika en reizen in Frankrijk.
Deze taal is de „link" met de buitenwereld en met de verre broeder op hetzelfde continent. Overal in de Afrikaanse landen pleit men momenteel in verband met het laatste voor het aanleren van een tweede „koloniale" taal: Engels in Franssprekende gebieden en omgekeerd. Men hunkert ernaar deze taal te Itennen, verwacht er wonderen van, ziet haar als een magisch middel, asperine, haarlemmerolie!
Deze taal is aantrekkelijk voor de negerauteurs, niet een boek in de stamtaal, maar een werk in standaard- of verkeerstaal geeft verdienste, roem en prestige.
Wil je rijk en bekend worden, dan moet je in het Engels etc. schrijven.
In deze taal moet ook de helaas maar al te schaarse en vaak vergeten lectuur voor de intellectueel, de „évolué", deze Afrikaanse mens op zoek naar evenwicht, worden geschreven. Ook u vindt het Drents of het Limburgs meer iets voor een volksverhaal dan voor een theologisch of, medisch werk. En kan zo niet, zij het met zeer hoge kosten, maar dan toch geen onnodige, een heel land met zijn bonte mengeling van stammen van lectuur worden voorzien? De keuze lijkt wel erg eenvoudig . . . En toch . . . .
Toch blijken de moeilijkheden en beperkingen vele. Allereerst zal het u, na de in de tweede paragraaf gegeven uiteenzetting duidelijk zijn, dat deze lectuur in de koloniale taal toch vaak iets gedwongens en kunstmatigs zal hebben. Zelfs al beheerst de jonge schrijver uit Nigeria het Engels grammaticaal uitstekend, zal hij het ook cultureel doen? Kan zijn werk in deze vreemd blijvende taalvorm het stempel dragen van zijn land? Hij kan in zijn boek of verhandeling veel brengen dat ook zijn stamtaal kent — zo zien we bijvoorbeeld de snelle wisseling van humor en ernst die aan vele Afrikanen eigen is ook weerspiegeld in de novellen door hen in Engels of Frans geschreven.
Hij kan veel paralellen zoeken en toch zal hij in veel ook geremd blijven. Hoe staat het met de grote aanschouwelijkheid, hoe moet het met de vele spreekwoorden? Gaat zijn lectuur niet dezelfde weg op als zijn nieuwe kunst: in plaats van maskers nu inktpotten van houtsnijwerk, afgestemd op de Europese markt? Zal ook bij het lezen van door Europese schrijvers in Europese talen geschreven lectuur, het begrijpen niet altoos wat globaal en moeilijk blijven? Onderzoekingen door de Amerikaanse socioloog Doob verricht, wijzen in deze richting.
Verkeerstaal en standaardtaal dan? In elk geval zijn hierin de genoemde bezwaren veel geringer, vooropgesteld dan dat de Afrikanen zelf, zij het vooreerst nog met onze hulp (wéér die band lectuurgeld) voor die lectuur gaan zorgen.
Bovendien kunnen we ze niet missen, gezien het praktische feit, dat het nog jaren duren zal — zelfs als de koloniale taal ook in de lagere klassen van de scholen onderwezen gaat worden — eer er een algemene kennis van deze talen gekomen zal zijn.
We moeten nog een stap verder gaan. Ook de verkeerstaal wordt nog lang niet unaniem verstaan en gesproken. Daar is de dorpsbevolking, de „classieke" mens, die nog steeds in de schaduw van zijn boom zit, of op een heuvel zijn enkele koeien hoedt; de mens, gehecht aan zijn stam.
Daar zijn de vrouwen, die niet zoals de man reizen of in de industrie werken. Daar zijn de meisjes, die vanwege het hoge schoolgeld nog maar in een gering percentage de school bezoeken.
Ook de moedertaal, zelfs in niet gestandaardiseerde vorm, zal in Afrika nog een groot deel van onze aandacht blijven vragen.
Hiervan zullen zendingspraktijk en zendingsopleiding goed doordrongen moeten zijn. Maar al te zeer neigt men tot een lichtvaardige speculatie, dat het met die stamtalen welhaast gedaan zal zijn.
Herskovits wijst er in genoemd werk echter terecht op, dat ondanks eeuwenlange westerse invloed, er nog maar slechts enkele verdwenen zijn. Er is 'n belangrijk verschijnsel, dat de stamtalen stijft in hun bestaan, n.l. 't tribalisme. Men vindt niets erger dan een spelling, een grammaticale vorm of een woord van een andere stamtaal of zelfs dialect te aanvaarden.
Standaardisering wordt altoos weer gezien als de begunstiging van een speciale groep, van een stam, die op de keper beschouwd uit een veel lagerstaand volkje bestaat.
Het is gemakkelijker een tunnel te graven door een berg die twee stammen scheidt, dan de sprekers over te halen elkaars taal te leren, schrijft Doob ergens.
En niet alleen de standaardtaal, ook de verkeerstaal wekt verzet. Heel duidelijk zien we dat geïllustreerd in de taaldebatten in het parlement van de aan de vooravond van de onafhankelijkheid staande staat Kenya: „Geef ons Engels als nationale taal, laten we ook Frans leren, maar alstublieft geen overmatige aandacht aan het Swahili. Het is de taal van niemand (ook dat is dus geen voordeel!) het is een taal die ons alleen maar herinnert aan de slavenhandel uit de vorige eeuw. (Wie een hond wil slaan, kan licht een stok vinden.)
De zending heeft dit taaltribalisme helaas maar al te vaak versterkt. Door haar verdeeldheid, dat we bijna zendingstrifoalisme zouden noemen, is er vaak een kerkelijke moedertaal geschapen. Van deze reinste verspilling van geld en gaven zijn Kongo en Kenya toch wel het voorbeeld. In het eerste land bestaan er 7 vormen van het Lingala, naar gelang van het zendingsgenootschap of de missieorde die er werkte, in het laatste land heeft men een protestants èn een roomskatholiek gespeld Gikuyu.
Enkele perspectieven
Schoolboeken en andere soorten lectuur kunnen, zoals reeds bij bijbeluitgaven het geval is en als soms door regeringen verplicht is gesteld, in tweetalige uitgaven verschijnen.
Kranten kunnen bijv. in de verkeerstaal geschreven worden en door uitgevers van lokale bladen in de stamtalen vertaald worden, met hun eigen lokale kleur en woordenschat.
Zolang wij blanken nog lectuur voor de Afrikaan schrijven, hetgeen met lectuur die bestemd is voor de theologische opleiding etc. nog wel enige tijd het geval zal zijn, moeten wij streven naar betere kennis van structuur en idioom van de inheemse talen.
Ongeacht ons taalmedium moeten we afstappen van de westerse lectuurvormen en aansluiten bij de inheemse. Naast hun epische gedichten en „praise-songs" moeten onze berijmde bijbelse verhalen staan, en onze oden op Christus. Zó verbreidde ook de Islam zich sterk via Swahili en Pulani. Alleen op deze wijze, in de totaliteit van taal en literaire vorm, is het mogelijk dat de lectuur het innerlijk van de neger raakt en verwoordt.
Want niets is in Afrika gemakkelijker dan lectuur voor het verstand, het hoofd alleen te schrijven, niets is er moeilijker dan de voorziening van brood voor het hart.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's