HET WERK VAN PROF. SEVERIJN
VOOR UNIVERSITEIT, THEOLOGIE EN GEMEENTE
Het is voor niemand moeilijk, te weten te komen, welke werken prof. Severijn schreef. In 1937 gaf W. de Zwart een overzicht en poogde, de inhoud wat nader tot de gemeentenaren te brengen; in 1956 vulde ds. Jac. Jongerden dit aan in de feestbundel Waarheid, wijsheid en leven.
Wanneer we de reeks titels, daar gegeven, doornemen en sorteren, merken we daarin de driedeling op, die boven dit artikeltje is te vinden. Een deel is betrokken op de Universiteit, die hij sinds 1931 diende. Het handelt over zijn vakgebied, maar houdt zich niet tè angstvallig aan die grenzen. Universiteit spreekt van alzijdigheid; dat moet inhouden, dat de kijk op het geheel van Gods schepping niet verloren gaat. Dat komt tot uiting b.v. in de geschriften gewijd aan het Bahaïsme, over het bestaan der ziel, Religie en kunst, de eugenetica. Het is zonder meer duidelijk, dat deze geschriften voor niet zó velen toegankelijk zijn. Zullen ze tot de gemeente spreken, dan kunnen ze dat alleen, wanneer ze „vertaald" worden door daartoe aangewezen en bevoegde mensen. We zullen aanstonds nader aanduiden, wie we daartoe rekenen.
De tweede groep geschriften is gewijd aan theologische vragen. Ze vormen de meerderheid; we zien af van een opsomming; men kan ze immers genoemd vinden te aangewezener plaatse.
Ook deze geschriften zijn in meerderheid niet bestemd voor de gemeentenaren. Daarin onderscheiden ze zich nog meer of minder van de laatste groep, die een bepaald „populair" karakter dragen en die enkele preken omvat, ettelijke lezingen over en voor de jeugd, verder een en ander over praktische vragen betreffende tijd en eeuwigheid.
Uit deze stand van zaken valt af te leiden, dat het grootste deel der genoemde geschriften niet rechtstreeks bestemd is voor de gemeente. Dat houdt het gevaar in, dat meestal niet uitblijft, dat de theologische hoogleraren niet zó dicht bij hun kerkmensen staan als dat beiderzijds gewenst moet worden. Wanneer de betrokkenen niet waakzaam zijn, kan het er toe komen, dat ze in een ivoren toren komen te wonen, ver verheven boven het nietig gewemel van de kerk en haar leven, vooral ook naar haar smalle kant.
Wel niemand zal zeggen, dat dit bij prof. Severijn het geval is geweest. Hij heeft lang deelgenomen aan de preekdienst, terwijl een lange reeks jaren van deelnemen aan de leiding van de Geref. Bond geschikt was, hem voor de gesignaleerde vervreemding te behoeden. Met dit alles blijft het er echter bij, dat, hoezeer hij dicht bij de gemeentenaren staat, een groot deel van zijn werken voor de genoemden een gesloten gebied blijft.
Zou dat niet te voorkomen zijn geweest en zou er ook niet iets tegen te doen zijn? Immers in zijn geval is vervreemding uitgebleven; het had echter ook heel gemakkelijk anders kunnen gaan.
We zouden dat in deze richting willen zoeken: het hoogleraarschap in de theologie, waarmee ten nauwste is verbonden de zorg voor de opleiding van predikanten, is in hoofdzaak wel de vervulling van het vierde ambt, dat Calvijn in de Gereformeerde Kerk plaats gaf, nl. van het kerkelijke doctorenambt. We moeten aannemen, dat Calvijn reeds voorzag het gevaar van de vervreemding, dat we eerder aanduidden en daarom de predikantsopleiding in levend verband met de hele dienst der kerk zette. De theologische hoogleraren waren aanvankelijk dienaren der kerk, al hadden ze de nodige vrijheid van armslag; we moeten, nadruk leggend op deze laatste voorwaarde zeggen, dat zo'n stand van zaken voor de verhouding van hoogleraar en kerk (gemeente) vruchtbaar moet heten.
Lang heeft het echter niet geduurd. In onze lage landen vooral hebben we dat niet gekend; de Vrije Universiteit was daarin een noviteit, hoewel we daar beter van kunnen zeggen, dat er ook in dit "vreemde" niets nieuws is onder de zon. De theologische hoogleraren aan de nederlandse universiteiten zijn sedert lang zeer los aan hun kerk verbonden. Dat zijn we wel gewoon gaan vinden; het lijkt ons toch een zeer vreemde figuur, dat zij, die zó zijn ingeschakeld bij de opleiding van dienaren der kerk zelf niet nauwer aan die kerk zijn verbonden. Wij voor ons (en we dachten: ook prof. Severijn), zouden een predikantschap of doctorenambt in (zeer) bijzondere dienst wel zeer kunnen waarderen, waardoor ons ook de toegang tot de ambtelijke vergaderingen zou zijn geopend en de verbondenheid met onze kerk groter zou zijn.
We stellen dat hier aan de orde, ook al hebben we niet veel hoop, dat het effect zal sorteren. Maar dan vervolgen we met de vraag: Wanneer deze weg tot een nauwer kerkelijk verbonden-zijn met de kerk en de gemeente dan versperd blijkt, hoe kan het contact tussen universiteit en theologie enerzijds en de gemeente anderzijds dan toch functioneren? Ons antwoord op deze vraag moet zijn: daar hebben de predikanten een belangrijke rol in te vervullen. Zij zijn, waarlijk niet voor de leus, universitair en theologisch geschoold. Zij wonen te midden van onze (hun) gemeenten. Zij zijn dus de aangewezen schakels om het contact, dat we in de titel van dit stukje noemden te verwezenlijken. Als we in de laatste jaren ook een kring van intellectuelen rijk zijn, tellen we er die graag bij en menen, dat juist zó het universitaire erfdeel daardoor „vertaald" kan worden en zo te beter in zijn kern tot kennis onzer gemeenten kan komen.
