Het Tweede-Kamerlid dr. J. Severijn
Onlangs op de Deputatenvergadering van de anti-revolutionaire partij heeft mr. A. B. Roosjen een rede gehouden (die om zijn principiële inhoud ook de aandacht van onze kroniekschrijver trok), waarin hij, aanknopend aan een Ierse sage, veler oordeel over kerk, christendom en christelijke politieke partij aldus omschreef: „Dood, maar zij weten het zelf nog niet".
Daaraan moesten wij denken, toen wij in het zesdelige standaardwerk van prof. mr. P. J. Oud de gegevens raadpleegden omtrent het Tweede-Kamer- lidmaatschap van prof. Severijn. Prof. Oud dan vermeldt, dat dr. J. Severijn op 17 september 1929 als lid der kamer werd toegelaten en op 20 okt. 1931 ophield lid der kamer te zijn wegens overlijden (†).
Dood, maar Severijn wist het zelf nog niet. Hoezeer prof. Oud zich vergiste, mag hij vandaag zelf constateren, nu prof. Severijn zijn tachtigste verjaardag mocht vieren, die ook prof. Oud reeds nadert.
Neen, 20 oktober 1931 was niet de dag, waarop dr. Severijn geschiedenis werd, maar integendeel de dag, waarop hij de functie aanvaardde, waardoor hij meer dan in enige andere door hem vervulde functie geschiedenis zou máken.
Die functie was ook de reden van zijn aftreden als Kamerlid. De officiële Handelingen der Tweede Kamer maken op 13 oktober 1931 melding van een ingekomen schrijven van het lid dr. J. Severijn: „Het zij mij vergund u te berichten, dat ik in verband met de aanvaarding van het Hoogleeraarsambt te Utrecht op den 20sten October a.s. zal ophouden lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zijn en als zodanig bedank".
Had Oud misschien in zoverre gelijk, dat op 20 oktober 1931 dan toch het politieke leven van zijn anti-revolutionaire collega eindigde? De wens zou de vader van de gedachte kunnen zijn, want in zijn betrekkelijk korte parlementaire loopbaan heeft dr. Severijn bij de behandeling van het ontwerp van wet tot Regeling van de Winkelsluiting zich met name gekeerd tegen de principiële opvattingen van mr. Oud ten aanzien van de Zondag, waarover hieronder nader.
Hoewel hij zich bij die gelegenheid ook keerde tegen de opvattingen, gelijk die door de woordvoerder der staatkundig-gereformeerden, ir. C. N. van Dis waren naar voren gebracht, liet hij toch niet na tegenover de heer Oud te betogen: „Ondanks onderlinge verschillen en opvattingen staan de afgevaardigden der christelijke partijen hier voor een eisch van religieus en zedelijk leven, aan welken zij, blijkens haar program, goddelijke autoriteit toekennen". Hij maakte bij de uiteenlopende standpunten dus wel duidelijk onderscheid tussen de absolute en de relatieve scheidslijnen. Bij deze gedachtengang sloot zich zijn fractiegenoot dr. H{ugo) Visscher aan, toen hij in hetzelfde debat er zijn teleurstelling over uitsprak, dat „de heer Van Dis, in plaats van te zoeken naar wat vereenigt, juist met grooten nadruk op de spits drijft al datgene, wat ons kan verdeelen".
Gezien de wijze, waarop dr. Severijn de principiële lijnen trok en daarbij duidelijk onderscheidde tussen primaire en secundaire lijnen, was er voor mr. Oud dus wel reden te wensen, dat althans het politieke leven van zijn collega Severijn op 20 oktober 1931 zou eindigen. Maar ook die wens is niet in vervulling gegaan, want ook daarna is hij tot op de huidige dag op onderscheidene wijze op het terrein der staatkunde actief gebleven in de partij, die hem eens in 's lands vergaderzaal had gebracht.
Professor Severijn tachtig jaar. Terugblikkend op dit lange en rijke leven valt de schijnwerper terecht in de eerste plaats op andere activiteiten dan die van politieke aard.
