De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

We willen ditmaal ons persoverzicht beginnen met wat uitvoerig stil te staan bij een artikel dat we lazen in In de Waagschaal van 18 mei. Het artikel is toch wel, dachten we, veelzeggend op het punt van de stand van het kerkelijk leven van vandaag de dag. Daar komt dan nog bij dat het vlot, boeiend en geestig geschreven is, terwijl het artikel wat betoog en bedoeling betreft ook helder en begrijpelijk is. Iets wat helaas lang niet van alle artikelen in In de Waagschaal gezegd kan worden. Het geschrevene is van de hand van K. Heeroma, een taal- en letterkundige en draagt als opschrift: De slapende kerkganger.

In zijn betoog stelt de schrijver, die zichzelf voorstelt als kerkganger, of beter nog, als ex-kerkganger, dat de doorsnee kerkganger van ruim 40 jaar geleden min of meer gekwalificeerd kan worden als de slapende kerkganger. Hij gaat daarbij niet alleen af op het verschijnsel dat men juist in die tijd uitzonderlijk veel sliep in de kerk, want — zo zegt de schrijver zelf — ten allen tijde is er in de kerken veel en godvruchtig geslapen. Maar hij wil vooral ook met de slapende kerkganger wat dieper gaan en daarmee de tijd van een halve eeuw nader typeren:

In een tijd en in een gemeenschap, waarin de gang naar de kerk nog een door de traditie gevoede behoefte des harten is en de plaats in de kerk een even vast bezit als de plaats in de wereld, is de slaap die ons in het kerkgebouw kan overvallen geen probleem, maar even natuurlijk en even geestelijk als de kerkganger zelf.

Met de moderne mens is dat echter volkomen anders. Hij gaat niet meer vanzelf uit sleur en traditie naar de kerk, maar hij moet zijn plaats in de kerk „veroveren". Dat betekent dus dat deze kerkganger niet meer slaapt, maar wakker is. En dit schept nu — als ik het betoog met eigen woorden mag trachten weer te geven — een moeilijk en netelig probleem. Want nu staat de kerk voor de taak om deze „wakende" kerkganger bezig te houden en te boeien:

Wij hebben het recht en de mogelijkheid verloren om onder het geklank der gewijde formules godzalig in te slapen. Als we onszelf toch dwingen om neer te zitten op de ongemakkelijke banken — hoe ter wereld hebben vroegere generaties daar zondag aan zondag op kunnen slapen — voelen wij ons in onze onvruchtbare verveling hopeloos misplaatst en generen ons voor onszelf en onze omgeving voor ons krampachtig bedwongen gegeeuw. Hoe vaak wij ook gaan verzitten, wij kunnen de goede houding, de houding van de rechte kerkganger, maar niet vinden. Slapende kerkgangers, waren wij het maar! Maar wij brengen het niet verder dan in een kerkgebouw verdwaalde, verveelde en geeuwende buitenstaanders.

De schrijver zoekt de schuld van de ontkerkelijking niet alleen maar bij de dominee. Hij weet zich namelijk nog uit zijn jeugd te herinneren, dat er ook wel preken waren die hem boeiden, maar dat zat hem dan in de persoonlijke begaafdheid van de voorganger; de dominee was een artiest. En nu kan men wel van de dominee eisen dat hij studeert, maar niet dat hij artistiek begaafd is.

De predikant is bovendien ook aan handen en voeten gebonden, want — zo betoogt de schrijver — :

De inhoud (van de preek) is al van tevoren bekend. Dit in tegenstelling met b.v. kerkelijke afkondigingen. Daarnaar luistert ieder dan ook met gespannen aandacht, want hij hoort iets nieuws. In vroeger dagen, toen de communicatiemiddelen van pers en radio nu geen rol speelden, kon een kerkgang al zinvol en boeiend zijn door al het nieuws dat men te horen kreeg. „Kerkgang om nieuws". Nu moet de dominee het meestal zonder deze attraktie stellen, maar dat betekent dat er hogere eisen worden gesteld aan de wijze waarop hij de hem overgebleven nummers presenteert.

Daarom moet de dominee artiest zijn om zijn gehoor te blijven boeien; d.w.z. dat de predikant toneelspeler, volksredenaar of mysticist moet zijn.

