De Catechismusprediking
III
Het woord, dat is de waarheid Gods. Niet wat wij er van zeggen, maar wat God er van zegt, is doorslaggevend. En zo is de catechismus een beamen van de waarheid Gods; beamen dat is belijden. Over de catechismus als belijdenis handelen wij nu niet. Maar de prediking is ook belijdenis van de waarheid Gods in het midden der gemeente. Zij heeft daar haar klankbodem en vindt daar weerklank. Vragen en antwoorden brengen ons tot belijden, dat is kenmerkend voor de Catechismus. Die waarheid is heilswaarheid. Het is geen verklaring van de werkelijkheid, het is verkondiging van de waarheid, van het evangelie. En in het evangelie ligt het heil vervat. Vandaar dat de Catechismus dat evangelie naar voren haalt, zonder overigens de wet te kort te doen. Wordt aan de wet niet in het evangelie voluit recht gedaan? Daarover wijden we nu niet uit, al zou de Catedhismus ons hier bijzonder van dienst zijnl
Heilswaarheid! Mag ik een enkel voorbeeld noemen? Wanneer er gehandeld wordt over de schepping, dan loopt dat uit op de kennis van God als onze Vader. Dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus die .... om Zijns Zoons Christus wil mijn God en mijn Vader is! Omdat de waarheid heilswaarheid is, is zij christo-centrisch! Gelijk de kennis van God christo-centrisch is! Wanneer er gehandeld wordt over de voorzienigheid dan wordt de vaderlijke hand genoemd! Daarmee is niets verklaard, en tegelijk alles! De verkiezing zou in de chatechismus wat teruggeschoven worden. Maar ze treedt als heilswaarheid aan het licht: Dat de Zone Gods zich een gemeente, ten eeuwigen leven uitverkoren, vergadert, beschermt en bewaart. Alweer: De heilswaarheid Gods, in Christus. Ik noem met opzet deze drie punten. Omdat zowel schepping en voorzienigheid, als verkiezing, onder ons vaak behandelt worden in het kader der oorzakelijkheid. God wordt prima causa. En we zijn in een wat tamme en vage wijsbegeerte verzeild. David kan in dit harnas van Saul niet gaan! De ontwikkeling van deze „leerstukken" is daaraan niet ontkomen. Maar God is geen causa, nooit en nergens. God is creator! De Vader van onze Heere Jezus Christus is creator. En wordt de Heilige Geest niet vaak als causa gepostuleerd, in het werk des Geestes. Hij moét toch! Veni creator spiritus. Hij doét toch. Hoe is de prediking met deze misvattingen behept, zeer tot schade van de leer en van de gemeente. Daaraan heeft de catechismus geen schuld. En de catechismusprediking kan ons helpen, om hier de dingen recht te trekken in de kennis van de Drieënige God. De kennis van Gód bewaart ons voor een lijdelijkheid die zulke heidense trekken vertoont.
