De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BINNEN GEBRACHT OF BUITEN BLIJVEN (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BINNEN GEBRACHT OF BUITEN BLIJVEN (2)

6 minuten leestijd

En opstaande ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was, zag zijn vader hem, en hij werd met innerlijke ontferming bewogen; en toelopende viel hij hem om zijn hals en kuste hem. Maar hij werd toornig en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit en bad hem. Lucas 15:20, 28

De vader heeft nog een zoon. Hij verlaat zijns vaders huis niet. Hij brengt zijn goed er niet door. Hij trekt niet weg om in en van de wereld te genieten. Hij is een oppassende zoon, aan wie zijn vader wel veel vreugde zal beleven; althans meer, dan aan de jongste zoon. Deze jongen vergooit zijn leven niet. Hij werkt hard. Ja, hij werkt zó hard, dat hij nog aan het werk is, als de grote blijdschap aanbreekt. Hij heeft geen tijd om feest te vieren. De vrolijkheid is allang begonnen, het gemeste kalf is al geslacht, de feestdis is al aangericht, de verloren zoon heeft het beste kleed al aangekregen, en dan is de oudste zoon nóg aan het werk op het land. Het verdriet van de vader om zijn heengegane zoon moet toch wel verzacht worden door de ijver en plichtsbetrachting van zijn oudste zoon.

Ja, deze zoon doet zijn plicht. Hij doet zelfs méér, dan zijn plicht. Hij vindt daarom, dat zijn vader wel bijzonder blij mag zijn, dat hij nog een zoon heeft, zoals hij is, in alle opzichten beter, dan zijn slechte broer. Hij meent, dat zijn vader niet zo veel verdriet moet hebben om zijn broer, want die deugde toch niet. Laat hij hem maar vergeten, en dankbaar zijn, dat zijn eerstgeborene althans zeer goed oppast. Hij zelf vindt het in elk geval geen verlies, dat zijn broer weg is. Nu is de erfenis straks voor hem alleen!

Het is dan ook een klap in zijn gezicht, als hij moe van het veld komt, en hij hoort het zingen en bemerkt de vreugde. Dat kan maar één ding betekenen; zijn broer is terug! Hoe kan er anders plaats zijn voor deze uitbundige vrolijkheid? „Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft". De slaaf, die hem antwoordt op zijn vraag, wat die vreugde te betekenen heeft, jubelt het uit. Uw broeder is weer thuis, en uw vader heeft hem gekust en binnen gebracht! Deze knecht is door de feestvreugde aangestoken, en het is niet anders te verwachten, dan dat de oudste zoon naar binnen vliegt om zijn broer te begroeten, en evenals zijn vader deed hem om de hals te vallen en te kussen. Vanzelf: welke echte broer zal niet blij zijn, als hij de ander weer behouden ziet? Wie zal niet delen in de vreugde over een mens, die dood was, maar die uit de dood tot het leven werd teruggebracht? Een eigen broer toch zeker? En welk kind zal niet verheugd zijn, als hij het grote verdriet van zijn vader ziet weggenomen door de terugkeer van de verlorene? 

Maar hij werd toornig en wilde niet ingaan, en . . . de engelen zwijgen. Nu zingen zij niet. Want deze zoon, die zo dicht bij huis was gebleven, blijft buiten. Hij ergert zich aan de grote liefde van zijn vader. Hij kan het niet verdragen, dat zijn vader zo uitbundig doet, en het beste voorzet aan zijn verlopen en weggelopen broer. Wat heeft hij ooit gehad? Men viert feest zonder hem, maar hij doet er niet aan mee. Hij gaat niet naar binnen. Hij weigert met zijn broer aan één tafel te zitten. Zo sluit deze brave zoon zichzelf buiten de feestzaal, buiten het vaderhuis. Wat betekent dat anders, dan wat zijn broer eerst deed? Was zijn broer nog huurling geworden, dan was het nog te verdragen geweest. Maar van de grote vergevende liefde van de vader wil de oudste jongen niets weten. Daarmee maakt hij dezelfde val, als zijn broerr. Alleen: hij valt in zijn vroomheid en braafheid, zijn broer viel in zijn goddeloosheid. De jongste zoon trok de deur vanhet vaderhuis achter zich dicht. De oudste zoon wil echter niet door de open deur van bet vaderhuis naar binnen gaan. Hij blijft buiten!

Zo ging dan zijn vader uit en bad hem! Voor de tweede keer snelt de vader naar buiten. De eerste keer ontving hij met open armen zijn verloren kind. Toen lag dat kind op zijn knieën, en schreeuwde het uit: „Vader, ik ben uw kind niet meer; maak mij maar een huurling; Vader, ik heb gezondigd". En er is onbeschrijfelijke vreugde geweest in het hart van de vader om dit berouwhebbend kind. In de kracht van zijn liefde heeft hij zijn gevallen kind opgeraapt en naar binnen gedragen.

Maar nu zijn de rollen omgekeerd! Nu staat de vader tegenover zijn oudste zoon. De zoon, die botweg weigert en neen zegt. De zoon, die toornig is, en de heftigste en onredelijke verwijten in zijns vaders gezicht slingert. Neen, deze zoon ligt niet op zijn knieën. In zijn ergernis en toom verheft hij zich. Maar nu ... ligt de vader op zijn knieën. Ja, deze vader bidt! En hij zegt: Kind! Welke vader zal dat doen? Dat doet God!

Het ontvangen van de verloren zoon maakt ons niet stiller, dan het bidden tot de oudste zoon. Wat is deze vader groot in zijn kleinheid. Hij smeekt zijn boos en onwillig kind, dat zich van zijn vader en zijn broer afwendt, en dat zich daarmee overgeeft aan de verlorenheid. Hij leeft dicht bij huis, maar hij is er toch nog verder vandaan, dan zijn broer, toen die bij de varkenstrog zat. Ook deze brave zoon, die zijn vader dient, kent zijn vader niet! Dat betekent tegelijk, dat hij ook zichzelf niet kent als kind. „Zie, ik dien u al jarenlang, en wat geeft het mij? " Dat zegt toch geen kind? Dat zegt een knecht! Daarmee is ook de band met zijn broer doorgesneden, want hij spreekt over hem als over „deze uw zoon", maar niet als over „mijn broer". En toch .. . over deze ontzaglijke afstand heen bidt de vader tot dit zichzelf buitensluitend kind, dat niet weten en niet leven wil van de liefde, omdat het zijn schuld en verlorenheid niet kent.

Verloren mensen worden langs de weg van herouw en verslagenheid door de liefde van de Vader binnen gebracht. Mensen, die in ergernis aan deze liefde toornig zijn, blijven buiten. Het eerste is niet de verdienste van de tot inkeer gekomen zoon, maar dat is te danken aan de onsterfelijke liefde en innerlijke ontferming, waarmee God over waarlijk verloren zondaars bewogen is. Het tweede is niet de schuld van deze vader, die onwillige zonen, hoe dicht zij ook bij huis leven, bidt: „Laat u met God verzoenen". Wat is het een verdriet geweest voor deze vader, dat zijn kind niet wil ingaan. Dat verdriet der liefde veroordeelt kinderen des verbonds, die deze liefde verachten en daarom eeuwig buiten blijven.

Ja, deze ontvangt de zondaars, en eet met hen!

 

(Ede)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

BINNEN GEBRACHT OF BUITEN BLIJVEN (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's