Kroniek
Afrika en het Kruis — Over het spoor door Bavinck getrokken — Een opzienbarende rede.
Afrika is dezer dagen meermalen in het nieuws. Een felle strijd is daar gaande. Een strijd voor vrijheid en recht.
Tot welk een felheid het daarin kan komen is kort geleden gebleken op een internationaal congres voor de arbeid in Geneve. Men wilde de Zuid-Afrikaanse afgevaardigde het spreken verhinderen; de zitting werd door vele afgevaardigden verlaten, geboycot, en zelfs tengevolge van de vijandschap tegen Zuid- Afrika met welks afgevaardigden de meerderheid der anderen niet wil confereren, is het congres verdaagd. Begrijpelijk deze ver daging van het congres. Maar het is een betreurenswaardig staal van het geweld, waaitoe verhitte gemoederen, elkander opzwepend, kunnen komen.
Maar mijn bedoeling was niet om de aandacht te vestigen op dit vooival op wereldlijk vlak. Er is in het ontwakend Afrika een worsteling gaande op religieus terrein, een strijd om het hart der volkeren te winnen voor Christus. Onze zending werkt daar, tot hulp voor de inlandse kerk in Kenya. Een taalgeleerde werd pas daarheen afgevaardigd, om die arbeid te steunen. In Kameroen, waar de Zending der Herv. Kerk met de kerk daar werkt, is het evenzo. Doch er zijn nog andere, naar getal en krachtsontplooiing, veel machtiger bewegingen. De Islam zet alles op alles, om de inlanders, die hun stamgoden vaarwel zeggen, te brengen tot de dienst van Allah en zijn profeet.
Voorts ontplooit een „neo-heidense" religie haar actie. Dit neo-heidendom is vermengd met enkele ideeën aan het christendom ontleend. De leider van deze stroming — ze is in wezen heidens — is Nkroema van Ghana, die zich „de heiland van Afrika" noemt en met zijn religie de eenheid van geheel Afrika beoogt.
Ook het communisme laat zich in deze worsteling gelden, en tracht met zijn idealen van het paradijs hier beneden, de volksziel van Afrika te winnen. „Trouw" heeft onlangs in twee artikelen — het laatste stond in het nr. van 5 juni jl. — op deze strijd om Afrika de aandacht gevestigd.
Van deze anti-christelijke stromingen, is de Islam wel de sterkste. Eens heeft hij de christelijke kerk in Noord-Afrika overwonnen en verdreven. In zijn mooie boek getiteld „Augustinus", vertelt dr. O. Noordmans, dat in de tijd, dat Monnica's grote zoon bisschop was van Hippo — het was rondom 400 na Chr. — er 500 bisdommen waren in het gebied, dat wij nu kennen als Marokko en Algiers. Omstreeks het jaar 1000, was er nog maar een enkele diocese. De Islam had heel het terrein veroverd en heerst er nog. Naar de norm, die Gamaliël in Hand. 5 : 38 en 39 stelde, zou de kerk daar in N. Afrika niet „uit God", maar „uit de mensen" zijn geweest. Doch Gamaliël, realist als hij was, wilde een oordelen naar wat te zien was. Dodh gezien in eeu'wigheidsHcht, heeft hij waarheid gesproken. Diep geestelijk gezien is het waar „wat uit de mensen" is, gaat te niet; wat „uit God is" kan niet gebroken worden.
En daarom, met Christus' zaak in Afrika staat het niet hopeloos. Waar het Evangelie van Kruis en Opstanding gepredikt wordt, werkt de Geest, Die de harten verovert. Dat sterkend geloof zij onze mannen en vrouwen in Kenya, en elders uitgezonden, rijkelijk ten deel. Ze werken niet voor een verloren zaak. Aan ons is de roeping om in het geloof met hen te worstelen om de zege van het Kruis in Afrika. In woord en daad. De actie „Brood voor het hart" — slechts in één onzer gemeenten mocht ik een collecte daarvoor afkondigen; ik hoop, dat meerdere gemeenten er aan meegewerkt hebben, of het nog zullen doen! — kan ook tot dat doel een middel zijn. Niemand onzer onthoude zijn steun daaraan.
In „Woord en Dienst", het officiële orgaan der Ned. Herv. Kerk heeft dr. Buskes in de rubriek „Zij trokken een spoor" geschreven over wijlen dr. Herman Bavinck. Naar mijn smaak is het een zeer geslaagd artikel.
