De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MAAR DE VRUCHT DES GEESTEN IS BLIJDSCHAP

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MAAR DE VRUCHT DES GEESTEN IS BLIJDSCHAP

8 minuten leestijd

Want hij reisde zijn weg met blijdschap Handelingen 8:39b

De Geest op Pinksteren uitgestort, is op aarde Zijn hemels werk komen doen. schrijft hierover in zijn brief aan de Galaten. Ons zijn hier op aarde, onze wandel, wordt bepaald door ons vlees. Vlees betekent in dit verband zondigheid en boosheid, onze verdorven natuur. Dit vlees kan het met de Geest niet vinden en omgekeerd ook niet. Want het vlees begeert tegen de Geest en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander. Wat het vlees, onze zondige aard, onze verdorven natuur, tot stand brengt, is niet best. Paulus somt het een en ander op, dat doet huiveren en alle reden geeft om ons diep te schamen, ons weg te schamen, vooral als we er aan gaan denken van welke kom-af we zijn, geschapen naar het beeld Gods. We lezen in de Galaten-brief een heel trieste opsomming.

De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinheid, ontuchtigheid, afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen en dergelijke; van dewelke ik u tevoren zeg, gelijk ik ook tevoren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet beërven. En hiermee is alles gezegd over onze levenswandel en over onze toekomst, als we op dit pad blijven, hier niet van afgaan, maar gewoon doorleven. Niet in het Rijk Gods ingaan, buiten het hemelse Paradijs blijven. En daartegen komt nu de Geest werken. De Geest is het hiermee heel niet eens. De Geest heeft er zorg over, dat we in deze zonden wandelen, dat we ons door ons vlees laten leiden. De Geest komt er alles aan doen om ons hiervan af te trekken, om ons om te buigen, om ons in een heel ander leven te zetten, namelijk in het leven van de Heere Jezus. Eén is er geweest, die niet in het vlees wandelde, dat is de Zoon van God. Hij wandelde in de Geest en deed wat des Geestes is en vervulde zo al Gods geboden. Ja meer dan dit, Hij heeft ook alle werken des vleses voor Zijn rekening genomen en heeft er de straf Gods voor aanvaard, de straf, dat we met de werken des vleses niet het Koninkrijk der hemelen in kunnen gaan. Alles heeft de Heere Jezus er voor meegemaakt als Borg en Middelaar en zo voor vleselijke mensen het leven des Geestes verworven. En daar werk de Geest nu aan om zondige mensen in de Heere Jezus te brengen, opdat zij dit leven deelachtig zullen worden. Ook dit brengt vruchten voort. Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.

Maar de vrucht des Geestes is blijdschap. Hiervan spreekt onze tekst, een man, die zijn weg met blijdschap gaat. Daar hebben we op zijn tijd allemaal wel zin in. We zoeken bij voorkeur niet de verdrietige kant van het leven op. Waar narigheid is en tranen zijn, komen we niet graag. We zoeken liever opgewekt gezelschap op, waar je schik kunt makenden eens hartelijk lachen kunt. Daar had die jongen ook barre zin in, die aan zijn vader vroeg, of hij zijn portie, zijn erfdeel, niet krijgen kon. Hij miste de vrolijkheid thuis, daar werden zo weinig feestjes gevierd, daar was het steeds maar werken. Dit lijkt ons eigenlijk geen van allen. We willen er eens uit, we willen een genoegelijk avondje, we willen op zijn tijd plezier maken. We willen graag van ons leven een plezierig tochtje maken met geen tegenspoed, geen verdriet, geen teleurstellingen, geen tranen, geen rouw, geen smart.

Waar zijn wij mensen nu blij mee te maken? Met de dingen van deze wereld, met geld en goederen, met vermaak, met de verzadiging van ons vlees, van onze begeerten en lusten, met wat deze wereld aan begeerlijkheden oplevert. Daar krijgen we nooit genoeg van. De man uit de gelijkenis van de Heere Jezus leefde overdadig. Hij kon krijgen wat zijn hartje begeerde, volkomen in tegenstelling met de bedelaar, die praktisch dagelijks vertoefde aan één van de poorten, die toegang gaven tot zijn prachtige woning. Zo'n leven, waarin je elke dag vrolijk kunt leven en je je geen zorgen behoeft te maken over je levensonderhoud, lokt de meeste mensen wel bijzonder aan. Is dit het nu, deze blijdschap, die aan ons leven vulling, zin en doel geeft, waar Paulus van schrijft, dat het een vrucht des Geestes is? Merkwaardig, hoe gezellig die jongen het ook gehad moge hebben, en wat een schik en plezier hij ook gemaakt moge hebben en al heeft hij met zijn vrienden nog zo vaak kunnen lachen, echt blij heeft het hem niet gemaakt. Hij is tot de ontdekking gekomen, dat zo'n leven een mens dood-ongelukkig maakt en hij kon wel huilen van berouw en wroeging, dat hij in die dingen zijn blijdschap gezocht had. En met die rijke man liep het ook slecht af, zijn blijdschap veranderde in verschrikkelijk wenen.