Toch maakt zijn korte parlementaire loopbaan van dat leven essentieel deel uit. Aan zijn politieke stellingname en activiteiten ligt immers dezelfde overtuiging ten grondslag als aan zijn andere werk. De Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal uit de jaren 1929 tot 1931 leveren daarvan het bewijs.
Het waren vooral de onderwijsaangelegenheden, zowel betreffende Nederland als betreffende de Overzeese Gebiedsdelen, die zijn belangstelling hebben gehad. Het zal niemand verwonderen, dat de officier — die zich tot op vandaag niet in hem verloochend heeft! — ook grote aandacht had voor de defensie-aangelegenheden. Daaraan danken wij nog een principieel debat, dat op 19 dec. 1929 werd gehouden over de geestelijke verzorging in land- en zeemacht. Wellicht hebben wij nog eens gelegenheid daarop later in een afzonderlijk artikel in te gaan.
Eveneens typerend voor de wijze, waarop prof. Severijn als Kamerlid de vraagstukken benaderde, is het debat van 11 maart 1930 bij het reeds eerder genoemde wetsontwerp tot regeling der winkelsluiting. Voor de noodzaak gesteld een keuze te maken, willen wij ons nu verder daartoe beperken. En dan gaat het ons minder om het onderwerp van het wetsontwerp zelf dan om de algemene benadering der politieke vraagstukken, zoals die naar het oordeel van prof. Severijn, blijkens zijn bijdrage aan het debat, eis van christelijke politiek is.
Het wetsontwerp beoogde een wettelijke regeling der winkelsluiting, met name op de Zondag. Artikel 3 somde vervolgens een aantal gevallen op, waarin de verbodsbepaling niet van toepassing zou zijn. Het ligt voor de hand, dat deze uitzonderingen sommigen niet ver genoeg gingen, anderen daarentegen veel te ver. Niemand wenste een algeheel verbod. Zo strekte b.v. het (verworpen) amendement-Van Dis ertoe apotheken en hotels, voor wat betreft leveringen aan hun logerende gasten, van het verkoopverbod vrij te stellen.
Het verschil in waardering voor de voorgestelde wetsbepaling hing geheel samen met de principiële visie op de Zondag en op de Overheidstaak te dienaanzien. Minister Verschuur had de bevordering van de zondagsrust „de pit van zijn wetsontwerp" genoemd.
Ter linkerzijde (communisten, socialisten, liberalen, vrijzinnig-democraten, boerenpartij en „middenpartij") baseerde men zich op sociale overwegingen: een beperkte werkdag en één vrije dag per week voor de middenstander. Ter rechterzijde (rooms-katholieken, antirevolutionairen, christelijk-historischen, staatkundig - gereformeerden en de H.G.S.-er Lingbeek) „liet geen der geachte afgevaardigden, die zich in de discussie mengden, na op zijn wijze het religieus en zedelijk beginsel te doen spreken", aldus dr. Severijn, waarop hij zijn reeds eerder aangehaalde uitspraak aan het adres van mr. Oud deed volgen. „Het diepste beginsel, hetwelk daar tot bevordering van zondagsrust dringt, vloeit voort uit de erkenning van de hoogste autoriteit van het zedelijk leven, nl. God, aan wien men niet slechts verantwoording schuldig is voor de rust, maar ook voor den arbeid op Zondag en aan wiens gezag men zich ook voor dien arbeid onderwerpt". Wij zullen de verleiding weerstaan op dit punt verder te citeren.
Waartoe moet dit principiële uitgangspunt nu leiden voor de beoordeling van de voorgestelde uitzonderingsbepalingen? „Naar den strikten eisch van dit beginsel behoort deze dag dus absoluut vrij te zijn. Het is echter niet voldoende in abstracto de Overheid voor de eis te stellen om Gods Wet te handhaven, in casu het vierde gebod. Het gaat er bij de wetgeving om dit „in concrete vorm te motiveren".