Komt het misschien, omdat de schrijver zijn hele leven niet los van Bavinck is, omdat Bavinck ook in zijn leven een spoor heeft getrokken? Met die belijdenis vangt Buskes zijn bijdrage aan. En daarin ligt, naar ik meen, wel de hoofdoorzaak, dat ik dit artikel „geslaagd" kan noemen. Men proeft telkens, welk een invloed prof. Bavinck, zeer bepaald op dr. Buskes heeft uitgeoefend, door persoonlijk contact, doch niet minder door zijn colleges. Hoe gegrepen de studenten door die colleges konden zijn, moge blijken uit wat dr. Buskes daarover ook hier—in „Woord en Dienst" dd. 25 mei jl. — schrijft. „Ook hier", zeide ik. Want in zijn boek „Hoera voor het leven", schreef hij datzelfde reeds. Het betreffende verhaal luidt als volgt:
„Als Bavinck in het smakeloze en verveloze zaaltje aan de Keizersgracht college gaf, kon het gebeuren, dat hij zo vervuld werd van de heerlijkheid Gods, dat hij ons vergat en al sprekende door het raam naar buiten staarde in eindeloze verten, want Gods heerlijkheid is eindeloos, en we zaten sprakeloos te luisteren en werden ingeleid — voor ons gehele leven — in het heilgeheim van de Eeuwige en Almachtige, die in Jezus Christus onze genadige Vader is. Ik voelde als student dan dezelfde ontroering, die ik als kind soms voelde, wanneer Vader aan tafel met ons bad. Ik weet maar één woord, waarmee ik dit alles kan aanduiden: gereformeerde vroomheid, die ik blijf beschouwen als een zeer kostbaar goed."
Ik had het ook over „persoonlijk contact". Dr. Buskes verhaalt, dat hij eens met vier andere studenten bij Bavinck thuis was geweest om te spreken over de moeilijkheden, die ze hadden met het geloof in de wederopstanding des vleses. Een hunner zei, daarin niet te geloven. Prof. Bavinck vroeg in dat gesprek, wie niet in de opstanding des vleses geloofde. De betrokkene kreeg een kleur. En toen Bavinek hem de pertinente vraag stelde: „Kunt u dat heus niet, meneer? " aarzelde de aangesprokene en zei toen: „Nee, professor, ik kan het heus niet!" „Dan moet u het ook niet doen meneer", zei Bavinck. Maar toen begon hij op zijn bijzondere wijze het vijftal te zeggen „wat het geloof in de wederopstanding des vleses voor hem betekende". Buskus besluit dit deel van zijn stuk met de woorden:
„Voor die ene was het een bevrijdende en voor de vier anderen was het een een bevrijdende en besdhermende avond". Ik had wel gaarne gewild, dat Buskes over wat Bavinck daar verder van heeft gezegd ons nog had ingelicht. Doch dit terloops.
Prof. Bavinck is wel en zeldzame persoonlijkheid geweest. Eens heb ik hem gehoord, in een kleine kring. Een der aanwezigen kwam toen met hem ie debat en diende zich aan als een atheïst, ik herinner mij van het antwoord, dat Bavinck hem gaf, niet veel meer. Het is ook wel meer dan veertig jaren geleden. Maar dat antwoord was ontwapenend, het werd gedragen door een besef van smart over zulk een verklaring, tevens wijzend naar de bron van echte rust en vrede, die de debater niet had!
Prof. mr. A. Anema heeft Bavinck, naar Buskes verhaalt, eens gekarakteriseerd als „een afgescheiden dominee en „een representant van de moderne cultuur".
Ik geloof met dr. Buskes, dat dit een treffende karakteristiek is. „In die twee-eenheid lag de betekenis van Bavinck", zegt Buskes.
Wie de dissertatie van dr. Bremmer „Herman Bavinck als dogmaticus" heeft bestudeerd zal ongetwijfeld in het daar geschetste de karakteristiek van prof. Anema bevestigd vinden. „Bavinck", zo heeft iemand eens gezegd, „behoort aan alle kerken". Inderdaad. Hij trok een spoor, dat geenszins uitgewist is. Ik zie met verlangen uit naar de door dr. Bremmer beloofde levensschets van deze grote in Gods Koninkrijk.
