DE CATECHISMUS (7)
Ontbloot door Gods wet (1)
Vr. Waaruit kent gij uw ellende?
A. Uit de wet Gods.
Dat de catechismus begint met het stuk der ellende valt lang niet alleen in de smaak. „Wat vertroosters!", heeft men geroepen, „in plaats van de mens te vertroosten, dompelt men hem in de wanhoop; in plaats van hem gepast zelfvertrouwen bij te brengen en hem aan te zetten tot recht gebruik van zijn gaven, houdt men hem voor, dat hij van nature geneigd is God en de naaste te haten en niet in staat is enig werkelijk goed te doen". — De nieuwere theologie probeert de catechismus te wringen in haar filosofisch schema door het stuk der verlossing te vervangen door „de verzoening" en het stuk der ellende van daar uit te beschouwen.
Wij houden ons echter aan de gang van de eenvoudige Heidelberger, omdat hij naar onze diepste overtuiging weergeeft wat de Heilige Schrift leert en de ervaring bevestigt, nl. dat zij het rijkst getroost leven en sterven, die het diepst hun ellende verstaan en doorvoelen. Zij erkennen de boosheid, verdorvenheid en arglistigheid van hun verdraaid hart en hebben daarom in het minst niet verwachting van zichzelf. Daarom mogen en kunnen ze zich verheugen over de genadige beloften Gods, wijl ze ui hun hart zinken als de regen in de uitgedroogde akker. „Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen". Toen de verheerlijkte Christus tot de gemeente van Laodicea de woorden richtte: „Gij meent rijk en verrijkt te zijn . .., maar gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt", wilde Hij in haar hart plaats maken voor de troost der genade. Zij was daarvóór niet vatbaar omdat ze een hoge dunk van zichzelf had. Zijn schijnlbaar hard woord was geladen met barmhartigheid. Daaraan kunnen we zien, hoe onbarmhartig de leer is, die met het stuk der ellende geen ernst maakt. Wat geeft — tussen haakjes — de grote Visitator-Generaal in de brieven aan de gemeenten in Klein-Azië richtlijnen voor de kerkvisitatie! Hij weet en leert, dat alleen een gekneusd hart de troost van het evangelie opzuigt gelijk een spons het water.
En dit ontdekken aan en open leggen van ons geheel zondig en verdorven zijn is ook de enige manier om ware heiliging te leren kennen. Anders zal altijd de mens met iets van zichzelf er tussen zitten en zal het „ik ben heiliger dan gij" tot een broedermoorder maken. Zinken we weg voor God als zondaar in ons onvermogen om iets goeds voort te brengen, zo lopen we de troon der genade aan om in Christus te wandelen. Het is dan ook een duivelse voorstelling, als zou deze leer zorgeloze en goddeloze mensen maken. Er zal integendeel op andere wijze nooit enig goed werk gedaan worden (N.G.B. art. 24). Daarom geldt: Niets van ons, het al van Hem, zo reizen we naar Jeruzalem. We peilen de diepte van onze ellende, opdat alle mond gestopt worde en beleden worde, dat we voor God verdoemelijk zijn, en opdat we Christus bekennen te zijn die Hij is; de volkomen en enige Zaligmaker.
Daarom leert de catechismus allereerst, dat de wet Gods al onze gerechtigheden wegneemt (zondag 2); vervolgens dat niet maar onze daden zondig zijn doch ons hele bestaan tot in het diepste van ons hart en dat we met de gehele mensheid in Adam verloren liggen (zondag 3); dan, dat wij voor deze jammerstaat zelf geheel verantwoordelijk zijn en daarvan de schuld bij ons zelf hebben te zoeken (vr. en antw. 9); en tenslotte, dat wij daarom het doemvonnis Gods over ons met ons bloed hebben te ondertekenen (vr. en antw. 10 en 11).
Waaruit kent gij uw ellende? " — Met deze vraag schudt de catechismus ons wakker. Ieder mag het er daarom wel voor houden, dat hij ellendig is, want anders zou in naam des Heeren deze vraag niet worden gesteld.
