De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Rondom het der Kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rondom het der Kerk

13 minuten leestijd

Als ds. V. spreekt over die geloofsbelijdenis, dan onderscheidt hij daarin twee functies. De belijdenis is ten eerste een weergave (van de H. Schrift) en vervolgens een antwoord (van de mens op de boodschap der Schrift). Via de weergave komen we bij het quia (omdat) terecht en via het antwoord bij het quatenus (voorzover). Beide elementen zijn in de belijdenis vertegenwoordigd (blz. 145 e.v.).

Hoewel ds. V. zegt dat deze twee, de weergave en het antwoord, in elkaar verweven liggen en in elkaar opgenomen zijn, liggen ze o.i. (juist in het geloof) toch nog anders en dichter bij elkaar dan ds. V. hier wil doen voorkomen.

Om duidelijk te maken wat we bedoelen, willen we in dit verband wijzen op twee uitspraken in het Nieuwe Testament. Het zijn Joh. 6 : 67-70 en Matth. 16 : 13-19.

De reden waarom we juist deze twee pericopen uitkiezen, is deze: Hier is niet zozeer sprake van een persoonlijke, maar veelmeer van een kerkelijke belijdenis. En daar gaat het ons nu om. In Joh. 6. lopen de mensen bij Christus vandaan. En daarop stelt de Heere dan de op de proef stellende vraag aan de discipelen: Wilt gijlieden (meervoud) ook niet weggaan? Jezus vraagt dit aan de twaalven (vs. 67). Het is wel Petrus die het ant­woordd geeft, maar deze spreekt toch namens de andere discipelen, de kerk geeft hier een antwoord. En daarom laat Christus na deze belijdenis volgen: Heb Ik niet u twaallf uitverkoren? . . . (vs. 70).

Zo ook in Matth. 16; daar zijn het de meningen van de andersdenkenden waar de discipelen mee geconfronteerd worden. Als we letten op het woord „petra" dat Christus in vs. 18 gebruikt, dan wijst ons dit woordgebruik ook op het „kerkelijke" van deze belijdenis.

Aan de ene kant mogen we namelijk het woord petra niet zonder mee losmaken van de persoon van Petrus. Onder „petra" moeten we niet alleen maar verstaan de belijdenis die hier (toevallig) ook door Petrus uitgesproken wordt. Daarvoor heeft Christus ze te nauw aan elkaar verbonden: Gij zijt Petrus; en op deze petra zal Ik... (vs. 18).

Maar aan de andere kant mogen we ook niet petra vereenzelvigen met de persoon van Petrus. Christus zegt niet: Op u zal Ik. . ., maar: Op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen.

„Het gebruik van 't woord petra doet ons denken aan de belijdende Petrus, de ambtsdrager, de apostel, die zijn apostolisch ambt op de juiste wijze waarneemt, aan Petrus, die met zijn mede-apostelen belijdt. Op deze wijze is de kerk gebouwd op het fundament der apostelen ... (Ef. 2:20)". (F. W. Grosheide, Comm. N.T., Matth. p.256).

Zo ook Kittel TWB s.v. petra p. 98: „... het laat ons zien hoezeer het apostelschap behoort tot de openbaring van Christus en er ook wezenlijk in besloten ligt".

Door het gebruik van het woord petra worden we er dus op gewezen, dat we hier niet alleen maar hebben de belijdenis van de persoon Petrus; hier belijdt de ambtsdrager, de apostel, we hébben ook hier dus te maken met een belijdenis van de kerk.

Bezien we nu het belijden van de kerk in deze twee pericopen, dan vallen ons twee dingen op.

a. Niet de weglopers (Joh. 6) of de andersdenkenden (Matth. 16) stellen de vraag aan de discipelen, aan de kerk; het zijn niet de mensen die hier om een antwoord en een beslissing vragen; maar dat doet de Heere Zelf, n.a.v. en d.m.v. de gegeven situatie.

b. De discipelen spreken hun weergave en antwoord ook uit voor de Heere Zelf, en dan vervolgens ook voor de mensen.