Toen hij zijn ogen opsloeg, was hij in de pijn, in de plaats van de buitenste duisternis, waar wening is en knersing der tanden. Dus deze blijdschap is het niet, waar we gelukkig mee zijn, die een vrucht des Geestes genoemd wordt door Paulus. Waar heeft dan de man van onze tekst zich blij mee gemaakt.

Deze man was er eigenlijk tevoren heel niet zo gelukkig aan toe en hij had weinig reden om blij te zijn. Hij voelde zich verdrietig, want hij had een onbevredigd gevoel. Dit kon niet komen door de positie, die hij bekleedde, die was belangrijk genoeg en leverde hem ook meer dan genoeg op. Hij had een vertrouwenspost aan het hof van de koningin van het Morenland. Maar gelukkig was hij niet ondanks dit, dat het tegendeel zou doen verwachten. Hij had geen vrede, hij miste iets, dat met geld en eer en roem niet goed te maken is. Hij werd verteerd door een verlangen om vrede met God te hebben en dat kon hij maar niet vinden. Hij vond het niet in zijn godsdienst thuis. Hij vond 't ook niet in Jeruzalem, waar hij zoveel verwachtingen van gehad heeft, want daar was toch eigenlijk het centrale punt van de godsdienst. En teleurgesteld ging hij weer naar huis terug met een boek, waarin hij zat te lezen op zijn wagen, maar gelukkig maakte het hem niet. En dit is nu juist het werk van die Pinkster-Geest, mensen ongelukkig maken met zichzelf, met hun geld, met hun mooie positie, met hun eigen godsdienst. Ongelukkig maken door onze ogen te openen voor ons gemis, voor de onvrede, voor onze zonde, voor onze verlorenheid.

Wat wordt er dan gezocht en gevraagd en gelezen en gepraat en geweend en geworsteld. Stad en land wil je wel afreizen, als je maar vrede voor je ziel zult vinden. Wat hebben we een verwachting van mensen, van ontmoetingen met mensen en toch geeft het je de vrede niet. Daar zit die Moorman met al zijn ongeluk, heel niet blij en maar lezen en toch geen vrede er in vinden. En daar werkt de Geest nu in. Niet om je zo ongelukkig te maken en te laten, maar om plaats te maken voor Hem, met wie je alleen werkelijk blij kunt zijn. Daar gebruikt de Geest mensen voor, predikers, die hij daar heen zendt, waar ze op zon moment precies nodig zijn. De Geest weet overal van, van dat tobben en zoeken, van dat ongelukkig zijn en verlangen. Wat een goedheid van die Pinkster-Geest!

Waar maakt de Geest blij mee? Aan deze man wordt de Heere Jezus verklaard, de lijdende Heiland, die al de zonde heeft geboet, die verzoening heeft gewrocht en zo bevrijding tot stand heeft gebracht. Daar zit die man te luisteren naar evangelist Filippus. Zijn verstand wordt verlicht, zijn hart geopend, hij drinkt in wat deze prediker hem vertelt. Tot geloof wordt hij gebracht, aan Christus geeft hij zich over, in Hem raakt hij zichzelf kwijt met zijn ongelukkige toestand, met zijn zonden, met zijn onvrede, met zijn gemis. Hij venliest zich volkomen in de Zaligmaker en krijgt van Hem al de schatten des heils. Wat een heerlijk werk doet die Pinkstergeest.

Christus wordt in zijn hart verklaard, de Verzoener en Behouder. Met Christus wordt hij verenigd, zodat hij alles heeft wat Christus heeft, zo een kind van God mag zijn, die als een Vader hem alle liefde en hulp en troost en bewaring en verzorging schenkt. Nu vrede in zijn hart, met God bevredigd en zo in God verblijd! Daar kun je ook werkelijk blij mee zijn! Want dit blijft, dit kan niet veranderen, dit kan niemand van zijn waarde beroven. Dit is een geluk, een zaligheid, die boven alles uitsteekt, die meegaat door de dood heen en door het graf heen. Hier op aarde verlustigen Gods kinderen zich al in al de schatten, die de hemelse Vader schenkt, zodat ze niet lopen te jammeren en te treuren om allerlei dat ze van de wereld missen. Wat zou het, al kun je niets op aarde vinden, dat je opbeurt, al bezwijkt dan ooit in bittere smart of bange nood mijn vlees en hart, toch blijdschap, omdat God zal zijn voor mijn gemoed mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed! In dit leven met God door het geloof in Christus Jezus is een diepe vreugde. Maar de vrucht des Geestes is blijdschap!

(Barneveld)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MAAR DE VRUCHT DES GEESTEN IS BLIJDSCHAP

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's