WAT VERHINDERT ONS...?
Laten we eens voor een ogenblik aannemen, dat we onze Doop ongedaan konden maken. Maar dan zo, dat we overigens wel bleven wat we zijn, nl. kerkelijk, Herv. Gereformeerd, doch ongedoopt. En we zouden dan vragen: „wat verhindert ons gedoopt te worden? ", zoals de kamerling deze vraag stelde aan Fiüppus, op de eenzame woeste weg van Jeruzalem naar Gaza.
Dan zou er op deze vraag maar één antwoord kunnen gegeven worden. Hetzelfde antwoord dat Filippus gaf, nl.: „Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd". Want voor zover het volwassenen betreft, geldt het toch nog altijd: „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden". Het gaat dus om zulk een geloof, waarmede de zaligheid verbonden Is: het zaligmakend geloof.
Wat zou ons, indien we nog ongedoopt waren, verhinderen gedoopt te worden? Zou het mogelijk niet zijn, het gemis van: het geloof?
Maar nu zijn we gedoopt, waarschijnlijk reeds van onze prilste jeugd af. Op grond van ons verkeren onder het Verbond, was bij ons de volgorde omgekeerd: niet, zoals bij volwassenen, geloof daarna de doop, doch eerst de doop, opdat daarop het geloof volgen zou.
Nu is het bij ons dus niet: wat verhindert ons gedoopt te worden, want we zijn reeds gedoopt. Maar wel zal voor ons de vraag van de allergrootste betekenis zijn: wat verhindert ons, als gedoopten, zalig te worden?
En dan zal weer hetzelfde antwoord op ons afkomen: „indien gij van ganser harte gelooft, zo zult ge zalig worden.
Op het geloof, op het zaligmakend geloof komt het aan.
Beginnen we met de aanvang van deze 26e Zondag te lezen. Daar wordt gevraagd: „Hoe wordt ge in de Heilige Doop vermaand en verzekerd, dat de enige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt? "
En het antwoord luidt: „alzo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet en daarbij toegezegd heeft, dat ik zo zekerlijk met Zijn Bloed en Geest van de onreinigheid mijner ziel, d.i. van al mijn zonden, gewassen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewassen ben".
Is het wonder, dat als men dit waarlijk van harte gelooft, wanneer men deze waarheid geestelijk inleeft, dat men dan evenals de kamerling in kleinheid en ootmoedigheid, maar tevens ook met blijdschap zijn weg verder reist?
Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden. Dit geldt voor degenen die als volwassenen gedoopt worden. En voor ons, die zonder dat we het bewust waren, gedoopt zijn, voor ons geldt het: wie gedoopt zal zijn èn geloofd zal hebben.
We bevinden ons hier op het terrein van Gods Verbond. Een terrein dat door ons helaas maar al te veel verwaarloosd wordt, tegen het duidelijk getuigenis van de Heilige Schrift in. Want van het Verbond gaat een rijke sprake uit, terwijl het ons tegelijkertijd onder een grote verantwoordelijkheid plaatst. Zulk een verantwoordelijkheid, dat het schaamrood ons moest bedekken, wanneer we het moeten belijden: wel gedoopt, doch onbékeerd. Wel gedoopt, doch zonder geloof. Dat wil dit zeggen, dat waar God bij onze Doop kwam te getuigen — en Hij is een God die niet liegt — „Ik wil uw God zijn", dat wij daar later bij het opgroeien tegenover gesteld hebben: „Ik wil Uw kind niet zijn. Ik geef mijn hart inplaats van aan U aan de wereld. En instede van U kinderlijke gehoorzaamheid des geloofs te betonen, ga ik mijn weg in ongeloof".
Als dit door de werking van Woord en Geest mag gezien worden, dan blijft er alleen maar over de uitroep: „mijn schuld, mijn zeer grote schuld!"
Dan verliezen we onze eigengerechtige houding van zo graag bekeerd te willen worden, van zo graag een kind van God te willen zijn. Dat willen we zgn. allemaal. Doch indien we, om met de Dordtse Leerregels te spreken, niet weten en gevoelen dat wij door de genade Gods met het hart geloven en onze Zaligmaker hefhebben, zo zijn we nog vijanden Gods, ondanks alle kerkelijkheid en zelfs ondanks alle gereformeerdheid.
Het is goed dat we hiervan diep doordrongen zijn, opdat er een heilige onrust onder ons moge gevonden worden. Opdat het gevoeld worde waar het aan schort en waar het op aan komt, nl. op het levende geloof. En dan is het niet in de allereerste vraag of dit een groot of een klein geloof is, doch wel of het een echt levend geloof is, door Gods Geest gewerkt.
Geen oprecht geloof te bezitten — dat is onze schuld, onze zonde.
Het wel te bezitten — dat is alleen dank zij Gods genade.
Met minder, met iets anders, kunnen we echter niet toe. Zeker, we herhalen het, het echte geloof deelachtig te mogen zijn, is vrije genade. Maar vrije genade betekent niet, dat die genade schaars is. Integendeel, ze is niet schaars — en dit is de blijde Boodschap van het rijke Evangelie — doch zo overvloedig dat de Heere ons als het ware achterna loopt, denkt het u in, de Heere óns zondaren achterna loopt en het door Zijn gezanten laat getuigen: „wij bidden u van Christus wege, laat u met God verzoenen". Zo overvloedig is die vrije genade, dat de beloften daarvan ons verzegeld werden bij onze Doop en er van Godswege de vraag tot ieder onzer gesteld kan worden: „wat is er aan Mijn wijngaard te doen, dat Ik niet gedaan heb? "
We weten de weg.
We kunnen de weg weten, want hij wordt ons telkens gewezen. De weg is Hij, Die gezegd heeft: „Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven". Hij heeft de levendmakende Geest verworven, de Geest die in alle waarheid leidt, de Geest die het geloof werkt. En nog weerklinkt de goddelijke vraag tot onbekeerde gedoopten, tot gedoopten zonder geloof, de vraag: „Is er dan geen balsem in Gilead en is er geen heelmeester aldaar? " M.a.w. is er dan geen God, die om Christus wil bereid is Zijn Geest te schenken, die Hem daarom smeken? "
We zijn van nature kerkelijke toeschouwers. Die het misschien wel interessant vinden langs het smalle pad te staan, te zien of te horen hoe God Zijn kinderen leidt, maar die misschien nog nooit schuldige, uitgestreden worstelaars werden aan de troon der genade, die als enige en laatste mogelijkheid overhielden: de toevlucht tot Christus.
Van nature zijn we toeschouwers, die telkens weer overgaan tot de orde van de dag, bij wie er mogelijk nog zoveel mee door kan. Het is nodig dat we op dat punt komen, dat we Christus missen en Hem niet meer missen kunnen, dat we leren zelf het geloof, het zaligmakend geloof niet op te kunnen brengen en toch dat geloof zullen moeten bezitten tot zaligheid. Wanneer dit doorleefd wordt, dan zitten we midden in het stuk der ellende. Daar wordt het roepen uit de diepten geboren, maar daar zal op Gods tijd ook ervaren worden: toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig.
Dan gaan we iets kennen van dat Bloed en van die Geest, waarvan Zondag 26 van onze Heidelbergse Catechismus spreekt.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's