Prof. Severijn en zijn publikaties
In dit nummer, waarin over het werk en de persoon van prof. Severijn geschreven wordt, mag een artikel over zijn persarbeid niet ontbreken. Het wordt vandaag — zonder enig medeweten van de betrokkene — een nummer over hem en niet van hem. Nu onze Voorzitter de mijlpaal van de 80-jarige leeftijd mocht bereiken willen wij samen onze dankbaarheid uitspreken voor alles, wat door hem in het belang van Kerk en Koninkrijk is gedaan; en daarbij behoort ook en zeker niet het minst, wat prof. Severijn ons in de loop van vele jaren gegeven heeft door zijn publikaties.
Een theoloog is een man van het Boek, waaruit ieder schriftgeleerde in het Koninkrijk der hemelen onderwezen gelijk een heer des huizes uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. — En daarom is de theoloog ook de man van boeken. Men maakt wel eens een vreemde tegenstelling tussen dominees, die het uit de boeken hebben en degenen, die het van Boven hebben, maar de apostel kent die tegenstelling niet. In zijn afscheidsbrief aan Timotheus vraagt hij, dat deze de reismantel zal meenemen en de boeken inzonderheid de perkamenten. En ik kan mij niet voorstellen, al gebruikt hier Paulus het woord ta biblia, dat hij hier alleen aan zijn Bijbel denkt. In de boeken ligt het voedsel voor de geest en om anderen te geven moet men eerst zelf ontvangen. Dat nu heeft prof. Severijn gedaan; hij heeft veel ontvangen; God gaf hem singuliere gaven en met deze gaven heeft hij gediend en gegeven, zijn leerlingen in engeren zin, maar daarbuiten een brede kring van lezers en geestverwanten.
Bij oude schrijvers vinden wij vele malen het beeld van het volk, dat allerlei bracht tot opbouw van de tabernakel. Comrie zegt in zijn inleiding op de Verhandeling van enige eigenschappen van het zaligmakende geloof: Of ons werk tot opbouw van de geestelijke tabernakel bij goud of zilver of wel liever bij de geringere gaven van kemelshaar en dassenvellen moet vergeleken worden, willen wij niet beslissen. En Schortinghuis haalt het woord van Hermannus Witsius aan: als anderen goud, zilver en kostelijke stenen brachten tot de bouw van de tabernakel, dan neme men het mij niet kwalijk, dat ik met rams- en dassenvellen achteraan kome.
Maar men gaf — voor de dienst des Heeren, voor de opbouw van het Huis Gods. Zo zie ik het werk van prof. Severijn.
Ik behoef geen inventarislijst op te maken van wat door onze jubilaris is gepubliceerd. Daarvoor moge ik verwijzen naar de respectabele bibliografie van de hand van ds. J. Jongerden in de bundel Studiën opgedragen aan Prof. Severijn ter gelegenheid van zijn zilveren ambtsjubileum in 1956. Het zou grove ondankbaarheid zijn, als vandaag niet gewezen werd op alles wat in woord en geschrift van de hand van prof. Severijn tot ons kwam.
Sinds vele jaren is prof. Severijn de hoofdredacteur van ons orgaan. Dat is geen sinecure, want de krant moet op tijd verschijnen. Wie wel eens achter de schermen gekeken heeft of zelf met dat bijltje heeft moeten hakken weet wat dat betekent. En daarbij gaat het er maar niet om, dat de krant vol komt, maar dat regelmatig iets geboden wordt aan de lezer, waaraan hij wat heeft, dat tot nadenken en tot bezinning brengt. Het gaat om leiding te geven aan het kerkelijk en gemeentelijke leven. Ons weekorgaan heeft een sterk dogmatische inslag, dat weten wij wel, maar dat is ook nodig voor een Bond, die de Waarheid Gods zoekt te verbreiden en te dienen. Zo schreef de Voorzitter een lange reeks over het Verbond, over de leer van de mens. En wat altijd weer opvalt is het voortdurend opkomen voor de autoriteit van de Schrift als het Woord van God. Daar zijn wij blij mee, dat in deze tijd nu de Bijbel voor velen veel meer een Woord óver God dan het Woord van God is, wij voortdurend gewezen worden op: de Schrift zegt en weer de Schrift zegt. Ik noem in dit verband alleen de stukken die samenhangen met de positie van de vrouw in de Kerk.
