Rondom het belijden der Kerk
2
Ds. V. moet nu dus in zijn boek een — voor hervormde oren — veel penibeler punt gaan aansnijden: Handhaving van- en binding aan de belijdenis.
In het boek wordt aan dit punt nog al veel aandacht besteed. Ds. V. stelt drie themata:
a. Vastheid en veranderlijkheid.
b. Letterlijke binding.
c. Inhoud en vorm.
Bij Kuyper grijpen ze wel eens in elkaar; maar Kuyper stelt wel de vastheid van de belijdenis alsook de letterlijke binding. Ook Dordt ging daar van uit. De vastheid impliceert echter wel de veranderlijkheid. De vorm kan veranderd worden, de inhoud niet. Zo is de belijdenis een „feilloze weergave".
Men zou mogen denken dat „vastheid" en „veranderlijkheid" met elkaar in tegenspraak zijn, maar Kuyper heft die op met het „jus discretionis" (het recht van onderscheiding). Echter niet ieder persoonlijk heeft dat recht; het komt alleen de kerk in haar geheel toe.
Volgens ds. V. is deze oplossing van Kuyper, het jus discretionis dus, onhoudbaar. Het eind is er van zoek. Kuyper springt trouwens zelf ook weer uit zijn conceptie; hij wil geen slaafse binding aan de letter. Niettemin houdt de gereformeerde kerk vooral vast tot nu toe aan de „vastheid" en zij besteedt nauwelijks aandacht aan de „veranderlijkheid". Ter illustratie noemt ds. V. de inleiding van het werk van Polman over onze Ned. Geloofsbelijdenis. Polman keert zich daarin tegen het quatenus en tegen de „wezen en hoofdzaak" opvatting. Hij verwaarloost dat er in de vorige eeuw naast een „links" ook een „rechts" „wezen en hoofdzaak" was, en dat het quia zonder aanvulling van een quatenus onhoudbaar is.
Wat de letterlijke binding aan de belijdenis betreft, deze werd voorgestaan door Dordt, Kuyper en Polman; niet door Calvijn en Groen van Prinsterer.
Ds V. toont de onhoudbaarheid van de letterlijke binding aan met de bekende voorbeelden uit art. 4 en 35 van de N.G.B. (Hebr. brief zou van Paulus zijn, en Judas zou aan het H. Avondmaal aangezeten hebben).
Op twee manieren probeerde men de letterlijke binding te verdedigen. Kuyper deed het met het jus discretionis, maar b.v. Grosheide en Polman wijzen op een uitspraak van de Synode van-La Rochelle (1607).
Daar werd uitgesproken, dat de belijdenis alleen kracht en gezag heeft in hetgeen zij wil belijden. Art. 35 wil-b.v. niet belijden dat Judas aan het Avondmaal heeft deelgenomen, maar dat de goddeloze bij het gebruik van dit sacrament niet de waarheid van het sacrament ontvangt. Maar op die manier laat men (volgens ds. V.) precies de letterlijke binding meteen los.
Kuyper neemt zijn toevlucht tot het jus discretionis en verwaarloost La Rochelle, omdat hij daar geen heil in ziet; en Polman doet precies het omgekeerde.
Samenvattend kunnen we dus zeggen dat ds. V. kiest voor een rechts quatenus, voor een rechtse „wezen en hoofdzaak" beschouwing en voor een rechts vorminhoudschema.
Hij beroept zich daartoe op Calvijn, hetgeen hij in een noot met het geval Caroli toelicht (blz. 125); en op Groen, van wie hij enkele citaten geeft uit zijn „Het recht der Hervormde gezindheid" (134 e.v.). In zijn streven naar hereniging met de hervormde kerk komt ds. V. dus de Hervormde drie stappen tegemoet:
1. Reductie.
2. Vorm-inhoud-schema.
3. Nieuw belijden.
We menen dat ds. V. nu twee dingen hoopt:
a. Dat de gereformeerde kerk hem hierin volgen wil. Daartoe dient vooral, dacht ik, zijn beroep op Calvijn en Groen. Bij zijn historische toelichting zou hij zich namelijk nog veel uitvoeriger kunnen beroepen op Da Costa, als het gaat over reductie en vorm-inhoud.
Maar in een latere toelichting zegt ds. V. zelf dat hij met opzet de voorkeur gegeven heeft aan Groen boven Da Costa. Zou het met Da Costa komen, dan zouden zijn gereformeerde broeders zijn voorstel, mèt Da Costa, veel gemakkelijker van de tafel vegen. In zijn kringen, kan men zich van Da Costa veel igemakkelijker ontdoen dan van Groen. Groen moet hij hebben, zo schrijft ds. V., ook al omdat deze veel dichter bij Kuyper staat. En vervolgens hoopt ds. V. nu:
b. Dat de hervormde kerk nu ook een stap zal willen zetten in de richting van de gereformeerde kerk. En deze stap is: Het aanvaarden (na alle aangebrachte zekeringen) van een „voorzichtig" quia, naast het quatenus. M.a.w. dus een zekere handhaving van- en binding aan de belijdenis.
