De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

12 minuten leestijd

Enige tijd geleden citeerden we in ons persoverzicht enkele gedeelten uit een verslag dat het Hervormd Weekblad gaf van de preek die dr. Gravemeyer te Leiden gehouden had ter herdenking van de bevrijding. De schrijver in het Hervormd Weekblad betuigde zijn instemming met hetgeen door dr. Gravemeyer daar gesproken werd, en ook wij van onze kant namen weer dit schrijven met instemming in onze rubriek over.

De centrale kerkeraad der Herv. Gemeente te Leiden denkt daar echter blijkbaar anders over.

In de Nieuwe Leidse Coiurant van 24 mei is namelijk te lezen in een uitvoerig artikel onder een vetgedrukte kop over 3 kolommen dat de centrale kerkeraad van Leiden afstand neemt van de uitlatingen van dr. Gravemeyer op 5 mei. Bij het artikel is zelfs nog een foto afgedrukt van de voorzitter van de centrale kerkeraad, ds. Van Achterberg.

De Nieuwe Leidse Courant, die het weer overgenomen heeft uit Hervormd Leiden, vertelt ons dat de centrale kerkeraad in zijn vergadering zich uitvoerig heeft beziggehouden met deze uitlatingen van dr. Gravemeyer, om daarna met algemene stemmen en enige onthoudingen te besluiten zich van deze uitspraken te distanciëren (met alle respect voor dr. Gravemeyer) en dit in Hervormd Leiden te publiceren. Het betreft dan voornamelijk de uitlatingen over het schrijven van de synode over de kernbewapening. De kerkeraad wil daarmee niet zeggen dat hij het in alles met dit synodale schrijven eens is of dat ieder het er mee eens moet zijn; dat is niet aan de orde. Men mag het er gerust moeilijk mee hebben. Het gaat de kerkeraad alleen maar om het geestelijk gezag van de synode dat door de uitlatingen van dr. Gravemeyer aangetast zou zijn. De synode spreekt wel niet met encyclieken, bullen en pausehjke onfeilbare uitspraken, maar toch mag verondersteld worden dat iedere Hervormde aan de uitspraken van zijn Generale Synode groot gezag zal toekennen, geestelijk gezag:

Hij zal slechts in grote eerbied, in broederlijke liefde en met grote aarzeling distantie nemen als hij iets anders in de Schrift meent te beluisteren. Alle liefdeloosheid, hardheid van oordeel, alle zweem van rebellie tegen de kerkelijke overheid zal hem vreemd zijn. Een goed Hervormde zal deze broederlijke liefde en voorzichtigheid in een persoonlijk gesprek reeds, maar zeker op de kansel in acht nemen. Hier staat hij immers op de plaats waar het Woord wordt bediend en niet op een vrije spreektribune, waar eigen mening ten beste wordt gegeven.

Het kan natuurlijk niet onze bedoeling zijn ook maar enigszins in te gaan op de uitlatingen van dr. Gravemeyer zelf. We hebben alleen maar enkele kranten-verslagen van uitlatingen van oorgetuigen. We willen volstaan met slechts onze verbazing uit te spreken over de reactie van de centrale kerkeraad van Leiden. Deze neemt afstand van de gang van zaken in de roomse kerk, zo lezen we, door een synodaal schrijven niet op één lijn te stellen met encyclieken, bullen en pauselijke onfeilbare uitspraken. Maar juist om die reden hadden we verwacht dat deze kerkeraad zich wat radicaler had gedistanciëerd van de roomse kerk. In de uitlatingen van de centrale kerkeraad wordt namelijk met zoveel woorden geredeneerd vanuit de 'hiërarchie. Dr. Gravemeyer zou namelijk in zijn uitlatingen het geestelijk gezag van de hoogste vergadering der Kerk hebben aangetast. Nu dacht ik dat in onze kerk het Woord Gods nog altijd het hoogste en enige gezag had en niet de synode. Dan betekent dat, als het Woord Gods ambtelijk bediend wordt in de officiële dienst des Woords der gemeente, dit niet zoveel en zeker niet minder geestelijk gezag heeft dan de officiële uitspraken van de hoogste vergadering der kerk. En nu mag ik verder wel volstaan met het citaat uit de Nieuwe Leidse Courant (zie boven) te richten aan het adres van de kereraad van Leiden zelf, met het verzoek of ze hun eigen woorden eens ter harte willen nemen. Ik weet niet of de kerkeraad in zijn schrijven nu wel in grote eerbied, in broederlijke liefde en met grote aarzeling distantie neemt omdat hij in de Schrift iets anders meent te beluisteren als wat in de prediking des Woords op de kansel gezegd werd. Is de kerkeraad op deze wijze niet bezig het geestelijk gezag van de ambtelijke prediking des Woords te ondermijnen, zodat hij in het onderhavige geval niet anders doet dan kwaad met kwaad vergelden?