Met andere woorden: men moet niet alleen het absolute beginsel in aanmerking nemen, maar ook de omstandigheden, waaronder en waarin dat beginsel concrete gestalte moet worden gegeven. Soms gebiedt reeds „de orde der schepping" dat uitzonderingen worden toegelaten (wellicht dacht de spreker aan de verzorging van het vee). Niemand zal ook ontkennen, dat „ziekte, ongeval en nood uitzondering bevelen". Maar ook „sociale omstandigheden" kunnen tot uitzondering nopen, „dat geeft ook de geachte afgevaardigde de heer Van Dis toe als hij de hotels zekere vrijheid wil laten".
Maar wordt dan op deze manier, met een beroep op de omstandigheden, het beginsel in feite niet krachteloos gemaakt? Professor Severijn wil er dan echter „met nadruk op wijzen, dat . . . door Gods Woord een criterium wordt gegeven voor de toepassing der wet".
Hij wijst dan op Handelingen 15: 10, waar de apostel Petrus de broederen vermaant: „Nu dan, wat verzoekt gij God om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen", en hij brengt dit in verband met de goddelijke sanctie van Handelingen 15 : 28 („het heeft den Heilige Geest goed gedacht"!).
„Hier wordt", zo betoogt de spreker, „jegens den eisch der Wet het relatieve criterium der zedelijke draagkracht van het volk gesteld". De Heilige Schrift „geeft zelf dit criterium voor de toepassing der wet" en „deze sanctie vermaant tot voorzichtigheid om niet al te haastig te oordelen over degenen, die haar in aanmerking nemen".
Wij hebben er naar gestreefd in het bovenstaande zoveel mogelijk professor Severijn als Kamerlid zelf aan het woord te laten. De lijnen, die hij daarbij trekt, zijn algemene lijnen, die voor de praktische politiek in het algemeen gelding hebben.
Het gaat om twee dingen. Het gaat om „den strikten eisch van het beginsel", maar tevens om „het relatieve criterium der zedelijke draagkracht van het volk".
En beide worden ons door de Heilige Schrift gegeven. Ik zou het ook kurnen zeggen met de woorden waarmee mijn wijkpredikant ds. G. Spilt onlangs Zondag 38 van de Catechismus verklaarde: „Als God een gebod geeft, dan geeft Hij er een gebruiksaanwijzing bij".
Wie alleen het eerste in aanmerking neemt, heeft het gemakkelijk. En hij heeft tevens de schijn van de beginselvastheid aan zijn kant. Maar al wie ook het tweede in aanmerking wil nemen, zal altijd het verwijt te horen krijgen, dat hij zich niet door het beginsel, maar door de omstandigheden laat leiden. En hij heeft altijd de schijn tegen.
Nu moet erkend, dat het niet altijd eenvoudig zal zijn om te onderscheiden, waar het beginsel in de omstandigheden geconcretiseerd wordt, en waar de omstandigheden het beginsel gaan verdringen. Maar dat mag er niet toe leiden de worsteling voor de doorwerking van het beginsel in de omstandigheden — waarvoor nodig is een goed inzicht in het beginsel, maar niet minder een goed inzicht in de omstandigheden èn in de beperking die die omstandigheden aan de concretisering van het beginsel opleggen — te ontlopen.
Want een worsteling, een geestelijke worsteling ten diepste, is het.
En — dat moge dan tot slot gezegd worden — wie in 1963 voor de opdracht van deze worsteling in de praktische politiek gesteld wordt, gevoelt zich gesterkt als hij uit de Handelingen van de Tweede Kamer gelezen heeft, hoe ruim dertig jaar geleden prof. Severijn diezelfde strijd heeft gestreden, dit als de geboden weg voor de christelijke politiek heeft gezien, en daaruit heeft geconcludeerd tot een „vermaning tot voorzichtigheid om niet al te haastig te oordelen". Hij begrijpt nu weer iets meer van de vaderlijke mildheid en christelijke vriendelijkheid, waarmee zijn „grootvaderlijke vriend" hem op dit pad gadeslaat en tot steun is.
En tenslotte vindt hij, dat aan de dankbaarheid, die in deze dagen zovelen jegens God gevoelen en uitspreken voor wat professor Severijn in zijn tachtigjarig leven heeft betekend, tekort zou zijn gedaan, wanneer het facet van zijn politieke arbeid daarbij niet zou zijn genoemd!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1963
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1963
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's