SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING (IV)
Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goede moed. Ik heb de wereld overwonnen. (Joh. 17 : 33)
§ 2. De vrede die wij hegeren.
(Vervolg)
Hoe komt onze Synode ertoe de situatie te bezien, als had zijzelf daaraan part noch deel? Is het enkel vanwege de toegepaste methode van projectie, dat ons haar rapport een niet te verorberen stuk toeschijnt?
Hoe het ook zij, haar is — volkomen ten rechte, dacht ik — van schier alle kant het verwijt gemaakt, dat zij uit de geschiedenis springt, dat zij zich buiten de historiciteit van de mens begeeft, enz.
Van prof. Patijn is de uitspraak, dat de kernwapenen wel buiten de wet kunnen worden geplaatst, maar niet buiten de werkelijkheid.. ..
En het is toch met die werkelijkheid, waarmede wij hier van doen hebben!
ad c (theologische inzichten)
Uit hetgeen er zo al gezegd en geschreven is geworden omtrent het vraagstuk van de kernbewapening blijkt heel duidelijk, dat de theologische inzichten op de achtergrond een beslissende, zo niet de beslissende factor uitmaken.
In het geding zijn hier vragen als
1. Is het paulinische voorschrift nopens onze gehoorzaamheidsplicht jegens de overheden (Rom. 13 : 1 e.v.) een altijd en overal geldende regel dan wel een situationeel gebonden richtlijn?
2. Geldt met betrekking tot alle verhoudingen in onze wereld de bergrede-ethiek of is er sprake van tweeërlei ethiek: de één van toepassing op de staat (overheden en onderdemen), de ander van toepassing op de kerk (de gelovigen)?
3. Wat is — inzonderheid met het oog op de toestanden in de wereld van vandaag — de betekenis van de zondeval, ons beschreven in Gen. 3?
4. Wat zegt ons hier en nu het gebeuren van Pasen?
5. Hoe en langs welke weg verwezenlijkt zich in onze wereld het Koninkrijk Gods?
Onze Synode is er m.i. niet in geslaagd dit fond voldoende uit de verf te laten komen.
Haar betoog moge verwante geesten zo helder zijn als glas, mij prikkelt het van a tot z.
1. Hoe zal een mens ooit de structuur doorzien van een door de zonde geperverteerde wereld, waarvan hij zelf deel uitmaakt?
2. Is niet de zonde een inwendig verslavende factor, die ons het zicht op de werkelijkheid zo niet geheel, dan toch wel gedeeltelijk beneemt?
3. Is het ons gegund een blik te werpen achter de schermen van het wereldtoneel?
4. Wie van ons is gerechtigd de orde van de zijnde wereld te toetsen aan die van de komende wereld (Koninkrijk Gods)?
5. Is ons verstand in enig opzicht daartoe bij machte, zo ja, in welk opzicht dan?
Leerzaam is in dit venband het kerstverhaal. De engelenzang in de kerstnacht was het voorspel van de vervulling van die oudtestamentische profetie: „Zo zegt de Heere: Daar is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween: Rachel weent over haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn" (Jer. 31: 15).
Hoe komt het toch, dat ons de viering van het Kerstfeest van jaar tot jaar moeilijker afgaat? Zou dat niet iets te maken hebben met wat voor ons verstand niet te rijmen valt (Fil. 4 : 7)?
Is het zo vreemd, dat de humanist in ons — gegeven de veelal geseculariseerde sfeer, waarin onder ons het het Kerstfeest wordt gevierd — zich ergert aan wat hij ziet als een contrast? Hoe zal de ongelovige mens deze paradox doorgronden? Om welke vrede is het ons nu begonnen?
Hoogst bedenkelijk acht ik de wijze, waarop zich onze Synode rekenschap geeft van het kwaad in onze wereld. Bij dat kwaad denk ik niet alleen aan het kwaad, dat in een ieders hart sluimert, maar ook — met onze Synode — aan het kwaad, dat uit de boezem van onze samenleving opstijgt (autonome oultuxmmachten, gemeenschapsidiologieën, enz.).
Daar is in onze wereld het kwaad van het communisme, alsmede dat van het moderne humanisme, de boezemkwaal van het Avondland, al dan niet in toga gehuld....
Wat het communisme aangaat: triest is het te moeten constateren, dat onze Synode gretig luistert naar hetgeen ons uit het Oosten vandaan aan anti-westerse motieven wordt „angehaucht", terwijl diezelfde Synode aan het andere oor wat doof schijnt . . . . Dat op ideologisch terrein — toch bij uitstek het domein van de kerk! — geen vreedzame coëxistentie mogelijk is, naar ons van communistische zijde steeds duidelijk te verstaan is gegeven, ontgaat haar blijkbaar.