Men heeft wel eens gezegd; ja maar die hoofdartikelen zijn zo moeilijk. Zeker vragen artikelen over het Verbond en de verkiezing of over de algemene openbaring inspanning van de geest.
Maar zou de zaak het niet waard zijn en zou de geest er niet door verrijkt worden? Ik dacht, dat het een voorrecht is als een leermeester zijn leerlingen meevoert naar hoogten, die deze alleen niet kan bereiken en waar hem uitzichten geschonken worden, die hij niet had kunnen vermoeden. Maar wij moeten meeklimmen en dat kost inspanning; de apostel spreekt niet voor niets van het omgorden van de lendenen des verstands.
Het kerkelijke en maatschappelijke leven overziende wordt telkens de diepere samenhang van de dingen en de achtergronden der problemen getekend. Ik noem slechts één typerend voorbeeld.
Het is weer enige tijd geleden, dat in de pers veel drukte werd gemaakt over een reactie van het Staphorstse volk in verband met een geval van echtbreuk. Dan lezen wij in de Waarheidsvriend: „Is het niet verontrustend, dat velen het gewoon schijnen te vinden het huwelijk om allerlei oorzaak te verbreken, waarvan in vele gevallen de kinderen de ongelukkige slachtoffers worden en de gemeenschap slechts schade kan ontvangen, gezwegen nog van de overtreding van Gods wet? Een gezond gezinsleven is het hechtste fundament van de samenleving en daarom reeds van het grootste belang ook voor de overheid. Het ware te wensen, dat er meer en in bredere kring over het huwelijk werd gewaakt zowel om het gebod als voor de goede zede en tot bevordering van het sociaal welzijn." Zie, dat snijdt hout en dat is geen woord van ja en neen, maar hier worden de vragen en omstandigheden van het heden doorlicht met het Woord van God.
Daarnaast denk ik aan ons driemaandelijks tijdschrift Theologia Reformata, dat zijn zesde jaargang is ingegaan en waarvan prof. Severijn de Hoofdredacteur is. In het eerste nummer gaf hij in naam van de redactie in een Ten geleide rekenschap van het verschijnen van een nieuw theologisch tijdschrift naast de vele in ons vaderland bestaande. „Het schijnt welhaast een waagstuk in deze tijd met een nieuw theologisch tijdschrift uit te komen, dat — te oordelen naar de titel onder welke het zich aandient — uitgaat van een itheologie, die gedragen wordt door het reformatorisch geloof, dat helaas door velen als hopeloos verouderd wordt beschouwd. Het gaat erom „de reformatorische beginselen levend te houden en nader uit een te zetten onder degenen, die daarvan nog niet vervreemd zijn en terwille ook van de dienaren des Woords en die zich voorbereiden voor de Heilige Dienst". Hier ligt het motief, dat toen en nu de grond is geweest van al wat door de jubilaris is geschreven en het verwondert ons niet, dat het 1e artikel tot titel droeg: Het dogma der Kerk, een van de vele stukken over de Kerk gepubliceerd. Prof. Severijn blijft hier meedoen aan de discussie over de grote vragen, die weer aan de orde werden gesteld, getuige b.v. het artikel over de Verzoening.