De deining, die de verschijning van het geschrift van de Generale Synode der Nederlands Hervormde Kerk over de kernbewapening in het kerkelijk en politieke leven van ons volk heeft teweeggebracht, werkt nog steeds door. De reacties daarop, pro- en contra, zijn nu bijna een jaar na de publikatie van het gevoelen der Synode, niet verstomd. Voor het „Convent voor een nieuw politiek ethos" heeft prof. dr. H. Berkhof uit Leiden, over dit synodaal schrijven gerefereerd. Hij heeft dit gedaan op de hem eigen wijze. Prof. Berkhof heeft de gave om, wat hij heeft te zeggen, glashelder en „to the point", direct op het doel gericht, zijn gehoor voor te leggen; in zijn preken, zijn geschriften en in zijn redevoeringen. Zo was het ook in deze rede voor genoemd „convent". Prof. Herman Ridderbos, die Berkhof's betoog onder de loupe neemt in G.W. (uitgave Kok) van 14 juni jl., spreekt daarvan als „een opzienbarende rede". Dat is ze ook. Niet zozeer, omdat uit de rede bleek, dat prof. Berkhof voluit met dat „getuigenis" van de Synode instemt. Dat kon ieder verwachten, die Berkhof's standpunt in deze aangelegenheden kent. Hij is een uitgesproken voorstander van „eenzijdige ontwapening". De rede was „opzienbarend", om de consequenties, die hij meende aan een afwijzende houding inzake het synodale stuk te moeten verbinden.
Prof. Berkhof noemt het stuk der Synode „profetisch" en „pastoraal". De kerk is met dit rapport in de „status confessionis", d.w.z. zij doet hier belijdenis van een geloofsstuk. Men kan om dit stuk niet vrijblijvend heen. Men moet „kiezen of delen".
Prof. Berkhof meent, dat in dit rapport het gezag der kerk in geding is, dat de kerkelijke tucht in zicht komt. „Men kan nu niet meer zeggen", zoals wel pleegt te geschieden, „ik ben gewoon hervormd". „Thans wordt", zo beschrijft prof. Ridderbos de situatie, „de allen tot verantwoording roepende vraag gesteld: wat dunkt u van „het Kernrapport".
Wanneer iemand het met dit rapport oneens is, „eist de eerlijkheid" meent prof. B., dat hij een gravamen (bezwaarschrift) indient. Zo wordt, al naar gelang de uitspraak daarover uitvalt, de keus gesteld: „Blijven of heengaan". Prof. Berkhof meent, blijkens verslag in „Trouw", dat de kerk hier „midden in de antithese" is. „Ze zit er midden in en moet nu het kruis van de antithese dragen".
Ik ga niet verder met het weergeven van de bedoelde rede. Alleen nog dit: prof. B. zegt ook iets van de legerpredikanten met betrekking tot het rapport. Hoor slechts: „Instemming met het rapport moet als voorwaarde gesteld worden om als legerpredikant op te treden". Volgens het „Trouw"-verslag zei prof. B. letterlijk: „Eigenlijk zou de kerk moeten zeggen, dat haar dienaren geen legerpredikant mogen worden, tenzij men een gravamen indient".
Prof. B. is hier veel krasser dan hij ooit in verband met de meest linkse uitspraken van vrijzinnigen zich heeft geuit.
Naast wat hij heeft gezegd, stel ik nu wat naar het persverslag, dr. Gravemeyer in een dienst ter herdenking van de bevrijding in Leiden zeide, namelijk dat geen hervormd militair het synodale stuk behoefde te gehoorzamen. De Centrale Kerkeraad der Hervormde gemeente van Leiden heeft zich, met alle waardering voor de persoon van dr. Gravemeyer, van deze uitspraak gedistan. . . Zo meldde een Leids persorgaan.
Prof. B. en dr. Gr. zijn beiden leidende figuren in de kerk. Ze kunnen zeker gereend worden onder degenen, die „een spoor trekken". En toch ... welk een verschil op dit punt. Verwarring der geesten? Ach ja, dat zeker. Maar ik moet denken aan wat de Heere Jezus zei van „een huis tegen zichzelf verdeeld". Ieder weet wat volgt.
Een ding kan ons troosten en moet dat doen. Dat Christus Zijn Kerk in stand houdt en bij Zijn Evangelie bewaart, waar ook ter wereld. Dat geeft het uitzicht in alle verwarring en vertroebeling. Achter die Cristus is het veilig. Hij is de Weg, temidden van alle doolwegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's