We bepalen ons nu een ogenblik tot de predikanten. Aan hen is de taak, om het opgedolven goud van wetenschap en theologie om te munten op zulk een wijze, dat het past in de kas van het gezin, in de huishoudportemonnaie en in de kerkezak. Waarom anders hebben ze jarenlang aan de universiteit vertoefd? Zij hebben hier een taak, om tegen op te zien, maar ook om naar te verlangen. Want dit vertalen, dit ommunten tot betaal- en circulatiemiddel kost inspanning, maar werpt anderzijds rijke vrucht af. Prof. Severijn heeft het in zijn preken, geschriften en colleges zijn leerlingen niet zo makkelijk mogelijk gemaakt. Hij heeft ze willen leren op hun tenen te gaan staan en zo de gave, die in hen is, te ontwikkelen. Het beste, wat een hoogleraar zijn discipelen immers kan meegeven is niet een verbluffende mate van kermis, maar dit, dat hij hen heeft wakker gemaakt, hen de kijk op 't geheel van Gods werken heeft laten zien en zo geestdrift bij wist te brengen voor hun werk in de gemeente van Christus, op een hoe bescheiden plaats dat ook mocht zijn. Juist in universeel, theologisch verband bezien, is geen plaats onbelangrijk of te min.
De universitaire-theologische studie bedoelt het wekken van intense belangstelling, die uitloopt op een zelfstandig, rijp oordelen, dat in het delicate werk in de gemeente zo nodig is. Dat hebben onze predikanten nodig: op de kansel en er onder, in de catechisatie, bij het ziekbed, in de ambtelijke vergaderingen. Daar „haal" je het niet met wat gekeuvel en wat routine; zó heb je geen behoefte om „klippen" te omzeilen, maar daar leer je recht door zee te gaan, met God en met ere. Wanneer onze predikanten het Woord van God zullen vertolken, zoals het resonneert in het geheel van Gods werken, hebben ze een goede steun aan hetgeen aan hun theologische faculteit werd voorgedragen of hetgeen in de mijngangen van theologie of filosofie werd opgedolven, maar dat wil zijn omgesmolten, om ook „kleine gaten" te vullen.
Prof. Severijn is nu 80 jaar; hij heeft het voorrecht, terug te mogen zien op een lange staat van dienst aan de universiteit en in de theologie, waarbij de gemeente hem steeds voor ogen stond.
Kan hij tevreden zijn over de mate, waarin zijn voorgaan heeft doen volgen? Kan hij zeggen: Het „grootgeld" dat de Heere God mij schonk, komt gaandeweg beter in kleinere coupures bij hen aan voor wie ik het uiteindelijk bestemde? We dachten te moeten zeggen: de dankbaarheid ontbreekt zeker niet, maar de voldaanheid is nog allerminst bereikt. Zijn de predikanten, aan wier vorming hij meewerkte, man voor man mede-arbeiders, betrokken als hij op universiteit, theologie en gemeente?
Dat met name het aantal doctores onder ons nog veel te gering is, kunnen we nog wel dragen. Als dat maar goedgemaakt wordt door een haast onafzienbare rij van knappe dominees, van zo'n gehalte als waaraan Calvijn dacht, toen hij priesterlijke geleerdheid de schat der kerk noemde.
Toegegeven: het predikantschap eist meer van ons dan in 1915, toen prof. Severijn intrede deed in Wilnis. Onze gemeenten zijn vaak veel te groot voor onze klachten; veel te veel tijd gaat vaak verloren met de stroom van beroepen, die velen hebben te boven te komen; er zijn commissies en leerarschappen, die op ons beslag leggen.
Ja, maar het ambt was in 1915 ook geen sinecure, evenmin als in 1931, toen we zelf begonnen. Maar we hebben de overtuiging, dat vooral ook de drang om zijn ambt met God en met ere te vervullen prof. Severijn ertoe gebracht heeft, de studie aan te vatten en vol te houden. We zouden onder dat laatste een streep willen zetten: hoevelen onder ons zijn met allerlei goede voornemens begonnen, maar zijn veel te spoedig bij de pakken gaan neerzitten? Zo is het bij hem bepaald niet geweest: waarom zou dan iemand een excuus hebben, om het anders te doen?
Een aantal jonge predikanten heeft 8 jaar geleden het initiatief genomen tot de uitgave van een feestbundel, die ze thans nog denken te vervolgen. We willen aannemen, dat ze zich vertegenwoordigers weten van hun collega's. Tot hen zal prof. Severijn zeker zeggen: Mannen broeders, dank voor deze attentie. Maar: laat het daarbij niet blijven! Als de oudere generatie opmarcheert en op de aflossing aangaat: laat het dan niet ontbreken aan een goed toegeruste aflossing van de wacht. Het beste, waardevolste geschenk dat de predikanten en intellectuelen onze jubilaris kunnen geven is bezig te zijn in dat vertalen en doorgeven, dat we aanduidden, opdat zo de betrokkenheid van universiteit, theologie en gemeenteleven op elkaar tot volle ontplooiing kome, zo eenvoudig, zo klaar en zo warm mogelijk, maar ook met majesteit en diepte.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1963
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1963
De Waarheidsvriend | 17 Pagina's