UIT DE PERS
Het artikel van dr. A. Th. v. Leeuwen in het Wending-nummer van decemher 1962, onder de titel De dans om de gouden egel, in welk artikel hij uitvoerig ingaat op het schrijven van de hervormde synode aangaande het vraagstuk van de kernbewapening, heeft wel allerwege de aandacht getrokken.
Met name zijn bewering over Rom. 13 hebben nog al wat mensen aan het denken en aan het studeren gezet. Dit laatste, het studeren, blijkt wel erg duidelijk uit het nummer van 20 april van In de Waagschaal. Een tweetal schrijvers zijn aan het studeren gegaan, de éne heeft zich geworpen op de exegese, de ander op het bestuderen van de geschiedenis; en beiden hebben de resultaten van hun arbeid neergelegd in een artikel in genoemd blad.
G. H. ter Schegget is op exegetische gronden tot de ontdekking gekomen dat de hele Romeinenbrief voornamelijk maar op één aambeeld hamert: Paulus wil de meningsverschillen en de tegenstellingen tussen Joden-dhristenen en heiden-christenen in Rome verzoenen en uit de wereld helpen.
Daar is hij eigenlijk in de hele brief mee bezig en daar draait het ook om in Rom. 13.
De Romeinse overheid had eens door middel van het Edict van Claudius de Joden uit Rome verwijderd omdat zij voortdurend onrust verwekten. Wanneer nu de Joden-christenen tegenover de heiden-christenen met hun ruzies aan de gang bleven, dan prikkelden zij op een gevaarlijke wijze de overheid weer tot soortgelijke maatregelen. En in dat verband moeten we dus de woorden van Paulus lezen als hij schrijft dat men de overheid als dienaresse Gods onderworpen moet zijn:
De overheid wil terecht orde. Zouden de feiten zich herhalen, dan is de joodse gemeente zelf oorzaak van de maatregelen, die de overheid in dat geval terwille van de orde weer zal moeten nemen. De overheid is door God ingesteld. Dat betekent niet, dat die overheid maar alles doen mag. Zij is er niet mee hoven of gelijk aan de wet van God gesteld. Maar, als zij de orde handhaaft met recht en rede mag zij ook met recht dienaresse Gods heten. In dezelfde zin trouwens als waarin Lukas' kerstgeschiedenis Augustinus staatsbestel tot inschrijving de vervulling van Gods belofte „dient"; immers daardoor wordt de Messias geboren in de stad (der zalving) van David. Daarom kan Paulus ook zo naief zeggen: wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede en gij zult lof van haar ontvangen! Zij staat immers in dienst van God u ten goede. Ja, in dit geval zijn de dreigende maatregelen u ten goede, want zij mogen u afhouden van twist en partijschap. Juist van die verdachtmakingen en onverdraagzaamheden waarvan de Messias u bevrijden wil. Als u dan ook kwaad doet, namelijk 't kwaad van gebrek aan wederzijdse liefde tussen joden en heidenen, tussen joden-naar-het-vlees en erbijgekomenen, aangewakkerd door meningsverschillen met betrekking tot de messianiteit van Jezus, dan: wees bevreesd!, d.w.z. dan loopt het weer verkeerd en wellicht nog erger dan in Claudius' tijd, die met een edict volstond (Nero is grimmiger!). Het is dus om der wille van het geweten en deszelfs zuiverheid veel beter u te onderwerpen. De overheid immers verdedigt in dit geval een goede zaak, al is zij zich daar niet van bewust, daar haar blikveld beperkt is tot de „orde".
Naar ons oordeel hebben we hier een typisch geval van inlegkunde. Het is onze stellige overtuiging dat de gemeente te Rome in de dagen van Paulus zonder deze exegese van t. Sch. er nooit uitgehaald zal hebben wat er volgens deze schrijver in zit. Het ligt er net iets te dik bovenop dat de schrijver d.m.v. deze exegese uit de bijbel gelijk wil krijgen voor zijn opvattingen en inzichten t.a.v. kernbewapening en ontwapening. De Romeinse overheid was Gods dienares inzoverre zij ruzies onder twee partijen tegenging. Wanneer nu dus overheden elkaar met ondergang bedreigen in de mensenwereld, dan mag zo'n overheid dus op grond van Rom. 13 zich niet met de messiaanse eretitel sieren, maar dan valt zo'n overheid onder het oordeel van Openbaring 13. Over het zwaard dat die overheid niet tevergeefs draagt zwijgt de geachte schrijver; maar dat zal alleen wel gediend hebben om tegen de ruziezoekende joden- en heidenchristenen binnen Rome te keer te gaan en zal bovendien natuurlijk tijdgebonden zijn, want we zijn vanzelfsprekend ook tegen de doodstraf. Tenslotte zit er in de wil van de Messias, die zich tegen de verdeeldheid in de gemeente keert, toch ook een behoorlijk stuk hardheid. Om namelijk de onenigheid in de gemeente Gods uit de weg te ruimen bedient de Heere Zich van een dienares die Hij daartoe een zwaard in de hand geeft.