Als gereformeerd man wil ds. V. toch een zeker quia handhaven. Daar zit voor hem juist zijn bezwaar tegen de „achttien". De kerk verbleekt en verziekt zonder het quia. Er zijn eeuwige waarheden, waarvan het leven der kerk afhangt.
De schrijver kiest dus voor de lijn: Calvijn-Groen (wezen-hoofdzaak) en hij distantieert zich van de lijn: Dordt-Kuyper (letterlij'ke binding).
Wanneer we ons oordeel moeten gaan geven over het boek dat voor ons ligt en over de gedachten die er in ontwikkeld worden, dan willen we beginnen met te zeggen dat het boek zeer lezenswaardig is. De schrijver heeft veel werk gemaakt van de bestudering van de problemen op dit gebied en hij heeft zijn boek geschreven in een intense bewogenheid met de nood die er ligt. Wat bepaald opvalt bij het lezen, is de onbarmhartige wijze waarop ds. V. ook zichzelf en zijn kerk onder het licht van de kritiek zet. We mogen dan al zeggen dat dit in het verleden niet de sterkste zijde van de gereformeerde kerken was; in dit boek hggen de zaken toch wel anders. Maar daarnaast is er juist op dit punt toch ook weer een binding aan dat verleden te bespeuren. Hoe vreemd het ook moge klinken, toch zijn we van gedachten dat een zekere „gearriveerdheid" de schrijver parten heeft gespeeld, waardoor zijn betoog en zijn oplossing van de problemen niet ontkomen zijn aan een zekere oppervlakkigheid.
We beginnen nu met het eerste punt dat aan de orde gesteld wordt, namelijk de reductie van de geloofsbelijdenis.
Onder het lezen van dat wat hij daarover schrijft kunnen we ons niet aan de indruk onttrekken, dat de nadruk teveel gelegd wordt op de „belijdenis" en dat het voorvoegsel „geloofs-" er te mager af komt, zodat er een evenwicht verstoord wordt.
Het geheel gaat nu (om het met wat overdrijving te zeggen) het karakter krijgen van een notariële acte of - contract waar we iets mee gaan doen; b.v. reduceren.
Het wordt dan ongemerkt te zeer een stuk verstandelijk werk, waar men, in onderling overleg, wat mee aan het dokteren kan gaan.
Over het voorvoegsel „geloofs-" behoeven we ons niet meer zo druk te maken; dat wat we hébben moeten we in de belijdenis alleen nog maar wat reduceren of concentreren, om zodoende tot hereniging te komen. Ds. V. legt ons deze gedachte zelf min of meer in de mond, want als hij op blz. 43 van zijn boek schrijft over „reductie", dan zegt hij dat we met het woord „reductie" het grote oecumenische vraagstuk alleen niet op kunnen lossen. Die weg is veel te theoretisch, hoewel reductie wel een der sleutelwoorden zal blijven.
De moeizame weg der hereniging in oecumenisch venband zal alleen betreden kunnen worden wanneer de wind des Geestes waait door alle kerken; wanneer deze zich concentreren op het heil in Christus. Doorredenerende en concluderende komt het er op neer, dat dit dan bij de hereniging tussen hervormde en gereformeerde kerk allemaal niet zo nodig is. Er liggen nog wel heel wat praktische moeilijkheden, maar deze vraag: wat moeten we doen om tot deze hereniging te komen, ligt toch veel gemakkelijker en is ook praktischer, (blz. 44).
We krijgen door deze door ds. V. zelf aangebrachte onderscheiding de indruk, dat het met het geloof in de beide nederlandse kerken wel in orde is; dat is klaar. We moeten nu alleen nog maar tot overeenstemming zoeken te komen op het punt van de belijdenis.
Deze gearriveerdheid geeft aan het hele betoog een zekere oppervlakkigheid, een vlotheid en gemakkelijkheid, waardoor de indruk gewekt wordt als zou de belijdenis zijn een contractuele overeenkomst tussen mensen, die het op het punt van de christelijke religie al met elkaar eens zijn geworden,
De praktische uitvoering van de reductie zal, ook voor het besef van ds. V., nog moeilijkheden genoeg opleveren; maar de reductie op zichzelf, het principe er van, is niet zo bezwaarlijk. In dit verband denken we aan een woord van prof. V. Ruler uit het Herderlijk Schrijven van de G.S. der N.H. Kerk: „Over de belijdenis der kerk en haar handhaving", blz. 12: „Het is daarom b.v. bijzonder gevaarlijk om, gelijk wel eens gesuggereerd wordt, 'n aantal „centrale" punten uit het geheel uit te lichten, die in ieder geval in de kerk moeten vaststaan, en deze dan ook, b.v. op de manier van de kerkorde, vast te doen staan in een andere zin, dan waarop zij in het geheel van de belijdenis vast staan".