Nog afgezien van de vraag of dr. Gravemeyer terecht of ten onrechte sprak in de gewraakte uitlatingen, moet het toch de kerkeraad wel duidelijk zijn dat hij in het afwikkelen van deze dingen heel beslist niet de bijbelse weg heeft bewandeld.

We waren enigszins verrast toen we in het volgende nummer van In de Waagschaal een volgend artikel aantroffen van de hand van K. Heeroma onder de titel De slapende kerkganger. Zoals we ons zullen herinneren, schreven we over dit artikel reeds in ons laatste persoverzicht.

Het is betamelijk dat we nu ook even terugkomen op dit vervolgartikel, want blijkbaar heeft de heer Heeroma de zaak niet willen laten zitten in de ontmoedigende en uitzichtloze ontboezemingen waarmee hij zijn vorige artikel eindigde. Hij zag toen geen andere oplossing dan maar leentjebuur te gaan spelen bij de liturgisch rijkere kerken, maar hij vond het toen meteen maar praktischer en eenvoudig om dan meteen maar Rooms- Katholiek,  Orthodox, Anglicaans of Luthers te worden.

Maar, zoals gezegd, de schrijver laat het bij dit negatieve toch niet zitten en doet in zijn volgend artikel een veel positievere oplossing aan de hand.

Het resultaat van dit „liturgie-lenen" ibij andere kerken adht hij twijfelachtig; en dat temeer, zo schrijft hij, wanneer wij zien dat ook kerken met een rijkere traditie gedurende de laatste eeuw niet aan de ontkerkelijking ontkomen zijn. Ik geloof dat we er goed aan doen als we dit laatste vooral eens goed in ons oor knopen. Nee, we kunnen bepaald niet zeggen dat de kerken met een rijkere liturgie en traditie — met name in landen met een zelfde cultuurpatroon als het onze — kans gezien hebben kerkgangers te binden, kerkgangers te boeien en kerkgangers te scheppen. Willen we daar even goede nota van nemen, dan kunnen we nu verder gaan met te luisteren naar de heer Heeroma.

Welnu, het blijft waar dat alleen de liturgie ons zal kunnen helpen om weer een plaats in de kerk te vinden. „In principe moet het mogelijk zijn de kerkbezoeker, die zijn zithouding maar niet kan vinden en tevergeefs probeert zijn geeuw te onderdrukken, te leren knielen en opstaan, te leren vragen en antwoord geven".

