Rondom het belijden der Kerk
Toen ik in januari van dit jaar dit onderwerp inleidde op de contio van predikanten van de Gereformeerde Bond beloofde ik, desgevraagd, het manuscript van deze inleiding beschikbaar te stellen voor publikatie in de Waarheidsvriend.
Ik achtte mij van die belofte ontslagen vanwege het feit dat ds. Boer een uitvoerige recensie schreef over het boek van ds.Volten dat deze zelfde titel draagt en ook uitgangspunt was van mijn referaat. Omdat echter de redactie blijft aandringen en mij aanspreekt op mijn eenmaal gegeven belofte, wil ik bij deze aan hun verzoek gehoor geven.
a. Rondom het belijden der kerk
Onder deze titel heeft ds. H. Volten, gereformeerd studentenpredikant te Wageningen, een boek geschreven waarin hij problemen aan de orde stelt, die in deze dagen van oecumenische activiteiten hoogst actueel zijn. Zelf vertelt de schrijver dat hij op een conferentie één en andermaal „geschokt" en „verpletterd" werd door betogen van sprekers die hun gehoor met de neus drukten op het getuigenis van de H. Schrift, waaruit de onhoudbare toestand op kerkelijk gebied duidelijk sprak. De verdeeldheid en verscheurdheid der kerk werd ook hem tot een benauwenis, en dit heeft ds. Volten aan het denken en onderzoeken gezet.
In eerste instantie is het hem te doen in zijn boek om de verdeeldheid die er in ons vaderland is tussen de kerken die toch één en dezelfde belijdenis hebben. Zodoende komt het er op neer, dat ds. V. zich in zijn boek praktisch alleen maar bezig houdt met de hereniging tussen de hervormde kerk en de gereformeerde kerken. In dit verband heeft hij zijn bezwaren tegen de actie van de „achttien", maar evengoed tegen de activiteiten die de zogenaamde „vierenzestig" in de geref. kerken ontplooid hebben.
Naar zijn smaak laten de 18 te gemakkelijk de belijdenis los, terwijl daartegenover de 64 zich op een dusdanige wijze in de „waarheid" vastbijten, dat zij niet meer op legitiem bijbelse wijze nog worstelen om de eenheid.
Hiermee heeft ds. V. dan meteen zichzelf het thema voor zijn boek aan de hand gedaan. Hij wil een antwoord geven op de vraag: Hoe kunnen de (vaderlandse) kerken tot overeenstemming in belijden komen? En hij wil dan een hereniging, met behoud van de schatten der Reformatie in ons volksleven. Zonder deze hereniging is het met de toekomst van ons protestantisme in Nederland een verloren zaak. We kunnen elkaar eenvoudig niet meer missen.
Met voorbijgaan van verschillende andere onderwerpen die ook in het boek van ds. V. aangesneden worden, willen we in het vervolg speciaal aandacht schenken aan dat wat er geschreven wordt over de belijdenis en over de handhaving daarvan.
In verband met de hereniging tussen hervormden en gereformeerden acht ds. V. het allereerst noodzakelijk uitvoerig in te gaan op de vraag hoe we kunnen komen tot overeenstemming in belijden. We willen nu gaan luisteren naar dat wat ds. V. over deze beide problemen zegt, om daarna onze conclusie uit één en ander te trekken.
b. Overeenstemmen in belijden
In de loop der tijd zijn al verschillende oplossingen bekeken en aan de hand gedaan, om te kunnen komen tot een zekere hereniging. Ds. V. noemt er enkele, die hij overigens met een kort woord af doet, om dan uitvoerig in te gaan op datgene wat volgens hem dè oplossing is in de tegenwoordige noodsituatie.
a. Het biblicisme. Dit wil de leerontwikkeling stop zetten en er een streep door halen. De kerk moet weer terugkeren tot het sober geloofsgetuigenis van de bijbel zelf. Zo in de geest van: „Niet de leer maar de Heer". Deze weg acht ds. V. onbegaanbaar; het vermeerdert de geschillen alleen maar.
b. De gereformeerde leer en de gereformeerde kerk zijn de enige ware leer en kerk.
Ds. V. noemt prof. Schilder als een exponent van deze beschouwing. Dit is ab igrove zelfoverschatting af te wijzen, terwijl ook de praktijk de onhoudbaarheid er van aantoont.
c. De pluriformiteit der kerk.
Het is de oplossing van A. Kuyper en ds. V. noemt het de meest geniale oplossing van het probleem. Toch wijst hij deze solutie af, omdat het een onbijbelse noodoplossing is. Uitvoerig citeert ds. V. de kritiek van Gunning en Kraemer op de pluriformiteitsgedachte.
d. De reductie.