Het betoog van ds. V. gaat o.i. dus te veel de kant op van: op het punt van het geloof zijn we er wel zo ongeveer; nu moeten we elkaar in het stuk van de belijdenis nog proberen te vinden.
Dit bedoelen we als we spreken van een zekere gearriveerdheid.
Wanneer we dit bezwaar tegen het boek van ds. V. nu zo stellen om er straks nog wat nader op in te gaan, dan dienen we nu reeds vooral niet uit het oog te verliezen, dat wij en degenen die in kerkelijk Nederland niet zo ver van ons afstaan, nog al eens plachten mank te gaan aan het tegenovergestelde euvel, en dat is natuurlijk net zo erg. Op het punt van de belijdenis zijn we er dan wel zo ongeveer, maar op het punt van het geloof hebben we elkaar blijkbaar nog lang niet gevonden. De vele kerkjes, die allen het woord "gereformeerd" in hun naam voeren, leggen er een triest getuigenis van af.
In zijn bezig-zijn met de belijdenis is ds. V. dus te horizontaal, naar onze gedachte; de verticale lijn van het geloof wordt er te zeer in gemist. Het blijft teveel in het menselijke vlak hangen. Het geloof ziet op God en dit element is er in de verbinding: geloofs-belijdenis te mager af gekomen. Ds. V. ziet kans om rondom een tafel te gaan zitten en te gaan onderhandelen over de belijdenis of eventueel samen opnieuw te gaan belijden.
Er is (o.i. terecht) opgemerkt, dat een geloofsbelijdenis niet tot stand komt rondom een tafel met (sigaren rokende) theologen, maar veeleer rondom rokende brandstapels met stervende christenen. Of om het in de geest van Koopmans te zeggen: Achter de belijdenis liggen in strijd en geloof genomen beslissingen, die bepalend zijn geweest in het verleden en het nog zijn voor het heden. Dat geeft aan de belijdenis iets van onherroepelijkheid.
Ds. V. zorgt zelf voor een illustratie van hetgeen we tot nu toe opmerkten. Om tot de noodzakelijke hereniging te komen, wil ds. V. de in Christus geconcentreerde belijdenis inbinden en de libertas prophetandi (vrijheid van profeteren) uitbreiden. Daarmee wil hij niet de leerontwikkehng stilleggen, doch alleen, — althans voorlopig —, de juridische sanctie er aan ontnemen, totdat de gehele kerk tot dit inzicht gerijpt is (blz. 46). Pas als we het er allemaal over eens zijn, begint dus de juridische binding te werken. Maar dan toch zeker tot het moment dat niet allen het er meer mee eens kunnen zijn.
Tenminste deze commulnis opninio (eensgezinde mening) t.a.v. de voor ons liggende belijdenis is er in het verleden wél geweest; maar nu moet de juridische binding ingekort worden door het onderscheiden van fundamentele- en nietfundamentele waarheden in diezelfde belijdenis.
Dit zich in te sterke mate voortbewegen op de „horizontale" lijn heeft allerlei verdrietige gevolgen. Ik geloof dat geen van beide partijen onverdeeld gelukkig is met deze oplossing van ds. V. en dat er niet één is, ds. V. incluis, die weet hoe hij zich de zaak in de praktijk voor moet stellen. Men komt er niet uit. Over het algemeen put de kritiek op het boek van ds. V. zich dan ook uit in het stellen van allerlei vragen en het trekken van allerlei consequenties. In de gereformeerde kerken is men vuurbang voor het binnenhalen en legaliseren van de modaliteiten in de kerk, terwijl de bovendrijvende partij in de hervormde kerk er waarschijnhjk nog weinig voor zal voelen om de deur open te zetten voor leertucht-processen in de kerk aan de hand van bindende belijdenisuitspraken.
Ons bezwaar is dus dat ds. V. te veel blijft zitten op de horizontale lijn, op het menselijk vlak. De verticale lijn, de worsteling om de waarheid, komt niet aan zijn trekken.
Het gaat om de geloofs-belijdenis. Wanneer we één van de beide begrippen er uit lichten en min of meer absoluut gaan stellen, dan staan we pal voor de waarheid maar verhezen de eenheid uit het oog; óf we strijden voor de eenheid ten koste van de waarheid.
Aan dit laatste euvel gaat, dacht ik, het boek van ds. V. mank. Aan de waarheid gaat hij in zoverre voorbij, dat hij er van uitgaat dat het met die waarheid wel min of meer in orde is. Wij zijn er van overtuigd dat, als dat zo was, de eenheid stellig zou volgen. Waar de waarheid heerschappij heeft, daar is ook de eenheid.
Er zal dus in eerste instantie veel meer moeten zijn een worstelen om de waarheid. Als we beamen dat de eenheid daar is waar de waarheid heerschappij heeft, dan dienen we ons wel te realiseren dat we daarmee allereerst ook een vonnis over onszelf uitspreken. Temeer omdat het omgekeerde ook waar is: als het met de heerschappij van de waarheid niet in orde is, dan zal de eenheid ook zoek zijn.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's