PROF. DR. J. SEVERIJN EN DE GEREFORMEERDE BOND
Reeds vóór 1940 maakte prof. dr. J. Severijn deel uit van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond.
Bij het heengaan van ds. M. van Grieken als voorzitter en lid van het hoofdbestuur werd prof. dr. J. Severijn met algemene stemmen tot voorzitter gekozen. Nog als de dag van gisteren kunnen we ons de vergadering, waarin dit plaats vond, herinneren.
Dit gebeurde in het jaar 1940.
Nu onze voorzitter zijn tachtigste verjaardag mag vieren door de goede gunst des Heeren over hem, is hij reeds 23 jaar voorzitter van onze Gereformeerde Bond. Het is dus voor de hand liggend dat bij het spreken of schrijven over prof. dr. J. Severijn vanzelf en zeker niet in de laatste plaats zijn verhouding tot en zijn werk in de Gereformeerde Bond ter sprake komt.
Het is ons een behoefte om dit te doen en wel met grote dankbaarheid. Toen prof. Severijn de voorzittershamer overnam lag alles lang niet zo gemakkelijk.
Over de „oplossing" van het kerkelijk vraagstuk, over de leiding van de voorganger van prof. Severijn waren de meningen nogal wat verdeeld. De een gaf hieraan op wat mildere, de ander op wat scherpere wijze uiting.
Ook prof. Severijn had zijn kritiek en heeft deze waarlijk niet onder stoelen of banken gestoken.
Hij was steeds van het goed recht van de Gereformeerde Bond overtuigd. Hiertegen ging zijn verzet en kritiek allerminst. Maar hij kwam in 't geweer wanneer hij meende dat de leiding niet aan de doelstelling beantwoordde, ja, daarmee zelfs in strijd kwam. Hierdoor heeft hij zich echter niet van de Gerefonneerde Bond afgekeerd. Integendeel. Geroepen tot het lidmaatschap van het hoofdbestuur en later tot het voorzitterschap van de Bond heeft hij deze functies aanvaard en er zich met al zijn krachten en de inzet van zijn gehele persoonlijkheid aan gegeven.
En hij mag dit, tot onze grote blijdschap, tot vandaag toe nog steeds doen. We horen het onze voorzitter nog zeggen, toen bij het klimmen der jaren de werkzaamheden wat moesten worden beperkt, „de arbeid voor de Geref. Bond is het laatste wat ik laat schieten. Want dit werk heeft de volle liefde van mijn hart, ik mag het zo graag doen en verkeer zo graag in de kringen van de Gereformeerde Bond, met allen, die daarin met me samenwerken."
Zonder enige overdrijving mogen we dan ook getuigen, dat de Koning der Kerk onze Bond in de nu tachtigjarige bijzonder veel heeft willen schenken.
Van harte, stemmen we in met wat prof. dr. C. M. van Wijngaarden schrijft in het boek „Waarheid, Wijsheid en Leven" onze voorzitter aangeboden bij zijn zilveren ambtsjubileum op 19 okt. 1956: „Zijn gave om leiding te geven, zijn mensenkennis, takt en bezonnenheid heeft hij op die plaats met grote ernst en besef van zijn verantwoordelijkheid aan de doelstelling van de Bond dienstbaar gemaakt. Niet ten onrechte heeft men hem — al was dat niet in verband met de Gereformeerde Bond — een geboren voorzitter genoemd.
Zijn, het meest op de voorgrond tredende, oogmerken daarbij zijn het herstel en de versterking van de eenheid van het gereformeerde volk en de verdediging van zijn recht en roeping om op te komen voor een leer en leven der kerk overeenkomstig de belijdenis en zich te keren tegen alles wat zich daar tegen stelt. Vooral dit laatste heeft hij in de Waarheidsvriend telkens weer en op velerlei wijze in het licht gesteld. Niet het minst door de, nu eens docerende, dan weer polemiserende, maar altijd instructieve hoofdartikelen, die hij wekelijks daarin schrijft, is De Waarheidsvriend onder de redactie van prof. Severijn een orgaan geworden, waarvan men ook in veel bredere kring kennis neemt.''