Indertijd heeft dr. Boon in In de Waagschaal eens gepleit voor een terugkeer van de kerk naar het belijden van de oudste concilies. Prof. Berkhof heeft in hetzelfde blad daar een antwoord op gegeven, en het onmogelijke daarvan duidelijk aangetoond. Ook ds. V. wijst deze mogelijkheid af. Men kan de leerontwikkeling, die daarna geschiedde, niet stilzetten.
Toch is de reductie (het inkorten van de belijdenis), volgens ds. V., wel de weg die we op moeten. Als ds. V. in verband met deze reductie grijpt naar het onderscheid tussen fundamentele en niet-fundamentele waarheden, is hij zich wel degelijk bewust dat hier gevaren liggen. Hij citeert in dit verband enkele uitspraken uit een artikel van prof. Meuleman in „Bezinning" die, schrijvend over Oecumene en Belijdenis, er op wijst dat de belijdenis niet is een optelsom van een reeks los naast elkaar staande waarheden. Deze kwantitatieve beschouwingswijze is niet reformatorisch. De belijdenis is een organisme. Er is een weg der kerkelijke ontwikkeling geweest van het impliciete naar het expliciete.
Toch duikt de onderscheiding tussen fundamentele en niet-fundamentele waarheden telkens weer onweerstaanbaar op. Dat komt omdat de oerbelijdenis ook telkens weer ontvouwd werd in met elkaar contrasterende belijdenissen.
Ds. V. beroept zich op Calvijn en zegt dat ook deze zijn opvatting over de rangorde der leerstukken in praktijk gebracht heeft in zijn verhouding tot andere kerken.
De Dordtse synode paste de reductie eveneens op enkele punten toe. Men sloot daar art. 30-32 (van de N.G.B.) uit van de revisie en liet ze buiten discussie omdat de afgevaardigden van de bisschoppelijke staatskerk van Engeland ze niet konden ondertekenen. Ds. V. beweert (maar bewijst niet) dat men daarmee een onderscheid in de confessie aangebracht heeft tussen waarheden en waarheden. En zo zijn er dus blijkbaar in de belijdenis waarheden die in , de christelijke kerk geen algemene geldigheid hebben.
Tenslotte ziet ds. V. zulk een reductie van de belijdenis in de intrekking van de zgn. vervangingsformule door de gereformeerde kerken.
Ook al is de belijdenis een organisme en geen optekom van waarheden, toch zijn niet alle leerstukken blijkbaar van gelijk gewicht. Vandaar dat naast reductie tegenwoordig ook het woord „concentratie" in gebruik begint te komen. Zulk een concentratie heft echter de reductie niet op, doch maakt die juist mogeüjk. De kerk is een ziek lichaam; men moet door operatie wel eens een pink of een voet afzetten om het geheel in stand te houden.
Het wereldwijde oecimienische vraagstuk is met het woord reductie alleen niet op te lossen. Het zal wel één van de sleutelwoorden blijven, maar om tot een concensus (eenstemmigheid) te komen tussen protestantse-, roomse-, oosterse en anglicaanse kerken is reductie alleen onvoldoende. Dan zal eerst de wind des Geestes door alle kerken moeten waaien opdat deze zich zullen concentreren op het heil in Christus, om dan vanuit de bijbel naar elkaar te gaan luisteren enz. De niet te keren onderscheiding van fundamentele en niet-fundamentele artikelen zal dan vanzelf aan de orde komen. Maar de nadruk moet eerst vallen op het gesprek en wat men er op de gespreksplaats, die de Wereldraad is, van weet te maken. (blz. 43)
Gemakkelijker, maar toch nog moeilijk genoeg, is de vraag wat de gereformeerde kerk zelf moet doen. Allereerst vanzelfsprekend aansluiten bij de Wereldraad van kerken.
En dan moet verder de in Christus geconcentreerde belijdenis worden ingebonden en de libertas prophetandi (de vrijheid van profeteren) worden uitgebreid. Daarmee wil ds. V. niet de leerontwikkeling stil leggen. Dat zou ook nooit kunnen. Maar wel moet er de jiuidische sanctie, althans voorlopig, aan ontnomen worden, totdat de gehele kerk tot dit inzicht gerijpt is.
Ds. V. wil dus de modaliteiten-kerk, ondanks de moeilijheden die hij wel zegt te zien. Hij wil de pluriformiteit in de kerk. Dat beantwoordt het meest aan de kerkstructuur van het Nieuwe Testament.