De schrijver wil dus niet zonder meer de predikanten aansprakelijk stellen voor de ontkerkelijking. En nu gaat hij verder vragen of er aan de zijde van de kerkgangers niet wat te doen is aan 't feit dat „de kerk in feite een ruïne, 'n restverschijnsel is geworden". De preek is blijkbaar in het algemeen niet kerkgangerbindend, kerkgangerboeiend en kerkgangerscheppend, maar als we het nu eens met de liturgie probeerden, want bij de liturgie wordt de kerkganger zelf als schepper ingeschakeld en als het daarmee niet lukt, ligt het in elk geval niet alleen aan de dominee.

Maar tot onze verbazing vindt de schrijver ook daar de oplossing niet; blijkbaar is hij daar te nuchter voor. Aan sommige liturgische diensten heeft deze ex-kerkganger de beste herinneringen, maar vele hebben hem ook verveeld en geïrriteerd. En hij komt dan tot dezelfde conclusie: als de voorganger ook hier maar duidelijke artistieke kwaliteiten heeft, dan gaat het; en anders niet. Met een artiest op de kansel lukt dus de kerkdienst altijd wel op de een of andere manier; hij kan met zijn kerkgangers alles doen, zoals een goed toneelspeler of voordrager met zijn publiek. De schrijver doet dus geen oplossing aan de hand en het artikel loopt dan ook op deze trieste en uitzichtloze wijze af:

Wie zich verdiept in de liturgische traditie van een andere kerk met de bedoeling om zich weer een legitieme plaats als kerkganger in de eigen kerk te veroveren, krijgt onwillekeurig de neiging om die legitieme plaats dan maar meteen in de andere kerk te vinden en (Rooms-Katholiek, Orthodox, Anglicaans of Luthers te worden. Daarmee is men dan wellicht persoonlijk geholpen, maar men brengt er de vaderlandse kerk, die voor iedereen moet zijn, niet verder mee.

Dit nuchtere woord van deze ex-kerkganger bepaalt er ons weer eens op schrijnende wijze bij, dat de nood van de kerk allereerst is de nood van de prediking. En dat hebben we ons dus allemaal aan te trokken. In dit betoog is men volledig los van wat de Schrift over de prediking des Woords zegt. We hebben hier een kerkganger die met de waardering van de prediking op een geheel ander vlak is terecht gekomen en we hebben dus 'n baken dat ons waarschuwen moet er in de prediking tegen te waken dat we ook niet naar dit vlak afglijden. De preek is hier niet meer een oproep, een appèl van Gods wege; niet meer draagster van de kracht Gods en de wijsheid Gods. Of om het anders te zeggen: De preek is niet meer een maaltijd die we dagelijks nodig hebben om te kunnen leven. Dan is het immers geen probleem dat we elke dag maar weer brood voorgezet krijgen met misschien heel erg vaak kaas als belegging. Voor de schrijver ligt de preek meer in het vlak van een poosje aangenaam bezig gehouden worden ter tijdpassering. En we kunnen ons voorstellen dat het een onmogelijke opgave is om een mens dag in dag uit aangenaam bezig te houden met telkens maar weer een spelletje Halma of Mens erger je niet. Men moet dan wel een geboren en geschoolde artiest zijn om de onherroepelijk opkomende ergenis en verveling bij de voortduur de baas te blijven.

We kennen dr. Rudolf Boon uit zijn artikelen en persoverzichten als een man die een oecumenische leesbril draagt. Maar hij kan met die bril ook vèr kijken en dan kijkt hij steeds in de richting van het anglocatholicisme. Hij droeg deze bril kennelijk ook toen hij kennis nam van het Hervormd-Remonstrants gesprek dat onlangs weer op de synode ter tafel kwam. Dit deed hem in In de Waagschaal een artikel schrijven onder het opschrift: Ongeachte en ongedachte aspecten bij het Hervormd-Remonstrants gesprek.

Als de remonstranten op de Dordtse synode de overhand hadden behaald, dan zouden we in ons land een uitgesproken erastiaans type staatskerk gekregen hebben. Dat wil dus zeggen dat de overheid in naam der gemeente het kerkbestuur in handen gehad zou hebben. De Nederlandse kerk zou zodoende een tweelingzuster geworden zijn van de anglicaanse kerk in Engeland. Het is alsof dr. B. met een zekere heimwee terugdenkt aan deze goede oude tijd toen het remonstrantisme nog een opmerkelijke mogelijkheid in zich had tot een „hoogkerkelijke" catholisering. Hij schrijft:

Van oecumenisch oogpunt beschouwd zou een dergelijke hervormde kerk in haar theologisch denken aansluiting hebben gezocht bij de vroege kerk. Zij zou onder leiding van een Hugo de Groot een consensus met de kerk van Rome hebben gezocht op de basis van het geloof van de kerk der eerste vijf eeuwen.