De schrijver is zich bewust dat de dingen niet zo gemakkelijk liggen, maar toch ziet hij mogelijkheden en lichtpunten. Hij schrijft:

Het is gemakkelijker gezegd dan gedaan, dat het aandeel van het koor in de liturgie, het menselijke en dus het meest bewegelijke deel, van dag tot dag vernieuwd kan worden. Maar als er niet voldoende variatie in de teksten is, wordt de stem van het koor al spoedig even vervelend als de machteloze declamaties van de liturg en beginnen wij als kerkbezoekers, op weg naar het beloofde land des gemeenschaps Gods verdwaald in de woestijn der liturgie, terug te verlangen naar de ook wel vervelende, maar tenminste pretentieloze kerkdiensten, als naar de vleespotten van Egypte. Moet deze twijfelende stem het laatste woord hebben? Wordt de speculatie over de liturgie al te weinig gesteund door de waarneming? Ik geloof toch dat er ook voor de waarnemer nog wel iets te verwachten valt. Ik heb zojuist gezegd, dat de dichters nog maar pas weer begonnen zijn te dichten en de musici te musiceren. Maar dat betekent, dat zij in ieder geval weer begonnen zijn en dat is uitermate belangrijk. Tot voor kort was bij ons de liturgie merkwaardigerwijs vrijwel uitsluitend een zaak van theologen. In de liturgie moet echter de stem van de kerkganger minstens even sterk klinken als die van de voorganger en de kerkganger is geen theoloog en moet dat zeer bepaald ook niet zijn. Het is zelfs de vraag of de voorganger in de liturgie wel in de eerste plaats theoloog moet zijn. Hij moet in de eerste plaats immers verstand hebben van taal, want God heeft zich nu eenmaal geopenbaard in taal en niet in theologie. De dienaar is niet meer dan zijn meester en als God zich heeft verwaardigd in te gaan in mensentaal, met alle consequenties van dien, moet de liturg het niet beneden zijn theologische waardigheid achten om in volle omvang en in volle diepte taalman te worden. Maar in ieder geval antwoordt de kerkganger op het woord dat tot hem komt in mensentaal en de vormgeving van zijn antwoord moet dus een aangelegenheid zijn van de vaklieden op het gebied der mensentaal, de dichters. In de laatste tien jaar zijn er inderdaad enkele dichters in opdracht van de Nederlandse Hervormde Kerk begonnen met een nieuwe vormgeving van het antwoord der gemeente.

Er volgen dan de namen van wat moderne dichters die in opdracht van de kerk aan het werk zijn. Dat zijn natuurlijk uitzonderlijk belangrijke mensen, want dat zullen dan zijn de kerkgangerbinders, de kerkgangerboeiers en de kerkgangerscheppers. Het voortbestaan van de kerk hangt nu dus af van wat dichters; en dat alles dan met het trieste voorbeeld voor ogen van liturgie-rijke kerken rondom ons heen (zie boven). Overigens staan we nog aan het begin van dit avontuur en past ons vooralsnog alleen maar afwachten. Of om het met de woorden van de schrijver te zeggen: „Wij moeten blijven geeuwen, zolang wij niet kunnen spreken en wij kunnen niet spreken, zolang de liturgie ons geen stem geeft."

U zult kunnen begrijpen wat er in ons omging toen we tegen de zwarte achtergrond van „de slapende kerkganger onder ogen kregen een verslag van een lezing die prof. Jonker gehouden heeft voor een plaatselijke afdeling van de gereformeerde bond. We moeten weer naar Leiden en weer putten uit de Nieuwe Leidse Courant. In het nummer van 7 juni lezen we dit verslag, met dezelfde opmaak als het hierboven aangehaalde artikel. Er staat boven: Prof. Jonker acht zachtzinnige liturgische revolutie in Geref. Protestantisme niet opgepast. In het verslag lezen we o.m.:

De inleider meende, dat in Geref. kringen de waarheid te zeer wordt benaderd als systeem, terwijl zij juist appellerend en dialogisch is. Liturgie is in wezen niets anders dan dat de waarheid Gods, die in de prediking tot ons komt, zo met de mensen bezig is, dat dezen reageren, antwoord geven op het spreken Gods. In de preek maakt de voorganger het eigenlijke woord van God, dat spreekt uit de Schriftlezing en de tekst voor de preek, reëel, concreet in de eigen situatie en ruimte. Wij mogen daar dan ook niet als toehoorders zitten. Prof. Jonker noemde zes reacties bij de Gemeente op de verkondiging van het Woord: schuldbelijdenis, lofprijzing, de onderlinge gemeenschap, de deelneming aan het heil, de offerande en het dienstbetoon in en buiten de samenkomst der Gemeente. Op deze wijze ontstaan er mogelijkheden om. los te komen van het hoor-gemeente-zijn. Zo kan de dynamiek van het Woord Gods werkzaam zijn in de Gemeente.

