De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NOOIT GEKEND (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NOOIT GEKEND (1)

Meditatie

7 minuten leestijd

Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd, en in Uw naam duivelen uitgeworpen, en in Uw naam vele krachten gedaan? En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt. Matth. 7 : 21—23

De aansporing van Christus om toch vooral door de enge poort te gaan en de nauwe weg ten leven te bewandelen vindt haar grond in het ontzettende feit, dat de drukke brede weg uitloopt op het verderf, terwijl de door weinigen ontdekte poort en de eveneens door weinigen gevonden smalle weg leidt tot het leven.

Het zal goed zijn deze ernstige vermaning van Christus op ons te laten inwerken en ter harte te nemen om onzer zaligheid wil. Tegelijk zullen wij ons dan wèl realiseren, dat Christus ons heel duidelijk leert, dat die brede weg niet alleen bewandeld wordt door mensen, die „nergens aan doen", maar ook door vele kinderen des verbonds. Op die brede weg staan niet slechts de vermaakcentra van de wereld, maar ook allerlei kerken, waar valse profeten in schaapsklederen samenkomen, die van binnen grijpende wolven zijn. Satans slaven met de profetenmantel om! Op die weg wandelen niet alleen zij, die roekeloos met God en godsdienst spotten, maar ook zij, die zeker niet met de dienst des Heeren spotten, en die tóch van godsvrucht zijn ontaard, en die daarom niet bestaan zullen, waar straks het vrome volk vergaart. Mensen met een godsdienstig stenen hart, met een gesloten ziel.

Er zijn er velen, die de schijn hebben door de enge poort te zijn gegaan, en op de smalle levensweg te wandelen, maar die toch een ruimer baan voor hun voet verkiezen, dan de pelgrimsweg naar Gods bedoeling is. Op de brede weg kunnen wij immers wel een eigen smal paadje volgen, maar daarmee zijn wij nog niet op de smalle weg. Die bewandelen wij alleen dan, als wij door de enge poort zijn gegaan, en Hem kennen, die als de goede Herder de Zijnen kent. Het kennen van Christus is het toegangsbewijs tot de weg, die ten leven leidt. Want Hij is de deur! Wie door Hem ingaat, zal behouden worden. En wie Hem kent, is door Hem gekend, volgt Hem, en ontvangt het eeuwige leven. Wie immers door de enge poort ingaat, kan niet meer terug. De smalle weg is niet breed genoeg om te keren. En achter de enge poort ligt geen andere weg, dan die ten leven leidt. Daarom zullen de weinigen, die deze poort vinden en op deze weg gaan, niet verloren gaan in eeuwigheid, Zo legt de Heere Jezus het zwaartepunt op de werkelijke ingang in het Koninkrijk der hemelen als een doen van de wil des Vaders, die in de hemelen is. Deze ingang is het kennen van en het gekend worden door Hem, in Wie dit Koninkrijk der hemelen openstaat, en is tegelijk de onmisbare voorwaarde om straks in te gaan, als het einde van de levensweg bereikt is. Wie nu werkelijk door Hem ingaat, zal straks een open deur vinden. Wie slechts de schijn heeft op de smalle weg te gaan, zoals de dwaze maagden, vindt straks de deur op slot. Daarom is wat de Heere Jezus ons zegt in bovenstaande tekst diep ingrijpend.

Het ingaan door Hem is geen oppervlakkige zaak. Het kennen van Hem als de poort des hemels is geen zaak van het intellect, maar een kwestie van het hart, van het leven in zijn diepte en volheid. Dat er vele dwaze maagden zijn, wordt ons hier door Christus uitdrukkelijk geleerd; een indringende reden om onszelf in dit opzicht te beproeven en ons leven te stellen voor het gericht van God. Het is een verontrustende, maar dan ook waarlijk heilzame vraag, die wij onszelf te stellen hebben, of de levensweg, die wij bewandelen, uitloopt op een gesloten of op een open poort. Wij kunnen elkaar wel in een stem­ leven, en zingen: „Ik zie een poort wijd open staan", maar het lijkt mij met het oog op wat Christus zegt in onze tekst heilzamer te bedenken, dat tijdens het leven van de dwaze maagden hum lamp wel brandde, maar dat op het moment, dat zij juist hebt nodig hadden, toen namelijk de bruidegom kwam, hum lamp uitging. De Heere Jezus zegt dat ook met alle nadruk, niet hoe het nu gesteld is met deze mensen, die in de gestolen livrei van de hemel rondlopen, maar hoe het straks, te dien dagen met hen zal zijn. Dat is ook de beste toetssteen voor alle dingen en voor alle mensen: hoe zal het zijn bij de laatste stap op ide levensweg, in het uur van sterven, op de dag van het oordeel van God, op de morgen der verrijzenis?