Wat ge open slaat, telkens blijkt hoe prof. Severijn zich leerling blijft gevoelen van Calvijn, voor hem de theoloog der reformatie. De methode van Calvijn acht onze Voorzitter de enig juiste. Hij wordt niet moede te betogen, hoe Calvijn geen wijsgerige prolegomena behoefde. De theologie moet zich bezinnen op haar eigen principia. De theologie van Calvijn is onderwijzing der christehjke religie. Zijn voorbeeld en norm is de religie der Heilige Schrift. Wars van alle scholastiek gaat hij zijn eigen weg. Dat men niet altijd het voetspoor dat Calvijn heeft getekend is blijven volgen tot grote schade van het kerkelijk en geestelijk leven, betekent een afdwaling van de rechte weg, waarbij filosofie en religie verward worden.
In de publikaties, zowel in onze organen als op andere wijze heeft prof. Severijn zich vele malen uitgelaten over heden en toekomst van het kerkelijke leven. Ik denk aan een geschrift uit 1923 Kerk en Staat, waarin het kerkelijke vraagstuk aan de orde wordt gesteld en de strijd om kerkorde en confessie ook in het licht van de geschiedenis wordt gezien. Daar is ook opgenomen het plan van het Convent. Een boek, dat van meer dan historische betekenis is.
In Vragen van tijd en eeuwiglieid gaat prof. Severijn op populaire wijze in op het „nieuw-modemisme". „Daarom is en blijft de belijdenis draagvlak voor het kerkelijk leven en het geloof, dat in de belijdenis aan het woord is, blijft geroepen en gerechtigd om in de aangelegen vragen leiding en beslissing te nemen. De richtingskwestie wordt bepaald door de relatie tot de belijdenis. Wij hebben dan ook volstrekt geen behoefte aan een „nieuw belijden". Waar de kerk behoefte aan heeft, is dat haar belijdenis leeft, zoals die voor de reformatoren leefde.
Ik mag niet meer aanhalen uit andere werken, b.v. uit de Encyclopedie der theologische wetenschappen of uit De inleiding tot het theologische denken of uit de rectorale rede in 1952 gehouden over Imago Dei.
Voor onze Hervormde Bond van Jongelingsverenigingen heeft onze Voorzitter veel gesproken en geschreven. Ik noem de leidraad De Nederlandse Geloofsbelijdenis, waarin met onze rijpere jeugd de geloofsbelijdenis gelezen wordt en de toespraken op Bondsvergaderin gen gehouden: De Doleantie en Het Verbond.
Als wij de stukken van prof. Severijn lezen, dan denken we aan een woord dat Whyte ergens schrijft —: Het is het hart, dat de theoloog maakt, niet het hoofd, niet het talent, niet de geleerdheid.
Wij hopen, dat het prof. Severijn nog gegeven mag worden een kleine dogmatiek te publiceren, die ouderen en jongeren, theologen en niet-theologen kan helpen in deze tijd. En om meer vragen wij maar niet. Wie weet! Nog meer boeken, zult u zeggen? Ik eindig, waar ik begon. Een theoloog is een man van boeken. Spurgeon schrijft ergens over een goede bibliotheek, die voor de pastor even noodzakelijk is als het kerkmeubilair. Laten de diakenen eens — zonder de zorg voor de tafel van de armen te verzuimen — letten op de studietafel van de dominee en die voorzien van nieuwe boeken in behoorlijke overvloed. Het geld, zegt hij, zou goed besteed zijn en boven verwachting productief.
En tenslotte, hooggeachte professor: Een oude vrouw zeide mij enige tijd geleden — en zij was bijna tien jaar ouder dan u vandaag moogt zijn —: Ik denk maar veel aan de toekomst. God geve u veel genade om vanuit die eeuwige toekomst te leven en zo, ook nog door uw geschriften ten zegen te zijn. Ik las in de Navolging van Christus, hoe Thomas á Kempis schrijft: Als hém het loon niet zal ontgaan, die een beker koud water geeft aan zijn dorstige buurman, wat zal dan wel het loon zijn van hem, die goede boeken geeft in de handen van zijn buurlieden, en hun opent de bronnen van het eeuwige leven?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1963
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1963
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's