Van veel werk, onder zijn voorzitterschap ter hand genomen, mag worden gewaagd. We denken aan de contio's van Hervormd-Gereformeerde predikanten te Winschoten, aan de commissies, in het leven geroepen ter bestudering van bepaalde vraagstukken en het geven van adviezen. Tijdens het voorzitterschap van prof. dr. J. Severijn komen wel een paar zeer ingrijpende zaken aan de orde in de Ned. Herv. Kerk. De nieuwe kerkorde, de vrouw in het ambt, overgangs-bepaling 238.
Wat heeft onze voorzitter aan de bespreking van deze voor de kerk zo uitermate ingrijpende zaken een belangrijk aandeel gehad. Wat hebben wij van zijn kennis en zienswijze mogen profiteren. Tal van onvergetelijke sarnenkomsten hebben we onder zijn bezielende leiding meegemaakt. Te veel om op te noemen. We denken aan de bespreking van onze bezwaren tegen de nieuwe kerkorde, aan de opstelling van het rapport hierover, aan de bestrijding van de toelating van de vrouw tot de ambten, aan het onderzoek van de nieuwe bijbelvertaling.
Meerdere malen leidde hij ons in het overleg dat we hadden met het moderamen van de synode over voor de kerk belangrijke aangelegenheden.
Terwijl we vooral niet willen vergeten wat we in de oorlogsjaren onder zijn voorzitterschap nog mochten doen. Wat een steun mochten we in die jaren van hem ontvangen in de voor ons allen zo moeilijke tijd.
Reeds jaren bezet prof. dr. J. Severijn de bijzondere leerstoel vanwege de Geref. Bond aan de universiteit te Utrecht. Hierdoor wordt hem de gelegenheid geboden om de gereformeerde theologie aan de studenten te onderwijzen.
Velen zijn er die de colleges trouw hebben gevolgd en dankbaar zijn voor wat hen hier werd geboden.
Tegelijk had onze voorzitter door deze colleges een unieke gelegenheid om het contact met vele studenten te leggen en te bewaren en hen in allerlei voorkomende zaken van advies te dienen.
Op deze concrete dingen hebben we even willen wijzen, terwijl 't beshst niet in onze bedoeling ligt om ongeveer volledig op te gaan sommen wat onder prof. Severijn's leiding zoal is gebeurd.
Graag willen we iets anders onderstrepen. Prof. dr. J. Severijn, onze voorzitter, is nog steeds overtuigd van het goed recht van onze Bond in het midden van onze Ned. Herv. kerk.
Hij zegt dit echter niet met blijdschap en trots, alsof het hem om deze Bond zou gaan. Integendeel. Wanneer hij dit constateert, dan is dat met smart. Met smart, omdat de toestand van de Ned. Herv. kerk niet zó is, dat daarom opheffing van de Bond gerechtvaardigd en noodzakelijk zou zijn.
In zijn rede, bij het 50-jarig bestaan van de Bond in de Domkerk te Utrecht uitgesproken, heeft hij dit zeer duidelijk zó gesteld.
In de gegeven situatie blijft 't de taak van de Gereformeerde Bond om „Gods Woord te bewaren, te verbreiden en de kennis des geloofs te verdiepen". In welk opzicht iemand ook met prof.. Severijn van mening zou verschillen over de aanpak van kerkelijke vraagstukken, over de te volgen weg om tot een schriftuurlijker kerkelijk leven te komen, niemand kan ontkennen dat het onze voorzitter bij al zijn arbeid in onze Bond juist er om te doen is dat de kerk zich richte naar het Woord Gods en dat de belijdenis de plaats en functie hebbe die haar in het kerkelijk leven toekomt.