Ons gehele leven hebben wij te stellen in het hcht van de opstanding des vleses. Want niet het uiterlijke belijden op zichzelf geeft toegang tot de bruiloftszaal. De mensen, over wie Christus spreekt, waren geen atheïsten, integendeel. Zij deden openbaar belijdenis van de ene Naam, die ook volgens hen tot zaligheid gegeven was. Voor het oog der wereld waren zij zeer vrome lieden, op wie niet veel aan te merken viel. Zij namen het bovendien niet zo gemakkelijk in godsdienstig opzicht. Zij hadden wel het één en ander over voor de dienst des Heeren; zij gaven zich daaraan; zij deden dat met hart en ziel. Want het is niet gering, wat zij doen: zij profeteren, zij preken, zij spreken bijbelse voorzeggingen uit; en zij doen dat . . in Jezus' naam. Dat is echter nog niet alles. Zij werpen zelfs duivelen uit, zij betomen de macht van de boze, zij verdrijven satans trawanten uit het door hen ingenomen gebied; en zij doen dat ... in Jezus' naam.

Maar ook bij dit wonderbaarlijk machtsvertoon blijft het niet: zij doen daarnaast nog vele krachten en opzienbarende wonderen. Zij genezen zieken, zij stillen de storm, zij treden op schorpioenen, zij wekken doden op; en — hoe kan het anders? — zij doen dat .... in Jezus' naam. Zij zijn dus wel trouwe volgelingen van Christus, niet alleen met loze woorden, maar ook metterdaad, ja met daden, die het zegel Gods dragen. De duivel erkent hun macht, en slaat op de vlucht voor de naam van Jezus, die zij belijden. En de mensen staan verbaasd over de bevoegdheid, die deze navolgers van Jezus schijnen te bezitten. Want in Zijn naam doen zij al deze dingen. Zij meten zichzélf de eer niet toe, in geen geval. Uitdrukkelijk noemen zij de naam van Hem, Wiens navolgers zij beweren te zijn.

Bij elke daad, die zij doen, bij elk wonder, dat zij verrichten, belijden zij Hem, Wie alle macht gegeven is. Wij zouden geneigd zijn te denken, dat dit alles eens spaak moet lopen bij deze mensen. De leugen wordt immers altijd door de waarheid achterhaald? Ongetwijfeld! Maar wij vergeten niet, dat Christus ons leert, dat dat inhalen van de vrome leugen door de waarheid eerst geschiedt „te dien dage".

Deze schijn-vromen worden blijkbaar in hun aardse leven niet aan hun bedrog ontdekt. Noch door God, noch door de mensen worden zij tot zwijgen gebracht. En er is geen sterveling, die twijfelt aan hun oprechtheid en vroomheid, want wie zoekt achter deze blinkende daden een zwarte ziel? In hun leven worden zij niet openlijk verloochend. Zij worden niet voor het oog der wereld belachelijk gemaakt, zoals de zeven zonen van Sceva, die eveneens met de door Paulus gepredikte naam van Jezus de boze geesten wilden bezweren. Het is dan ook geheel in de lijn van hun leven, dat zij verwachten het Koninkrijk Gods te zullen ingaan.

Menend op de smalle weg te wandelen zien zij de deur wijd open staan. Maar helaas: wat zij zien is een fata morgana, gezichtsbedrog. Want al vleien zij zich tot het laatste moment met ijdele hoop, al hebben zij nog zo hard de naam van hristus uitgeroepen, eenmaal komt de waarheid aan het hebt, wanneer de Heere Jezus in het grote gericht Zich van deze vrome wonderdoeners distantieert en openhjk zegt: Ik heb u . . nooit gekend. •

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NOOIT GEKEND (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's