Gij zijt ellendig, gij, die deze vraag hoort of leest; kent gij uw ellende? — Waarin bestaat mijn ellende, zo vraagt ge? — In antwoord 2 werd gesproken over zonden en ellende, hier wordt samenvattend alleen het woord ellende gebruikt. Het houdt in, dat gij en ik door onze zonden hellekinderen zijn, omdat we van God gescheiden zijn door een door ons niet te dempen kloof, en dus van Zijn gunst en gemeenschap verstoken. „Ellendig" betekent „uitlandig". We zijn uitlandige schepselen, ballingen, die wegens opstand uit het vaderland verdreven zijn. In Adam lagen we gekoesterd aan Gods Vaderhart, maar we hebben ons in bruut ongeloof uit Gods gemeenschap gezondigd. Buiten die oorspronkelijke gelukstaat zwerven we om en verkeren we in de macht van duivel, dood en zonde, zodat er behalve de duivel geen onzaliger schepsel is dan de mens. De gehele zee van jammer, de Godsvervreemding, het derven van het leven, met alle gevolgen daarvan tot in de eeuwige nacht, wordt door dit woordje „ellende" samengevat. Zo omvat de ellende de zonde, waarin de mens zich afgekeerd heeft en afkeert van God in blakende vijandschap; de onbetaalbare eeuwige schuld, die bestaat in de eeuwige straf, waarmee God, die geen afstand doet van Zijn recht, de zonde straft de algehele onmacht om waarlijk goed te doen voor God, omdat we eerrovers Gods zijn; en de dodelijke zelfverblinding, die met onze hoogmoed noodzakelijk samenhangt, zodat we ons geluk in ons ongeluk en onze eer in onze schande zien.
Zie, daar hebt ge uw waarheid: uw ellende. Zo zet Gods Woord ons weg. Want Het zegt, dat het bedenken des vleses vijandschap tegen God is; dat hij die deze dingen doet, des doods waardig is; dat we, al wiesen we ons met salpeter en namen we veel zeep, toch goddelozen blijven, omdat we niet kunnen leren goed te doen, die geleerd hebben kwaad te doen; en dat de natuurlijke mens niet verstaat de dingen, die des Geestes Gods zijn, want ze zijn hem, de hoogmoedige en waanwijze, een dwaasheid.
Dat alles geldt van ... de mens? — Het geldt van mij!, zegge ons hart. Het gaat u en mij persoonlijk aan. Anders zou toch niet gevraagd worden: waaruit kent gij uw ellende?
Wat ligt er toch een barmhartigheid in het stellen van deze vraag aan ons. Daaruit blijkt immers, dat God met ons allen nog bezig is. Dat kan van de duivelen zo niet gezegd worden. Zij zijn op hun eerste zonde, dat zij hun beginsel niet bewaard hebben, door het onherroepelijk rechtvaardig besluit Gods in eeuwige ellende ondergedompeld. Voor hen is geen verlossing mogelijk en ze worden met eeuwige banden onder de duisternis van pijniging bewaard tot het oordeel van de grote dag. Het is het eeuwig grote wonder, dat God met het menselijk geslacht anders wilde handelen, daar er todh geen enkele reden daarvoor in ons kan gevonden worden. Voor de duivelen is het afgesneden, voor de mens nog niet. Hoewel Christus hem vanwege eigenwaan moet toevoegen: Gij zijt uit de vader de duivel, spreekt God met u en mij toch nog over onze ellende, opdat ... we leven zouden. Wat zal het dan zijn, als we deze diagnose niet ernstig zouden nemen!?