In dit licht moeten we de kerkelijke arbeid van onze voorzitter zien. Hoe soepel en meegaand, hij ook in bijkomstige dingen wil zijn, hier weet hij van geen toegeven of wijken.
Steeds weer hamert hij er op dat de belijdenis aangaande de Heilige Schrift het meest fundamentele stuk des geloofs is. Als hierin afgeweken wordt, dan wijkt men af over de gehele linie. Alleen maar tot bederf der kerk.
In wat hij zegt in zijn genoemde rede in de Domkerk vindt ge prof. Severijn ten voeten uit. „Het geloof belijdt de H. Schrift als Gods Woord. Het geloof omhelst haar als zodanig, grondt zich daarop, richt zich daarnaar, leeft er uit. Dat kan het geloof zo, omdat de gelovige betrokken wordt niet alleen bij de dingen, die God in Zijn Woord geopenbaard heeft, niet alleen, omdat de geopenbaarde dingen vat op hem krijgen, maar zij krijgen vat op hem, omdat het geloof uit de gemeenschap met God, de God der Schriften, opkomt wijl God zelf met de gelovige in gemeenschap tredende door Zijn Woord en Geest, men bij het werk der openbaring Zijner liefde in Christus betrekt". Daarbij haalt hij het hem zo bijzonder geliefde woord van Calvijn aan: „Maar aangezien geen dagelijkse Godspraken uit de hemel gegeven worden en alleen de Schriften bestaan, door welke het de Heere goedgedacht heeft Zijn Waarheid tot een eeuwige gedachtenis te doen voortleven, bezit de Schrift door geen ander recht een volledig gezag bij de gelovigen, dan wanneer ze geloven, dat ze uit de hemel is voortgekomen, even alsof levende stemmen Gods zelf vandaar gehoord worden."
Daarom wordt alle critiek op de eeuwige en onaantastbare waarheid Gods verworpen.
Het behoeft dan ook geen betoog, dat prof. Severijn steeds weer de kerk in al haar leven en werken aan dit Woord gebonden wil hebben.
In de Kerk moet vrijheid zijn, niet een vrijheid om het gezag van het Woord te verwerpen, maar vrijheid en plicht, roeping en opdracht om alleen onder de heerschappij van het Woord te leven.
In de kerk hebben wij ons allen alleen door Woord en Geest te laten onderrichten.
In dit licht moet dan ook gezien worden het opkomen voor het recht van de belijdenis. Want in deze belijdenis klopt en spreekt het geloof van Gods kerk. Deze belijdenis is daarom bindend voor allen, zolang niet op grond van de Schrift kan worden aangetoond, dat ze strijdt met deze Schrift.
Onze voorzitter is altijd opgekomen voor het recht van zulk een kerkelijk leven, waarin het Woord Gods en de belijdenis de hen toekomende plaats heb ben. Want alleen zo zal er een werkelijk gereformeerd kerkelijk leven sprake kunnen zijn.
Het is nu steeds 't streven van prof. Severijn geweest hierin de hervormd-gereformeerden samen te binden en samen te houden. We mogen dankbaar getuigen dat er van de persoon en het werk van onze voorzitter samenbindende kracht is uitgegaan.
Wat heeft hij juist hierover met ons veel gesproken. En zo gesproken, dat het diepe indruk op ons maakte en wij er zelf door verrijkt werden.
Temeer, omdat 't telkens bleek, waarvan hij ook zelf onder ons getuigenis aflegde, dat hij geen vreemdeling was door Gods genade aan het waarachtig geloof, dat in de belijdenis aan het Woord is en dat Gods Geest door het Woord in de harten werkt.
Daarom danken we de Heere voor alles wat Hij ons in onze voorzitter wilde schenken. Ons persoonlijk, onze Bond, onze Kerk.
Hij spare hem nog, ook voor deze arbeid. Hij moge zich gedragen en omringd weten door ons aller gebed en medeleven.