De twee uitersten waartussen men zich zal moeten bewegen als men zich gaat zetten tot reductie van de belijdenis, zijn aan de éne kant Kuyper, die het hele belijden van de drie formuheren fundamenteel achtte, en aan de andere kant de te smalle basis van de Wereldraad.
Om tot reductie te komen moet men dus gaan onderscheiden tussen fundamentele en niet fundamentele waarheden. Het schriftbewijs van ds. V. is op dit punt wel uitermate zwak en weinig overtuigend. Hij drukt zich ook erg voorzichtig uit: „Voor mijn besef sluit de bijbel dit onderscheiden ook niet te enenmale uit". 'Hij verwijst naar 1 Cor. 3 : 2 (melk — vaste spijs) wat toch waarschijnlijk betrekking heeft op de vorm en niet zozeer op de inhoud van de prediking. Dan Hebr. 5:12, 13 (dingen, zwaar om te verklaren); en 2 Petr. 3 : 16 (sommige dingen zwaar om te verstaan).
In ieder geval kan men met deze teksten niet het onderscheiden tussen fundamentele en niet-fundamentele waarheden verdedigen.
Voor het genoemde onderscheiden beroept ds. V. zich echter vooral op Cajlvijn en Groen van Prinsterer. In een later gegeven toelichting stelt hij dan, dat het opstellen van een lijst van noodzakelijke waarheden niet een persoonlijke zaak, maar een kerkelijke en zelfs een interkerkelijke aangelegenheid is. Deze wordt geboren in de praktijk van de ontmoeting.
Ds. V. ziet wel degelijk in dat hij, om tot hereniginig — althans met de hervormde kerk — te komen, nog een ander punt aan de orde moet stellen. Het al of niet reduceren van de bestaande belijdenis is namelijk voor de hervormde kerk niet zo'n heet hangijzer. De hervormde kerk spreekt rustig van haar belijdenis en bedoelt daar dan mee de drie formulieren van enigheid; zie b.v. art. X K.O. Maar de hervormde kerk wil in gemeenschap met (niet in overeenstemming met) de belijdenis der vaderen ... belijdenis doen enz. En verder heeft zij het steeds over het belijden (dynamisch), en nooit over haar belijdenis (statisch). De hervormde kerk heeft kennelijk in het geheel geen behoefte aan reductie.
Dit is natuurlijk ook voor ds. V. we duidelijk. Men zal zich afvragen waarom hij aan deze reductie dan nog zoveel aandacht besteedt en die als volstrekt noodzakelijk voorstelt; temeer als het hem in eerste instantie te doen is om de hereniging tussen hervormde en gereformeerde kerk.
Ds. V. had, dacht ik, deze reductie nodig om nu met zijn tweede punt bij de hervormde kerk te kunnen aankomen. Het is duidelijk dat het verschil tussen de hervormde en de gereformeerde kerk vooral hierin gelegen is, dat de hervormden andere denkbeelden hebben over de binding aan- en de handhaving van de belijdenis dan de gereformeerden.
De hervormde kerk werkt t.a.v. de belijdenis praktisch uitsluitend met het „quatenus" (voorzover; binding aan de belijdenis voorzover deze in overeenstemming is met de bijbel).
Dit geeft aan de hervormde kerk een ruimte waar veel gereformeerden naar verlangen. Maar de hervormde kerk legt zoveel nadruk op het actuele belijden, op het belijden in het heden, dat het „quia" (omdat; binding aan de belijdenis omdat deze in overeenstemming is met de bijbel) van de drie formulieren er door wordt overschaduwd.
Als gereformeerd man wil ds. V. een lans breken voor het „quia". De kerk verbleekt en verziekt zonder het quia; er zijn eeuwige waarheden waarvan het leven der kerk afhangt.
Ds. V. wil dus de hervormde kerk terugroepen tot een zeker quia, maar dan moet hij eerst de belijdenis drastisch reduceren. De hervormde kerk keert nooit meer terug tot de drie formuleren van enigheid, aldus de overtuiging van ds.
V. En trouwens de gereformeerden kunnen daar ook niet bij blijven. En nu wil hij dat die twee naar elkaar toe komen; bij voorbaat is hij al bereid om een eind in de richting van de hereniging tegemoet te komen. Beide kerken moeten van hun eenzijdigheden af; de hervormde van het uitsluitend quatenus en de gereformeerde van het eenzijdig quia. „De gereformeerde kerk moet het antwoord-karakter van de belijdenis meer in het oog vatten; de hervormde kerk moet de weergave duidelijker laten spreken. De twee kerken moeten elkander vinden in een evenwichtiger verhouding tussen het quia en het quatenus, beide in de confessie aanwezig", (blz. 158)
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's