Ook A. A. Spijkerboer houdt zich in hetzelfde nummer van In de Waagschaal bezig met Rom. 13 n.a.v. het Wending-artikel van dr. v. Leeuwen. Deze schrijver werpt zich in zijn artikel meer op de geschiedenis. Hij bestrijdt de opvatting van dr. v. Leeuwen als zou de geldigheid van Paulus' uitspraak met de ondergang van het Romeinse Rijk opgeheven zijn. Dr. van Leeuwen baseerde zijn mening immers op het feit dat Paulus alleen maar oog had voor een overheid die de wereldheerschappij had; en als er later dus meerdere overheden naast elkaar komen dan gelden de woorden van Paulus niet meer.
Spijkerboer toont echter uit de geschiedenis aan, dat na de val van het Romeinse Rijk alle grote en kleine overheden niet afgelaten hebben te dromen van een wereldheerschappij, een her stellen van de wereldmacht van het Romeinse Imperium. Alle volkeren hebben de gedachte van de éne oecumenische overheid nooit kunnen vergeten. Als we ons precies willen uitdrukken, moeten we zeggen dat onze regering en de andere regeringen alleen maar een deel van de overheid zijn.
En nu wordt oorlog nog veel sterker een absurditeit, want oorlog tussen een of meer delen van een geheel is immers altijd burgeroorlog. Langs deze weg kan de schrijver dan nog komen tot een zekere waardering voor het begrip „rechtvaardige oorlog". Want onder de éne oecumenische overheid is het denkbaar dat overheden in een oorlog die een politioneel karakter draagt, een andere overheid tot de orde roept. In deze visie krijgt dus het zwaard dat de overheid in handen gegeven is dus nog wel een plaats, maar Paulus' woorden in Rom. 13 doelen kennelijk, volgens de schrijver, alleen maar op de politionele taak van de overheid en niet op het oorlog voeren.
Na kennis genomen te hebben van deze verrassende vondsten op exegetisch en uitlegkundig gebied lijkt het ons de hoogste tijd om maar weer terug te keren tot de eenvoudigheid van de Sdhrift zelf.
Prof. V. Itterzon heeft toch een antwoord gekregen op zijn verzoek om nader ingelicht te worden over het preken van prof. Smits in een officiële kerkdienst in Den Haag.
Ds W. Sijbrandij heeft dit antwoord namelijk geschreven in een artikel in Hervormd Den Haag. Het preken, van prof. Smits in Den Haag was een gevolg van het feit dat allerlei dingen nog niet geregeld waren. Aan de drie vrijzinnige predikanten zou een commissie toegevoegd worden, maar deze commissie was nog niet benoemd toen de drie vrijzinnige predikanten beroepen en bevestigd werden. Daar kwam dan nog bij dat de vrijzinnigen hun preekrooster voor het jaar 1963 al geheel klaar hadden en toen heeft de centrale kerkeraad dat preekrooster maar in zijn geheel overgenomen. Maar er zullen dan een aantal samenkomsten blijven voor verantwoordelijkheid van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden. Prof. v. Itterzon schrijft over één en ander o.a. het volgende:
Het is mij niet helder, waarom de verantwoordelijkheid van de Centrale Kerkeraad voor de diensten der vrijzinnigen pas zou beginnen, wanneer een speciale commissie haar beslag gekregen heeft.
En verder:
Nog krommer Is, wat de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden blijkbaar heeft weten te bereiken. De ene zondag is er 'n dienst in de Houtrustkerk (of van een andere kansel der vrijzinnigen), die voor de verantwoordelijkheid van de Centrale Kerkeraad ligt. De volgende zondag is er dienst in hetzelfde kerkgebouw, waar iemand voorgaat, die geen preekbevoegdheid heeft in onze kerk, of (zo voeg ik er aan toe) aan wie die preekbevoegdheid door het breed moderamen der generale synode is ontnomen (bijv. prof. Smits). Dat kan dan zo maar, blijkbaar zonder enig bezwaar, omdat ds. S. mededeelt: „Er blijven een aantal samenkomsten, die geheel blijven voor verantwoordelijkheid van de Vereniging".