In zijn meergenoemde rede zegt prof. Severijn zelf: „Wij hebben geen redenen om in onszelf te roemen. Als wij de Kerk moeten bewaren, is er geen verwachting, maar wetende, dat Christus Zijn gemeente zelf bouwt, is er goede grond tot dankbaarheid, dat wij bij dat werk in het geloof betrokken mogen zijn en worden wij aangespoord om te volharden in de verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Hervormde Kerk, overeenkomstig haar gereformeerde belijdenis."
Laten wij dan de trouw en de genade Gods mogen roemen in alles wat Hij aan prof. Severijn schonk en in hem aan ons gaf.
Deze trouw en deze genade Gods vermenigvuldige zich rijkelijk van hem in Christus Jezus, om de Heilige Geest.
Maar zou de zaak het niet waard zijn en zou de geest er niet door verrijkt worden? Ik dacht, dat het een voorrecht is als een leermeester zijn leerlingen meevoert naar hoogten, die deze alleen niet kan bereiken en waar hem uitzichten geschonken worden, die hij niet had kunnen vermoeden. Maar wij moeten meeklimmen en dat kost inspanning; de apostel spreekt niet voor niets van het omgorden van de lendenen des verstands.
Het kerkelijke en maatschappelijke leven overziende wordt telkens de diepere samenhang van de dingen en de achtergronden der problemen getekend. Ik noem slechts één typerend voorbeeld.
Het is weer enige tijd geleden, dat in de pers veel drukte werd gemaakt over een reactie van het Staphorstse volk in verband met een geval van echtbreuk. Dan lezen wij in de Waarheidsvriend: „Is het niet verontrustend, dat velen het gewoon schijnen te vinden het huwelijk om allerlei oorzaak te verbreken, waarvan in vele gevallen de kinderen de ongelukkige slachtoffers worden en de gemeenschap slechts schade kan ontvangen, gezwegen nog van de overtreding van Gods wet? Een gezond gezinsleven is het hechtste fundament van de samenleving en daarom reeds van het grootste belang ook voor de overheid. Het ware te wensen, dat er meer en in bredere kring over het huwelijk werd gewaakt zowel om het gebod als voor de goede zede en tot bevordering van het sociaal welzijn." Zie, dat snijdt hout en dat is geen woord van ja en neen, maar hier worden de vragen en omstandigheden van het heden doorlicht met het Woord van God.
Daarnaast denk ik aan ons driemaandelijks tijdschrift Theologia Reformata, dat zijn zesde jaargang is ingegaan en waarvan prof. Severijn de Hoofdredacteur is. In het eerste nummer gaf hij in naam van de redactie in een Ten geleide rekenschap van het verschijnen van een nieuw theologisch tijdschrift naast de vele in ons vaderland bestaande. „Het schijnt welhaast een waagstuk in deze tijd met een nieuw theologisch tijdschrift mt te komen, dat — te oordelen naar de titel onder welke het zich aandient — uitgaat van een theologie, die gedragen wordt door het reformatorisch geloof, dat helaas door velen als hopeloos verouderd wordt beschouwd. Het gaat erom „de reformatorische beginselen levend te houden en nader uit een te zetten onder degenen, die daarvan nog niet vervreemd zijn en terwille ook van de dienaren des Woords en die zich voorbereiden voor de Heilige Dienst". Hier ligt het motief, dat toen en nu de grond is geweest van al wat door de jubilaris is geschreven en het verwondert ons niet, dat het 1e artikel tot titel droeg: Het dogma der Kerk, een van de vele stukken over de Kerk gepubliceerd. Prof. Severijn blijft hier meedoen aan de discussie over de grote vragen, die weer aan de orde werden gesteld, getuige b.v. het artikel over de Verzoening.