Maar helaas, de remonstranten hebben in de historie een enorme buiteling gemaakt, namelijk van de erastiaanse staatskerk naar het congregationalisme. En de congregationalisten zijn mensen die de plaatselijke gemeente volkomen autonoom willen hebben, geheel vrij en onafhankelijk van kerkverband en staatsgezag. Ze zijn dus volledig „laagkerkelijk" geworden.

Dit congregationalisme kunnen we in zijn zuivere gestalte, zowel leerstellig als ecolesiologisoh (op het punt van de kerkopvatting, UdP), terug vinden in onze eigen kerk. Dit congregationalisme vinden we namelijk tot op heden ten voeten uit in.... onze „gereformeerde bond". Dat is natuurlijk niet zo best. Dr. B. ziet donkere dreigingen. Stel u voor dat het gereformeerd confessionalisme de scherpe kantjes er eens een beetje gaat afvijlen, dan zal in dat kamp meteen een consensus met de remonstranten met instemming worden begroet. En dan zitten we met de „laagkerkelijkheid".

Het is daarom zaak de hervormde kerk voor deze dreigingen te waarschuwen en bij de remonstranten nog eens een dringend beroep te doen op hun „hoogkerkelijke" verleden en afkomst:

Met de consensus zal de hervormde kerk dan ook aan haar eigen verleden verplicht zijn in een hernieuwd belijden op het stuk van de kerk duidelijk te laten uitkomen dat zij bepaalde wezenlijke elementen in haar traditionele ecclesiologie heeft verlaten. Wellicht zouden echter remonstrant en hervormd beide er bij gebaat zijn, alvorens zij een consensus zouden aangaan die hen definitief de weg van de „laagkerkelijkheid" zal doen inslaan, nog eens die genoemde analogieën met de anglicana in beraad te nemen welke niet te versmaden oecumenische aspecten bieden. Misschien zullen de Amerikaanse congregationalisten ons hierbij nog eens voor gaan, zodra hun „negotiations" met „Episcopalians" en „Presbyterians" eerst goed op dreef gekomen zijn.

Ten besluite willen we gaarne en met instemming overnemen enkele passages uit het verslag van de preek van dr. Gravemeijer gehouden te Leiden in een herdenkingsdienst van de bevrijding. We vonden dit verslag in het Hervormd Weekblad van 16 mei:

In het leven van de mensheid botsen twee richtingen op elkaar. De eerste gaat van God uit, die van Boven komt in de nood van deze gebroken wereld. De andere gaat van de mens uit, die denkt zich naar boven te kunnen opwerken. Aldus stelde dr. G. de theocratie (de regering van God, door de gehoorzaamheid aan zijn Woord), zo in het maatschappelijk als in het persoonlijk leven, tegenover het van de bijbel losgeslagen humanisme. Oorlogsdreiging, angst voor de verschrikking van de atoombom èn de oorlog zelf zijn er juist, omdat men Jezus Christus niet erkent in zijn koningschap, als Heer over alle levenssferen.

Tragisch noemde de prediker het, dat Israël en de Gemeente „uit elkaar" zijn.

Hij ontkende dat de oecumene er zou zijn zonder Israël. Wat zich nu als oecumene aandient, is een caricatuur, aldus dr. Gravemeijer. In een uitgave van de Wereldraad wordt geponeerd, dat de Kerk in de plaats van Israël is gekomen. „Je moet het maar durven", kritiseerde de predikant. „Gestolen goed gedijt niet". Wie het Woord van God verstaat, hoort bij Israël. "Dit boek" — en dr. Gravemeijer wees toen op het Oude Testament — „was de bijbel van de discipelen en van Jezus zelf". En wij worden door God geteld als bij Israël ingelijfd.

Als het grote wonder van het evangelie zag de predikant het „Ik ben met u". Want God heeft toch zoveel tegen ons. Daar zijn onze zonden. Het gaat in de bijbel niet in de eerste plaats om de liefde, maar om het recht van God en het recht onder de mensen. Het kruis is de volvoering van het oordeel Gods over de, zonde der wereld. Vrees Hem die beide, lichaam èn ziel, kan werpen in de hel. En onder „vrezen" verstond dr. Gravemeijer het toelaten van en zich overgeven aan de Heiland, Jezus Christus. Zijn ander appèl was: de tekenen der tijden te verstaan, niet te vrezen en aan de vaste beloften Gods vast te houden. Want wat God zegt, doet Hij.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's