De Catechismusprediking
I
Het is niet toevallig, dat dit onderwerp op de agenda van onze jaarvergadering prijkt. Wij schrijven 1963, en u hebt er reeds aan gedacht: 1563 werd de Heidelbergse Catechismus in het licht gegeven. Dat is dus vier eeuwen geleden! Heeft het nog zin, dit feit te herdenken? In 1863 meende een synode van de Duitse Evangelische Kerk, op een daartoe strekkend verzoek, afwijzend te moeten beslissen: „overwegende, dat het jubileum van een emeritus niet wordt gevierd". Dat emeritus was overigens een vergissing. De catechismus is niet uitgediend, al is hij inderdaad een oudgediende. Laat ons op dat „oud" niet te veel nadruk leggen, al spreken wij graag en wat innig over de „oude Heidelberger". Deze oudgediende loopt niet stram en traag in de historische optocht van de catechismussen. Integendeel, hij treedt uit het gelid, hij stelt zich aan ons voor als een catechismus, die zich nog ijverig van zijn opdracht kwijt. Het moge dan overdreven klinken, de Heidelberger heeft iets van een eeuwige jeugd. En zonder hem te vereren, willen wij hem dankbaar in ere houden.
Wie catechismus zegt, zegt catechisatie, onderricht aan de jeugd der gemeente. Maar even goed aan de ouderen. De catechismuspreek is zo oud als de catechismus. Dat geldt evenzeer voor de Lutherse, als voor de Heidelbergse. (Trouwens, reeds Augustinus hield preken over het „Credo" een bestanddeel van de leer!) Bij de Heidelberger is deze opzet heel duidelijk aanwezig, getuige de indeling in 52 Zondagen. Zodra hij was opgesteld, kreeg hij een brede plaats in de eredienst, in het land van zijn oorsprong, de Paltz. In alle godsdienstoefeningen op zon-en feestdagen moest er 'n negende deel van worden voorgelezen, waarbij de stukken in de kerkorde nauwkeurig aangegeven zijn. Dit voorlezen geschiedt in de morgendiensten, 's Middags komt dan de eigenlijke Catechismusprediking. Zo werden de hoofdzaken van de christelijke leer de gemeente ingeprent.
Aan Petrus Dathenus komt de verdienste toe, dat deze catechismus onder ons volk een goede ingang vond. Hij heeft haar in 1566 vertaald, en opgenomen in zijn psalmboek. Zij burgerde daardoor spoedig in, als leerboek en als leiddraad voor de prediking. Reeds in 1566 preekte Pieter Gabriel te Amsterdam uit de Heidelbergse Catechismus. De synoden dringen eenparig op een regelmatig en naarstig gebruik aan. Die van Dordrecht in 1571, die van Alkmaar in 1573, die van Schoonhoven in 1579. Dat wijst er op, dat in vele gemeenten, vooral ten plattelande, de catechismusprediking nog geen vast gebruik was. Sommigen hielden het voor een middelmatige zaak, maar de synoden wederspreken dat met nadruk. Men zal zich bevlijtigen om de Heid. Cat. alom en in alle gemeenten in 't werk te leggen en in de kerken te prediken — Alkmaar.
Al deze bepalingen worden dan in de D.K.O. vastgelegd in artikel 68: „De dienaren zullen alom des zondags, ordinaarlijk — gewoonlijk — in de namiddagse predikatiën, de somma — samenvatting, hoofdsom — van de Christelijke leer, in de Catechismus, die tegenwoordig in de Nederlandse Kerken aangenomen is, vervat, kort uitleggen, alzo, dat dezelve jaarlijks mag geëindigd worden, volgens de afdeling van dezelve, daarop gemaakt. Letterlijk is dit artikel al te vinden in de handelingen van de synode te 's Gravenhage van 1586. Er wordt dus geen nieuwigheid ingevoerd, wanneer de catechismusprediking wordt voorgeschreven.
Wel ontstonden er in deze tijd moeilijkheden rondom die prediking. De Remonstranten hadden er nogal wat bezwaren tegen. Zo weigerde b.v. ds. H. Herbertsz te Gouda om de catechismus te preken, omdat hij vond, dat daarmee een menselijk geschrift op één lijn gesteld werd met de Heilige Schrift, die toch Gods eigen Woord was. Dat hierachter bezwaren tegen de inhoud van de catechismus schuil gaan, is meer dan een vermoeden, het is tijdens de remonstrantse twisten wel gebleken.
Toch waren onze vaderen gevoelig voor dit bezwaar, er werd wel eens aanleiding toe gegeven. Het was gewoonte, om „staande en met ongedekte hoofde" de tekst aan te horen, mij dunkt een goede gewoonte, waarvoor ik het pleit zou willen voeren! Deze gewoonte bleef men ook volgen bij de middaggodsdienstoefening, wanneer een afdeling van de Heid. Cat. gelezen werd. Ziet ge wel, zeiden de Remonstranten, ze bewijzen de Heid. Cat. de eerbied, die alleen aan Gods Woord toekomt. De H.van Heidelberg dreigt zodoende een H voor Heilig te worden! Het is met het oog hierop, dat meerdere synoden het aanbevelenswaardig vinden, om voor de vraag en het antwoord verklaard worden, een(ige) geschikte tekst(en) uit de H. Schrift, die daarbij passen, voor te lezen. Daarmede is zelfs de schijn van recht aan het remonstrantse bezwaar ontnomen.