Wat ge open slaat, telkens blijkt hoe prof. Severijn zich leerling blijft gevoelen van Calvijn, voor hem dè theoloog der reformatie. De methode van Calvijn acht onze Voorzitter de enig juiste. Hij wordt niet moede te betogen, hoe Calvijn geen wijsgerige prolegomena behoefde. De theologie moet zich bezinnen op haar eigen principia. De theologie van Calvijn is onderwijzing der christelijke reUgie. Zijn voorbeeld en norm is de religie der Heilige Schrift. Wars van alle scholastiek gaat hij zijn eigen weg. Dat men niet altijd het voetspoor dat Calvijn heeft getekend is blijven volgen tot grote schade van het kerkelijk en geestelijk leven, betekent een afdwaling van de rechte weg, waarbij filosofie en religie verward worden.
In de publikaties, zowel in onze organen als op andere wijze heeft prof. Severijn zich vele malen uitgelaten over heden en toekomst van het kerkelijke leven. Ik denk aan een geschrift uit 1923 Kerk en Staat, waarin het kerkelijke vraagstuk aan de orde wordt gesteld en de strijd om kerkorde en confessie ook in het licht van de geschiedenis wordt gezien. Daar is ook opgenomen het plan van het Convent. Een boek, dat van meer dan historische betekenis is.
In Vragen van tijd en eeuwiglieid gaat prof. Severijn op populaire wijze in op het „nieuw-modernisme". „Daarom is en blijft de belijdenis draagvlak voor het kerkelijk leven en het geloof, dat in de belijdenis aan het woord is, blijft geroepen en gerechtigd om in de aangelegen vragen leiding en beslissing te nemen. De richtingskwestie wordt bepaald door de relatie tot de belijdenis. Wij hebben dan ook volstrekt geen behoefte aan een „nieuw belijden". Waar de kerk behoefte aan heeft, is dat haar belijdenis leeft, zoals die voor de reformatoren leefde.
Ik mag niet meer aanhalen uit andere werken, b.v. uit de Encyclopedie der theologische wetenschappen of uit De inleiding tot het theologische denken of uit de rectorale rede in 1952 gehouden over Imago Dei.
Voor onze Hervormde Bond van Jongelingsverenigingen heeft onze Voorzitter veel gesproken en geschreven. Ik noem de leidraad De Nederlandse Geloofsbelijdenis, waarin met onze rijpere jeugd de geloofsbelijdenis gelezen wordt en de toespraken op Bondsvergaderin gen gehouden: De Doleantie en Het Verbond.
Als wij de stukken van prof. Severijn lezen, dan denken we aan een woord dat Whyte ergens schrijft —: Het is het hart, dat de theoloog maakt, niet het hoofd, niet het talent, niet de geleerdheid.
Wij hopen, dat het prof. Severijn nog gegeven mag worden een kleine dogmatiek te publiceren, die ouderen en jongeren, theologen en niet-theologen kan helpen in deze tijd. En om meer vragen wij maar niet. Wie weet! Nog meer boeken, zult u zeggen? Ik eindig, waar ik begon. Een theoloog is een man van boeken. Spurgeon schrijft ergens over een goede bibliotheek, die voor de pastor even noodzakelijk is als het kerkmeubilair. Laten de diakenen eens — zonder de zorg voor de tafel van de armen te verzuimen — letten op de studietafel van de dominee en die voorzien van nieuwe boeken in behoorlijke overvloed. Het geld, zegt hij, zou goed besteed zijn en boven verwachting productief.
En tenslotte, hooggeachte professor: Een oude vrouw zeide mij enige tijd geleden — en zij was bijna tien jaar ouder dan u vandaag moogt zijn —: Ik denk maar veel aan de toekomst. God geve u veel genade om vanuit die eeuwige toekomst te leven en zo, ook nog door uw geschriften ten zegen te zijn. Ik las in de Navolging van Christus, hoe Thomas a Kempis schrijft: Als hém het loon niet zal ontgaan, die een beker koud water geeft aan zijn dorstige buurman, wat zal dan wel het loon zijn van hem, die goede boeken geeft in de handen van zijn buurlieden, en hun opent de bronnen van het eeuwige leven?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1963
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1963
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's