De term „anti-oommunistische hysterie" (blz. 39) is in dit verband al heel goedkoop. Beseft onze Synode dan in het geheel niet wat zij hier laat vallen? Is niet de formule „anti-communisme - nationaal-socialisme - + fascisme - |+kapitalisme -+ revanchisme - + militairisme - + clericalisme -+ (de lezer vuile zelf maar in)" een geliefkoosd thema in de psychologische oorlogsvoering, ons door het Oosten opgedrongen (Theodor Arnold)?
Aan het kwaad van het moderne humanisme, 'n „zusje" van voornoemd „broertje", wijdt onze Synode nauwelijks een woord. Zij is er zich kennelijk niet van bewust, dat ook onze samenleving doordrenkt is van humanistische invloeden. Is niet het humanistische cultuurideaal troef in de hoofden en de harten van ons volk?
Hiermede is nog bij lange na niet alles gezegd.
De vraag, die zich thans aan ons opdringt, is: Hoe komt het toch, dat onze Synode daar maar blijft staren op die kernwapenen?
Ds. Landsman immers wordt maar niet moe daarop voort te borduren in woord en geschrift....
Hier vraag ik mij af: Beschaamt niet het rapport i.c. de geest des tijds? Speelt onze Synode dat humanisme geen parten? Welke theologie hangt zij eigenlijk aan?
Edmund Schlink heeft erop gewezen, dat de Bijbel in andere categorieën spreekt dan de humanist in ons, als het gaat om termen als „leven" en „dood", „vrede" en „oorlog".
Dit rijtje zou nog kunnen worden aangevuld: termen als „vrijheid" en „gezag zijn in ons midden gedevalueerd tot humanistische begrippen, qua inhoud geheel dan wel gedeeltelijk onderworpen aan liet oordeel van de autonome mens.
Boven ons aller hoofd nu hangt het kernzwaard; ik heb er geen behoefte aan het perspectief, dat daaraan verbonden is, mooier voor te stellen dan het is.
Zoals wij boven gezien hebben is dat zwaard een attribuut van de eindtijd.
Of dat zwaard ons vellen zal, weten wij niet. Laten wij dankbaar zijn voor iedere dag, die God ons nog schenkt.
Gods Woord geeft ons geen grond voor een optimistische dan wel een pessimistische kijk op de toekomst.
God bindt ons op het hart,
a) dat Zijn genade niet aan koersschommelingen onderhevig is (Jac. 1 : 17);
b) dat de mens daarbuiten niets behoeft (2 Cor. 12 : 9);
c) dat hij niets te bedingen heeft, zijnde alle genadegaven verbeurd goed (Rom. 3 : 23 en 24);
d) dat hem slechts één termijn gegeven is, „het heden der genade" (Ps. 95 : 7 b en 8; Hebr. 3 : 12 en 13);
e) dat hij terzake niet tot speculatie vervalt (Matth. 6 : 33 en 34; Jac. 4 : 13—15);
f) dat hij acht geeft op de tekenen der tijden (Matth. 24 : 32 e.v.);
g) dat hij nuchter zij, en waakzaam (1 Thess. 5 : 6 e.a.);
h) dat hij aldoor zijn vertrouwen zal blijven stellen op Hem, Die gezegd heeft: „ hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen" (zie bovenaangehaalde tekst).
Wat is nu onze troost op dit moment? Wel, het geloof, dat de Heer der wereld, de Heer ook der geschiedenis boven de kernbewapening staat en dat er geen bom valt buiten Zijn wil om (H.C., zondag 10).
Enerzijds is het volkomen waar, wat van Zwitserse zijde gesteld is geworden: „De Synode geeft uitdrukking aan de overtuiging, dat het atoomwapen, dat eerst de aarde tot een hel en vervolgens tot een woestenij dreigt te maken, van het geloof uit gezien als wellicht de laatste waarschuwing van God met betrekking tot de afschaffing van de oorlog moet worden begrepen, dat wil zeggen door de vervanging van het interstatelijke vuistrecht door een op het recht gebaseerde ordening tussen de volken" (Zürcherischer Kirchensynode, 12 mei 1959).
Anderzijds echter dienen wij wel te bedenken dat de overste dezer wereld zich van dit wapen bedient om ons te misleiden, door ons de uiterlijke vrede voor te spiegelen als zijnde voor ons het meest begeerlijk bezit.
Wij lezen in de Schrift nog van een ander zwaard, dat aan de uitgang van het verloren paradijs. Dat zwaard verspert ons de weg terug naar de boom des levens (Gen. 3 : 24).
Nu doet onze Synode het voorkomen, alsof ons aller levensbehoud verzekerd zou zijn bij de verdwijning van dat kernzwaard.
Dit is een onschriftuurlijke gedachte. Zeide niet de Heere Jezus: „En vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel" (Matth. 10:28)?
Zeker, de kerk zal in de wereld mede wegen hebben te wijzen tot het behoud van de vrede onder de volken, en onze Synode doet dat ook.
En, om hier ieder misverstand af te snijden: aan de vredelievendheid van onze Synode twijfel ik geen ogenblik.