Ook moeilijkheden van andere aard kwamen op de synode van Dordrecht ter sprake. Er bleken predikanten te zijn, die de hand lichtten met het voorschrift van de Catechismusprediking, vooral op de dorpen. Wie weet, uit welk hout menig dorpspredikant toen gesneden was, zal dit niet verwonderen. Ze waren niet alleen in hoge mate onwetend in de leer, ze hadden bovendien vele bezigheden, waardoor hun dienstwerk in het gedrang kwam. De klachten daarover komen in de goede oude tijd veel voor! Ze worden onder zware kerkelijke censuur belast, regelmatig 's middags uit de catechismus te preken. De synode nam het, terecht, hoog op. Ook de gemeenteleden lieten verstek gaan. De „weinigheid der toehoorderen" was voor menig predikant een welkom voorwendsel, om des middags geen kerk te houden. Wat antwoordden de vroede vaderen? Ze mogen niet nagelaten worden, al is het dat de predikanten in het eerst, voor weinig toehoorderen, ja maar alleen voor hun gezinnen zouden moeten preken. Hier duikt het predikantsgezin op, als een voorbeeld in de kerkgang! En de synode heeft hoop, dat goed voorbeeld, goed doet volgen. Wanneer de predikanten dan nog ijverig vermanen, zullen er „mettertijd velen genoeg tot de predikatiën komen".
Maar — alweer die goede oude tijd — wanneer de mensen 's middags door arbeid of oefening opgehouden, van de namiddagpredikantiën afgetrokken worden? En veel voorkomend euvel, omdat de zondagsviering niet zo nauwgezet was, als men heden ten dage wel beweert — tegen beter weten in, dunkt mij. — Dan moet de Kerkeraad de overheid verzoeken, „dat zij alle dienstbare en dagelijkse werken en voornamelijk de spelen, zuiperijen en zwelgerijen en andere ontheiligingen van de sabbath, waarmee men de middagtijd op zondagen, meest in de dorpen, gemeenlijk pleegt door te brengen, met strenge plakkaten verbieden, opdat zij ook op deze wijze des te beter, tot de namiddagprediking gebracht mogen worden, en alzo de gehele sabbath leren vieren". Of de overheid aan dit verzoek gevolg gegeven heeft? Het voortdurende beroep, doet eerder het tegendeel denken. Trouwens, hoe brachten de overheidspersonen die dag door? De oude schrijvers zijn er allerminst tevreden over! En wat denkt u ervan, dat in deze tijd, het hoge gerechtshof, dat Oldebarnevelt ter dood veroordeelde, dit op een zondagse zitting deed? Waarmee ik maar wil zeggen, dat wij vandaag niet meer reden tot klagen hebben dan vroeger en daar althans geen politieke munt uit moeten slaan, willen we tenminste geen valse munters zijn.
Ook de predikanten, die de catechismus preken, krijgen nog enige aanwijzingen. Ze maakten het dikwijls te ingewikkeld, met veel vertoon van geleerdheid, en ook veel te lang. Het viel u al op dat artikel 68, spreekt over „Kort uitleggen". Het lange preken, is dus ook een verouderde kwaal! „De herders", zo luidt het vermaan, „zullen de catechismuspreken op die wijze inrichten, dat ze zowel de kortheid betrachten en tegelijk ook de duidelijkheid, en kunnen tonen, dat zij rekening gehouden hebben, niet slechts met de ouderen maar ook met de onkundiger en teedere jeugd". Houden de hedendaagse herders daar voldoende rekening mee? En treft u de zorg voor de jeugd niet?
Genoeg om vast te stellen, dat het goed recht van de catechismusprediking verankerd ligt in de geschiedenis en de orde van de kerk. In dit laatste nog het geval? Ook onder de organisatie van 1810 bleef de catechismusprediking verplicht. Totdat van 1863 — blijkbaar een dieptepunt in het kerkelijk leven, hier en elders — af, het gebruik van de Heid. Gat. „bij de godsdienstoefeningen aan het eigen oordeel der predikanten wordt overgelaten, die daarbij te rade hebben te gaan met de behoefte der gemeente". Onze nieuwe kerkorde brengt daarin niet veel verandering wanneer in art. XI de mogelijkheid wordt opengelaten: „In de leerdiensten — die naast de kerkdiensten worden genoemd — kan ook gehandeld worden over de belijdenisgeschriften, in het bijzonder de Heid. Cat." Met dit verschil, dat het in de lijn van de kerkorde ligt, dat de predikant hierbij overleg met de kerkeraad pleegt. Het is te betreuren, dat deze mogelijkheid het niet tot wenselijkheid bracht, en de wenselijkheid in vele gemeenten geen werkelijkheid wordt. De zorg die men van meet af aan voor de catechismusprediking aan de dag legde, heeft immers een oorzaak: De gemeente moet onderwezen worden op straffe van verval en ondergang. Worden we daar mee niet gestraft?
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1963
De Waarheidsvriend | 7 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1963
De Waarheidsvriend | 7 Pagina's