Mijn woordenboek noemt dat: „van twee wallen eten". De Vereniging van Vrijzinnige Hervormden wil kerkelijk worden ingeschakeld. Zij wil erkend worden en delen in alle rechten en voorrechten, die aan het kerkelijk leven zijn verbonden. Maar tegelijk wil zij, als het haar beter uitkomt, de vrije hand hebben, als het gaat om de persoon van de prediker op de kansel.
Haar beurten moeten als voluit kerkelijk worden geijkt, maar, als de vereniging het wenselijk acht, stelt zij de kansel ter beschikking in strijd met een nadrukkelijk besluit van het breed moderamen der generale synode. Om het even, of zo iets gepresteerd wordt door links of door rechts, naar mijn smaak is zo iets niet behoorlijk. Of, als u het wat vriendelijker wilt: onkerkelijk en onsympathiek.
Het voorgaande lazen we in het nummmer van het Hervormd Weekblad van 2 mei. In het nummer van 18 april van ditzelfde blad troffen we een ingezonden stuk aan, waarin de schrijver klaagt over het feit dat de confessionelen als zodanig in den lande en in de kerk niet geteld en gerekend worden.
De inzender heeft in Woord en Dienst een opsomming gelezen van het aantal predikantsplaatsen in de hervormde kerk en de verdeling daarvan over de verschillende richtingen, pardon: modaliteiten. De vrijzinnigen hebben een aantal predikantsplaatsen als ook de geref. bond en de rest is dan midden-orthodox. Dus goed gelezen, zo schrijft hij, dan zijn er weer geen confessionele predikansplaatsen, en dat wordt dan nl. gepubliceerd in een officieel blad voor Ambtsdragers in de herv. kerk.
Ds. Groenewoud voorziet dit ingezonden schrijven van een naschrift en deelt daarin de verontwaardiging van de inzender. Hij schrijft:
Ongeveer gelijk met deze brief ontving ik een lijst van predikanten die óf lid van de Confessionele Vereniging zijn, óf op een andere wijze blijk hebben gegeven, er mee te sympathiseren. Deze lijst bevat niet minder dan ruim 450 namen. Misschien is bij de redactie van „Woord en Dienst" de wens de vader van de gedachte geweest, of heeft men gerekend, dat de confessionelen wel aan de wens zouden voldoen om zichzelf maar op te heffen. In elk geval is deze publicatie een misrekening. Eerlijk gezegd interesseren dergelijke berichten ons niet meer. We weten zo langzamerhand wel hoe men in bepaalde kringen over ons denkt. En we weten ook, dat juist de confessionelen altijd, ook in de tijd van Hoedemaker en de Kromsigts, de meest verachte groep in de kerk is geweest. We kunnen ons over de plaats die anderen ons toedenken echt geen zorgen maken. Van meer belang is, dat we onze taak verrichten en het welzijn der kerk zoeken te bevorderen.
We zijn dankbaar voor deze woorden en ook blij met de gegevens die ds. Gr. ons verstrekt, want we hadden nooit nog zo'n aantal verwacht. En daar hebben we nu net het zeer. Het is niet de eerste keer dat we deze klacht in dit Weekblad tegenkomen. Maar maken de confessionelen het er ook zelf niet enigszins naar? In het kerkelijk leven merkt men er zo weinig van, want in de praktijk is er meermalen geen verschil tussen confessioneel en midden-orthodox te bespeuren. Het confessionele zit soms alleen maar in het onzichtbare en ongrijpbare vrezen en beven; men gaat met de midden-orthodoxie mee, „zij het dan met vrezen en beven". Het schijnt dat deze werkelijkheid zijn oorzaak vindt in het feit dat men ten koste van zeer veel toch in ieder geval de schijn wil vermijden van te gaan in de richting van de geref. bond. Als het gaat over de meest verachte groep in de kerk te zijn, dan kunnen we daar over meepraten.
Als men in het kerkelijk leven voluit meedoet aan de integratie, dan moet men er niet vreemd van opkijken als men als groep ook in de statistische gegevens van de kerk geïntegreerd wordt; d.w.z. ondergaat en verdwijnt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's