Maar — en dat is de vraag, waar het op aankomt, dacht ik — is die vrede nu 's mensen troost in een wereld, die absurd schijnt?
En daarop zal m.i. het antwoord moeten luiden: NEEN. Hoe duidelijk is met betrekking tot deze vraag niet de 1e zondag van onze Heidelbergse Catechismus.!
In onze toekomst maatstaf van alle dingen, of is dat de dag van 's Heeren toekomst (2 Petr. 3 : 11 en 12)?
De humanist in ons schreeuwt om de uiterlijke vrede — leuzen als „één wereld of geen wereld" (blz. 60) doen het wel —, de christen hunkert in ons vóór alles naar de innerlijke vrede, zijnde de uiterlijke vrede daarvan 'n vrucht (Gal. 5 : 22), indien het God behaagt ons die vrucht te doen smaken....
Het standpunt van onze Synode verraadt een theologie, die aansluit bij het moderne levensgevoel (vitalisme!). Maar waaraan ontleent zij het recht het één (ons christen-zijn) met het ander (onze visie op de kernbewapening) te verbinden op de wijze, waarop zij gemeend heeft dat te moeten doen?
Onze Synode moge het anders hebben bedoeld, hangende dat „veto" — ik laat hier rusten de vraag, of dat veto (blz. 24) nu van toepassing is op het bezit én het gebruik dan wel op het gebruik van de kernwapenen alleen — verwacht ik van haar optreden weinig goed.
Eer een toe- dan een afnemende verwarring (Mr. Beernink e.a)!
Nog in ander opzicht is haar theologie allesbehalve klassiek-reformatorisch.
Niemand kan iets verliezen, dat hij niet bezit.
Het was reeds in de ochtendstond van zijn geschiedenis, dat de mens zich stortte in „de lichamelijke en geestelijke dood" (N.G.B., art. 17). Zo verloor hij toen reeds het leven!
Dit is een axioma van het geloof, door de kerk de eeuwen door beleden. Het kernzwaard doet daaraan niets toe of af.
Kortom: het rapport van onze Synode is verwarrend, zo niet misleidend, omdat het hoofdaccent niet valt op wat centraal gesteld had moeten worden, d.i. de vrede in Christus.
In die vrede ligt het heil besloten van pacifisten en niet-pacifisten, van „voor"en tegenstanders van de kernbewapening.
Over die allen welft zich Gods Voorzienigheid, ook in het atoomtijdperk. Schonk Hij ons niet de kernenergie op een tijdstip, dat algemeen een energietekort werd gevreesd, nog vóór het einde van onze eeuw?
Met welk een Majesteit schreed God daarop door ons midden!
Ik herhaal mijn bezwaren:
1. Het synodaal rapport is een illusionistisch geschrift, doordat ons aller werkelijkheid daarin niet adequaat is weergegeven.
Enerzijds begaat onze Synode de fout het vraagstuk van de kernbewapening uit zijn voegen te lichten als gold het een zo maar uit te snijden gezwel.
Anderzijds maakt onze Synode zich te gemakkelijk af van het kwaad in onze wereld.
2. Het synodaal rapport ademt de geest des tijds uit.
Grondslag van het rapport is een theologie, die een te hoge dunk heeft van de mens, de leer der algemene verzoening huldigt en vooruitgrijpt op de orde van het Koninkrijk Gods (Dr. Rietveld, Calmeyer, e.a.).
3. Het synodaal rapport is doorspikkeld van vooroordeel.
De houding van onze Synode doet denken aan de Italiaanse politiek: ik proef een „apertura a sinistra" (opening naar links)
4. Het synodaal rapport is een dialectisch geschrift, op het dubbelzinnige af.
Onze Synode verheft de orde ener nog niet zijnde samenleving tot norm, alsof wij zonder meer zouden kunnen overstappen in het Koninkrijk Gods, met achterlating o.a. van dat kernzwaard...
Gelooft onze Synode in ernst, dat het ons, mensen gegeven zou zijn zichzelf te overstijgen? Wat vangt een politicus of een militair met zo'n proclamatie aan?
Dit is wat prof. Zuidema — enigszins overdreven misschien — „wishful thinking" (denken in dagdromen) heeft genoemd.
5. Het synodaal rapport is onaf.
Onze Synode zinspeelt op handelingen, die vérstrekkende gevolgen zouden kunnen hebben, maar zij laat het aan de politici en de militairen over die gevolgen onder ogen te zien Zij laat het bij de letter „A", terwijl zij weet, dat op die letter moeilijk een andere letter volgen kan dan de „B", resp. de „C"!
Ziehier een korte samenvatting van wat ik mij voorgenomen had uit de doeken te doen.
Anders gezegd: de thema's die nu volgen, illustreren wat ik in deze paragraaf heb aangestipt.
Het pacifisme rondom ons zij ons eerstvolgende onderwerp (§ 3).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's