Hier hebben we dan de verticale lijn; hier hebben we het geloof dat zich in horen en antwoorden altijd allereerst richt tot God Zelf. In dat geloof liggen weergave en antwoord wel heel dicht bij elkaar: Want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is (Matth. 16 : 18).

En daar komt dan nog bij dat deze goddelijke openbaring nooit een zekere verdere vanzelfheid en gearriveerdheid impliceert, want vijf verzen verder, vers 23, zegt Christus tegen deze zelfde Petrus: Ga weg achter Mij, Satanas, gij zijt Mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.

Het wordt hier dus wel duidelijk ontkend dat men altijd een gelovige is als men maar eenmaal geloofd heeft. We bedoelen dit: Als men met de geloofsbelijdenis bezig is, mag men nooit concluderen dat het met het geloof wel goed zit, zodat men verder nu wel de belijdenis onder handen kan gaan nemen.

De handhaving van- en de binding aan de belijdenis.

Over dit tweede punt kunnen we kort zijn; de fout die we hierboven signaleerde wreekt zich ook op dit punt, menen we.

Wat betreft de handhaving en binding liggen de hervormde kerk en de gereformeerde kerken nog al wat uit elkaar. De hervormden aanvaarden een grote nuancering van gevoelens binnen de kerk. Als die gevoelens zich maar bewegen in de weg van het belijden der kerk, dan is het niet nodig dat ze zich steeds laten rijmen met de belijdenisgeschriften.

In de gereformeerde kerken mogen echter de diverse gevoelens niet te kort doen aan de inhoud der belijdenisgeschriften.

Ook ds. V. wil handhaving en binding; er is ook een quia (omdat). Maar juist daarom moet er eerst een ingrijpende reductie zijn. Als deze reductie en handhaving maar zijn beslag hebben gekregen, dan zijn we er wel zowat.

Het is zonder meer tekenend dat hij de noodzakelijkheid van de reductie gaat bewijzen met de bekende twee voorbeelden uit art. 4 en 35 van de N.G.B. (Hebr. brief van Paulus en Judas aan het H. Avondmaal). En hoewel ds. V. van heler harte formele letterknechterij verwerpt, is zijn voorbeeld en bewijs in zoverre tekenend, dat we vernemen welke kant het met de handhaving en binding op moet. Als we de „waarheid" van het levend geloof voorbijgaan en ons gaan werpen op de eenheid, dan kan het niet anders of we komen, — met betrekking tot de gereduceerde of geconcentreerde belijdenis —, terecht bij een wettisdh legalisme (om dat pleonasme van prof. Polman eens te gebruiken). Als we het contact met God door het levend geloof kwijt zijn, dan verzinnen we de dingen die der mensen zijn, en dan wordt ook ds. V. wettisch.

De waarheid zal ons vrijmaken. We verzanden, hoe dan ook, in een stel regels en bepalingen die tenslotte de verwaning en verscheurdheid alleen nog maar zullen vergroten. Misschien zijn de in het kerkelijk leven zo berucht geworden woorden „gebonden" en „vrijmaking" hier veelzeggend. Als de mensen op het menselijk vlak met de wet aan de gang gaan, dan krijgen we gebod op gebod en regel op regel (zie de farizeërs en schriftgeleerden). Maar als de Heere Zelf met de wet bezig is, dan kan Hij de wet in een hoofdsom samenvatten.

Alleen de waarheid van het levend geloof zal de eenheid met zich brengen en zo het statische alsook het dynamische in de belijdenis gelijkelijk honoreren. Op het éne moment zal dan de kerk met heilige beslistheid op de letter van de formulering staan. In de kerkgeschiedenis hebben we het klassieke voorbeeld waarbij het in de strijd ging over slechts één letter: Homoousios — eenswezens, en niet Homoiousios — gelijk van wezen. En de andere maal zal de kerk grote tolerantie t.a.v. de formulering betrachten.