Waaruit kent ge uw ellende? — Uw ellende, die zelfs doorstraalt tot in de wereld van het redeloos gedierte. Want ook de redeloze schepselen zijn aan de ellende onderworpen. Ik vraag niet naar de wetenschappelijk biologisdhe behandeling van de verhoudingen in de dierenwereld, maar wijs op de verbanden, die de Heilige Schrift legt. Die doet licht opgaan over de smartekreet, die voortdurend uit de wereld opstijgt en stelt dit zuchten als een aanklacht tegen ons. — „Het aardrijk is om uwentwil vervloekt". — Hebt ge nog nooit in het angstig roepen en het lijden van de redeloze dieren gehoord uw veroordeling, die als een pijl u door het hart gaat? Nimmer kunnen op deze vervloekte wereld de wolf met het lam meer verkeren en de luipaard met de geitebok nederliggen; nimmer zullen de koe en de berin tesamen weiden.
Want wij hebben door onze hebzucht de bloeddorst er tussen geworpen. — Deze aanklacht kan alleen verstommen, als we in het geloof in Christus, in Wie de vrede hersteld is, worden ingeleid. Genade alleen neemt de vloek voor ons weg ook uit de wereld. Dan hebben we in de Heilige Geest vrede met de stenen en tet verbond is met de dieren des velds. Zalig geloofsverstaan, waarbij de eeuwige harmonieën naruisen in ons hart. Nu is het nog geloof, eenmaal zal het aanschouwen zijn: Het zal alles door de vrede bloeien.
Maar goed, als de catechismus vraagt: Waaruit kent gij uw ellende? , dan bedoelt hij derhalve deze persoonhjke kennis van onze ellende in haar verbanden, dit persoonlijk geloven met verstand, hart en ziel. Want hij wil ons bij Christus brengen en in en uit Christus doen leven in de verzoening en vrede met God. Hoe dieper en breder we onze ellende verstaan, hoe heerlijker Christus voor ons gestalte krijgt. Daarom zijn Gods kinderen toch blij en dankbaar, dat ze hun ellende mogen kennen, ondanks de smart en de huivering, die er telkens mee gepaard gaan. Want zij beseffen, dat zij anders het graf van hun hart waren blijven pleisteren, terwijl het van binnen vol dorre doodsbeenderen was gebleven. Zo er geen Godsgemis geboren wordt, is er geen droefheid naar God, die en onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt.
En daarom zijn alle ware gelovigen dankbaar, dat zij op de vraag kunnen antwoorden:
Uit de wet Gods.
God heeft een vurige wet tot Zijn rechterhand. Deze wet houdt Hij ons voor als een spiegel, opdat wij zien hoe het met ons gesteld is. — „De Heilige Geest moet ons ontdekken", zegt ge? — Daarop zeg ik u: De Heilige Geest houdt u de wet voor, doet u haar prediken, opdat ook gij geloven moogt, met hart en ziel erkennen, dat God waarachtig is en gij leugenachtig, gij, die uw troon van niet-kunnen gezet hebt tot in de wolken.
Uit deze wet leerden we onze ellende kennen, uit de wet kennen we dagelijkse ellende. Uit de wet, zoals deze geeselijk is en geestelijk verstaan wordt. Daar zorgt de Heilige Geest wel voor, daarover behoeven wij niet bekommerd te zijn. Kijken wij maar in de spiegel.
Wee de prediker, die naast zich neerlegt, wat de Heilige Geest wil gehanteerd zien, omdat Hij dat hanteert: de vurige wet. Want zo wordt vervuld, wat de apostel getuigt: Als het gebod gekomen is, is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven. En ... het einde der wet is Christus een iegelijk, die gelooft.
Zo spreekt de christen in de Heilige Geest, Die de spiegel der wet voorhoudt, opdat Christus verheerlijkt worde. En deze functie behoudt de wet altijd door in het leven van de christen. De Heilige Geest wordt niet moede die spiegel voor te houden, en dringt oök aan, dat we zelf ons die spiegel telkens voorhouden. Daarom wordt de gemeente elke rustdag weer voor de wet geplaatst.
Alzo: de wet ter hand genomen, willen we onze ellende recht leren kennen , en blijven kennen, onze ellende, zoals we daarover schreven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's