We willen beginnen met op te merken dat het uitgangspunt der genoemde twee totaal verschillend is. Voor de heer Heeroma heeft de preek wel volledig afgedaan; die was alleen bruikbaar als slaapmiddel en dus slechts te hanteren in de tijd van de slapende kerkganger. Nu die wakker geworden is, moeten we dus meteen van de preek af. Voor prof. Jonker is een verdere uitbouw van de liturgie nodig opdat daardoor de gemeente zou werkzaam zijn met- en antwoord zou geven op de prediking. Maar het is de vraag of het verschil wel zo groot is als het lijkt. Zijn beide heren niet (misschien onbewust) uitgegaan van de mode van deze tijd en hebben ze er toen niet achteraf min of meer dwingende redenen bij gezocht? Het is maar een vraag. Prof. Jonker laat zich de dingen wel door Calvijn vóórzeggen.

Maar men laat tegenwoordig Calvijn heel veel dingen zeggen en doen; in de literatuur zijn zelfs voorbeelden aan te halen dat Calvijn zichzelf blijkbaar keihard tegenspreekt. Zo hebben wij in ons land (volgens het verslag van de lezing) de liturgie van Geneve; maar nu is deze net weer niet van Calvijn. Ik denk, — al wordt dat niet met zoveel woorden in het verslag vermeld —, dat we meer de liturgie van Straatsburg moeten hebben die dan wel van Calvijn zal zijn. Ik kan daar niet over oordelen, maar op zijn minst komt me dit toch vreemd voor; ik zou stellig het omgekeerde verwachten op grond van de histoirische gang van zaken wat betreft de positie van Calvijn in Geneve naast Straatsburg.

Prof. Jonker wees verder nog op de doorbraak in het begin van deze eeuw. Die was weliswaar niet zonder romaniserende en sacramentalistische tendenzen, maar toch zeer stimulerend. En dan waarschuwt hij ook nog tegen een esthetisering, een sacramentalisering en een traditionalisering van de kerkdienst. Onze diensten moeten reformatorisch blijven. Vurig hopen we dat prof. Jonker vooral ook zelf zijn eigen waarschuwingen blijvend ter harte zal willen nemen.

Het wordt overigens wel erg ingewikkeld. In een tijd waarin alom bitter geklaagd wordt over de ontstellende onkunde in de gemeenten, moeten we nu tijd van prediking en onderwijs afnemen opdat de gemeente meer gelegenheid krijge om met het evangelie werkzaam te zijn en daar antwoord op te geven. Natuurlijk moet er werkzaamheid en antwoord van de gemeente zijn. Maar ik heb altijd het luisteren in de diepste zin van het woord, het luisteren naar de boodschap Gods zulk een enorme werkzaamheid gevonden. Niet alleen maar aanhoren, maar luisteren. En dan het antwoord-geven heb ik me steeds met name gedacht in het leven van alle dag, zonder daarbij natuulijk de activiteit van de gemeente tijdens de kerkdienst zonder meer af te schrijven. De Schrift vergelijkt het Woord Gods met een regen die geleidelijk neervalt en dan de aarde doorvochtigt; en niet bij een blikseminslag waar meteen een rookpluim en een uitslaande vlam op volgt.

Ik ben echt bang voor een liturgische revolutie, want ik vrees een nog meer verstenen van de kerkdiensten, of, wat in onze tijd heus niet zo ondenkbaar is, een afglijden in de richting van een heidense magie. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's