Ik zou daaraan toe willen voegen: De waarheid is geloofswaarheid. Heilswaarheid is uiteraard geloofswaard. Hier wordt het schema objectief/subjectief, dat aan de waarheid Gods wordt opgelegd, doorbroken. Hier kan het Woord Gods waarlijk bediend worden! Dat doet de catechismus, van zondag tot zondag. Wat troost u, wat nut u, wat baat u. Het bevindelijke leven is het leven des geloofs. De antwoorden zijn stuk voor stuk geloofsantwoorden. Dr. C. Graafland heeft er op gewezen, dat in de nevenschikking van kermis en vertrouwen, een gevaar schuilt, dat in de loop der eeuwen verwarring stichtte, en verwoesting aanrichtte in het denken en leven der gemeente. Ik wil dit niet bestrijden. Maar, zonder op deze uiteenzettingen in te gaan, zou ik er op willen wijzen, dat de catechismus daar toch geen aanleiding toe geeft. Wat is u nodig te wéten? Waaruit kent ge? Waaruit weet ge? Wat gelooft ge? Wat verstaat ge? Waartoe dient ons dat wij weten? Wat is dan gezegd? In al deze vragen is het weten tevens vertrouwen, dat blijkt uit de antwoorden. Een verstandelijk kennis nemen van de waarheid komt eenvoudig niet aan de orde. Daarom ben ik geneigd om te verdedigen: Het stellig weten en kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houdt, is weten en kennis van het geloof. En al zou in de bespiegeling van Ursinus, en in de latere ontwikkeling, plaats gemaakt zijn voor een kermen en een erkennen van de waarheid, „zonder er kennis aan te hebben" — en daarin heeft hij gelijk — in de catechismus zelf is daarvan geen spoor te vinden. De heilswaarheid is geloofswaarheid. De catechismusprediking, die de waarheid uiteenzet, en dan verklaart: daar moet nu het geloof nog bijkomen, doet de catechismus onrecht. Zulk een prediking, geeft voet aan een zgn. historisch geloof, en vleit de mens in z'n ongerechtigheid die te haten is. De catechismusprediking mag op dit punt vragen stellen, beslissende vragen, zij mag en moet „onderscheidenlijke" prediking zijn. Maar ze kan nooit een zuivere prediking van de catechismus zijn als ze niet van meet af, en op de man af, de waarheid als geloofswaarheid handhaaft. Dat veel catechismusprediking hiermee geoordeeld is, zij toegegeven, doch dat geldt evenzeer van veel ochtendprediking, gereformeerde prediking. De waarheid Gods is heilswaarheid, is geloofswaarheid. Dat blijkt niet het minst bij de behandeling van gebod en gebed! Al wordt bij de behandeling het meest tegen deze regel gezondigd. Dat blijkt bij de behandeling der sacramenten. Hoe zitten velen daarmee niet in de knoop. Niet alleen omdat zij de Heilige Geest, om te beginnen uitschakelen, en Doop en Avondmaal op zichzelf aan een beschouwing trachten te onderwerpen. Maar vooral, omdat er over deze beide geen zinnig woord te zeggen valt, buiten het geloof om! Er wordt dus veel onzin te berde gebracht? Ik dacht van wel. Ik meen ook, dat de verlegenheid van de gemeente, de verlegenheid met deze instellingen van Christus, met deze onzin samenhangt. En dat daar eindeloze twisten, zogenaamde diepzinnigheden, en eigenzinnige spitsvondigheden uit voortvloeien. Terwijl de sacramenten deel uitmaken van de heilswaarheid: Hoe wordt ge vermaand en verzekerd! De kinderdoop staat en valt met deze opzet. Zij is een zaak des geloofs. En bij het avondmaal vinden we hetzelfde!
Omdat het geloofswaarheid is, wisselen enkelvoud en meervoud elkander af. Het geloof moge een persoonlijke zaak zijn — en ook daaraan dient aandacht besteed te worden, de catechismus dwingt er ons toe — het is ons gemeenschappelijk geloof. Wij geloven in gemeenschap. Ook dat heeft verstrekkende gevolgen, die de catechismus niet schuwt. En wanneer prof. dr. H. Jonker, in de samenkomst der gemeente, dit gemeenschappelijke als een geloofsversterking en een bijdrage tot geloofsverzekering waardeert, dan val ik hem daarin van harte bij. Waar dit verwaarloosd wordt, daar moet het geloofsleven wel kwijnen, en daar wordt het gemeentelid zó op zichzelf teruggeworpen, dat hij de versterking des geloofs door woord en sacrament, in gebed en lied, schuldbelijdenis en lofverheffing, eenvoudig niet meer ervaart. Het bevindelijk leven is een leven in gemeenschap. Hierin bewaart de catechismus een heilzaam evenwicht. Enkelvoud en meervoud. Het meervoud verslindt het enkelvoud niet. Juist daar niet, waar het voor de hand ligt; bij de kerk! Een heilswaarheid, een waarheid waarin de Zone Gods centraal staat. Een geloofswaarheid waarin het enkelvoud zich verwonderd mag voegen in het meervoud van alle tijden en op alle plaatsen: Waarvan ik een levend lidmaat ben een eeuwig zal blijven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's