De éne keer zegt Christus: Wie met Mij niet is, die is tegen Mij (Lc. 11 : 23); en een andere keer horen we Hem zeggen: Wie tegen ons niet is, die is vóór ons (Lc. 9 : 50). We dienen bij deze uitspraken er wel erg in te hebben, dat de Heere in de eerste spreekt van „Mij" en in de tweede van „ons".

De vrijheid van de Geest is geen losbandigheid maar tegelijkertijd de grootste gebondenheid. Men komt dan vanzelf in de buurt van de formule van Groen: Onbekrompen en ondubbelzinnig; geen formulierknechterij en geen losbandigheid.

Er zal dan geen discrepantie zijn tussen het statische en het dynamische van de belijdenis, zodat men bv. uitvoerig moet gaan twisten over de vraag of men gebonden is aan de belijdenis opgevat naar de bedoeling van de opstellers of naar hetgeen wij er nu in lezen en horen.

Men kan met zonder meer voor eens en voor altijd — wettisch — vaststellen, dat men de belijdenis alleen maar mag uiitleggen overeenkomstig het theologisch inzicht van de opstellers.

Onze vaderen hebben rustig de nederdaling ter helle in het apostolicum op zijn plaats laten staan en zich niet onrustig laten maken door de vraag of hun verklaring van de nederdaling ter helle wel geheel overeenkwam met de visie die er bij de opstellers van het apostolicum op dit punt leefde.

Maar evenmin gaat het aan om te zeggen: Met het theologisch inzicht van de opstellers hebben we niets te maken; we leggen de belijdenis uit naar de Schrift.

Hierdoor wordt de vastheid van het belijden ondermijnd en aan willekeur prijsgegeven.

Wat dit laatste betreft kunnen we ons bv. spiegelen aan de roomse kerk, als ze een moderne interpretatie gaat geven van de besluiten van Trente. Van de bedoeling van de opstellers blijft dan inderdaad niets meer over en die is ook niet meer te herkennen. (Polman NGB blz. 88-90).

Vooirzover we na kunnen gaan, wijst zowel de midden-orthodoxie in de hervormde kerk als de grote middengroep in de gereformeerde kerken de conceptie van ds. V. af. Men is wel dankbaar voor het boek, men is er door aan het denken gezet, maar het plan dat geopperd wordt, vindt geen genade. Ook wij menen de constructie van ds. V. te moeten afwijzen als te vlak, te menselijk, te wettisch. Als we ds. V. te wettisch noemen, willen we hem daarmee niet beschuldigen van een benepen kleinzieligheid en haarkloverij. Een wettisch mens kan ook zeer vlot en ruimdenkend zijn; en zo leren we ds. V. wel uit zijn boek kennen.

Maar we bedoelen dit: Als de fundamentele waarheden eenmaal zijn vastgesteld en aangenomen; als er een quia (omdat) is en als de juridische binding daaraan geaccepteerd is (en dat wil ds. V., geloof ik), dan kan verder „een kind de was doen". Men is dan gebonden aan zoiets als een notariële acte; het papier houdt dan de zaak wel binnen de perken.

Dit is, dacht ik, de grote vergissing. Er functioneert hier slechts een belijdenis als een juridisdh document, en niet een geloofsbelijdenis.

De plaats en functie van de kerk in deze constructie wordt alleen die van een rechtbank, die ingrijpt als iemand zich niet houdt aan het officiële document.

De kerk, door de H. Geest in al de waarheid geleid en levend uit het geloof dat aan de heiligen overgeleverd is, zal één en ander moeten gaan hanteren. Zonder deze waarheid, op de verticale lijn, zullen we nimmer tot de éne en tot de zuivere kerk kunnen komen.

Dan pas zal er zijn de spontaneiteit van het geloof, die nimmer door een wettische casuïstiek te vervangen zal zijn; de éne keer zal men op één letter staan en de andere keer zeer tolerant zijn. Want er zal dan ook zijn de liefde en de seherpziendheid de intuïtie van het geloof, waarbij het dan niet gaat om het vallen over een paar letters en woorden, maar wel over het onderkennen van dwalingen waardoor het leven en het bestaan van de kerk op het spel komt te staan.

In de strijd tegen de Remonstranten ging het in eerste instantie ook eigenlijk maar om één woord: Heeft God van eeuwigheid zondaren of gelovigen uitverkoren?

Maar daar staat tegenover dat men in ons land altijd met graagte en met grote instemming gelezen heeft de werken van de baptist John Bunyan.

Dat betekent echter niet, dat we, na dit gezegd te hebben, nu wel weer over kunnen gaan tot de orde van de dag. Integendeel, met dit alles hebben we allereerst een oordeel en vonnis over onszelf uitgesproken. Het zit bij ons met de waarheid niet goed, om de eenvoudige reden dat de eenheid zo allerdroevigst zoek is. En deze nood van de verdeeldheid en verscheurdheid der kerk wordt ons door dit boek wel nadrukkelijk op het hart gebonden. We zijn dus ver af van het geleid worden door de H. Geest en van het leven uit het ware geloof.

Het boek heeft ons niet overtuigd van het heil en de noodzaak van reductie der confessie; maar wel — als het goed is — van het heil en de noodzaak van geloof en bekering.

Maar al te goed beseffen en weten we dat men zulk een oproep tot geloof en bekering min of meer gaat waarderen als een dooddoener waannee men zich van dit brandende vraagstuk meent te kunnen af maken. Maar hier wreekt zich dan ook juist voor de derde keer het te vlakke en te horizontale. Het zou wel eens kunnen zijn dat het zoeken naar concretere middelen om uit de impasse van de verdeeldheid te komen ons juist gaat afleiden van het ene nodige in deze situatie; en dat is: bekering.

Het feit dat we zullen moeten terugkeren tot de Heere sluit in, dat het denken over- en het zoeken naar andere wegen en mogelijkheden meteen al betekent de dood en de ondergang.

Als een dokter tegen een lijden aan suikerziekte, die het niet kan opbrengen om van allerlei zoetigheid af te blijven, zou zeggen: nu ja, laten we het dan maar eens proberen met elke dag een eindje om te wandelen, dan zou deze dokter daarmee meteen het doodvonnis van de patiënt tekenen. Juist ook in de verhouding tot God geldt het: Al ware het dat we ik weet niet wat hadden en deden, en we hebben dat éne niet, zo zou het ons geen nuttigheid zijn.

Ik moge hier citeren het slot van het artikel over de Atoombewapening van wijlen dr. J. C. de Vos en ir. G. B. Smit in Theologia Reformata, jrg. II, blz. 40:

„Wij begrijpen heel goed, dat hier weer het verwijt van abstracte stichtelijkheid op de loer ligt. Nochtans wordt in de Schrift op verscheidene plaatsen verhaald van dit zien op de Heere en het zich tot Hem wenden. Zo wordt in 2 Kron. 20 beschreven hoe overheid en volk in hun nood een beroep doen op God; wij weten niet wat wij doen zullen, maar onze ogen zijn op u.

Het zou kunnen zijn, dat ons in de huidige impasse duidelijk moet worden, waarom ons deze en soortgelijke geschiedenissen zijn overgeleverd. Ónze situatie verlangt niet in de eerste plaats een anders handelen van de overheid, maar een uitredding, een genadig handelen Gods — God mocht Zich wenden. Het is nodig dat we komen — allemaal — tot het waarachtig gebed, dat ook de profeet Jeremia eenmaal bad.

Op het kerkelijk erf wil het nog wel eens voorkomen, dat we in wezen twee woorden verkeerd vertalen in de bede van de profeet. We maken er dan van: Heere! bekeer hen tot ons.

Maar de Schrift zegt het ons anders: Heere! bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn. (Klaagl. 5 : 21).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Rondom het der Kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's