NOOIT GEKEND (2)
Meditatie
Niet een iegelijk die tot Mij zegt: Heere, Heere, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd, en in Uw naam duivelen uitgeworpen, en in Uw naam vele krachten gedaan ? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen : Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt. Matth. 7 : 21—23
II
Het lijkt een angstvallige vergissing te zijn. Jezus erkent immers dit machtige werken van Zijn volgelingen; Hij spreekt deze mensen, die zich in het oordeel van God beroepen op wat zij in Zijn naam hebben gedaan en gepresteerd, niet tegen. In geen geval, want deze mensen hebben ook inderdaad gedaan, wat zij zeggen. Zij verzinnen maar niet iets om zich te dekken. In Gods gericht valt er trouwens niets te verzinnen! Deze mensen hebben in hun leven geijverd voor de zaak Gods, en zij hebben dit zeer lang volgehouden; zij hebben zich in hun leven niet laten weerhouden om Jezus' naam te belijden; zij hebben daarin volhard tot voor de troon Gods. Is het dan geen onmogelijkheid, dat Jezus deze ijveraars niet zou kennen? Dat moet een vergissing zijn, dat deze navolgers van Christus een dergelijk schrikwekkend antwoord ontvangen: Ik heb u nooit gekend. Dat zouden wij inderdaad zeggen, ware het niet, dat Jezus Zelf ons uitdrukkelijk zegt, dat dit toch géén uitgesloten zaak is. Hoewel Hij immers beaamt, wat deze naam-christenen in het gericht naar voren brengen, waarop zij zich beroepen, zo wil Hij van hen zelf niets weten, maar verwerpt hen geheel en al. Ofschoon deze getuigen van Christus niet gevreesd hebben voor de demonen, en altijd weer in ellende en nood op een machtige wijze hulp hebben gebracht, en daarmee de macht van Christus bewezen, stoot Hij hen van Zich af, en zegt tot hen: Ik ken u niet; Ik weet niet, wie u bent; Ik heb u nooit gekend.
En al moge dat, gezien het leven van deze mensen, een vergissing schijnen, daar is toch geen sprake van. „Te dien dage" is elke vergissing uitgesloten. Niet Christus vergist Zich, maar . .. deze ijverige, vrome mensen hebben zich vergist. Zij dachten, een open deur te vinden, maar kwamen daarin bedrogen uit. Zij meenden werkelijk te wandelen op de weg, die ten leven leidt, maar nu ontdeldsen zij, dat hun levensweg dood loopt. Hoe is dat toch mogelijk? Het leek immers alles echt te zijn. Zij zeiden tot Christus: Heere, Heere! Zij gebruikten Zijn naam, die door Jezus' ware discipelen gebruikt wondt. Zij profeteerden. Zij wierpen duivelen uit. Zij werkten wonderen. Inderdaad, het lijkt alles echt, maar het blijkt alles onecht! Want de belijdenis van deze vrome lieden wordt gelogenstraft door hun persoonlijk leven: zij deden de wil van de Vader niet. Zij noemden Christus wel Heere, maar zij deden niet, wat Hij zei.
Ten diepste waren zij ongehoorzaam. Zij profeteerden wel, maar uiteindelijk waren zij valse profeten, zonder levensband aan Christus. Zij wierpen wel duivelen uit, maar de duivel was niet uit hen zelf uitgeworpen. Zij deden wel vele krachten, maar in en achter dat alles werkten zij de ongerechtigheid. Ondanks al dit enorme vertoon bleef hun hart voor de Heere Jezus gesloten. Zij hadden nooit het geheim van de plaats des berouws ontdekt. Zij waren nooit tot inkeer gekomen om de lange en moeizame weg terug naar huis te gaan. Zij hadden in het vergelegen land der zonde nooit de dood voor ogen gehad, en zij waren nooit als boetvaardige zondaren gevlucht tot Hem, in Wie het Vaderhart en het Vaderhuis openstaan voor verloren zonen. Over al deze vele, ontelbaar vele broers van de verloren zoon, die zo dicht bij Vader- leven, maar toch niet thuis zijn, omdat zij ten diepste hun Vader niet kennen in Zijn onbegrepen zondaarsliefde, die door hard werken de erfenis pogen te verkrijgen, maar die intussen niet verstaan, dat een erfenis niet verdiend kan worden, kan de Vader niet jubelen: deze mijn zoon was verloren, maar hij is gevonden. Deze mensen willen wel de erfenis, maar zij kennen de Vader niet, en doen Zijn wil niet. Daarom blijven zij buiten, als het feestmaal wordt aangericht voor verloren zonen.
Zij hebben hard gewerkt, maar Christus kent hen niet. Dat is toch wel vreselijk. Zij hebben vele jaren de Vader gediend, maar zij kennen Hem niet, en Hij kent hen niet. Daarom kunnen zij niet ingaan, als de vrolijkheid begint. Zij hebben geen bruiloftskleed om aan te zitten in het Koninkrijk der hemelen, want de wil Gods: hun heiliging, deden zij niet. De tweespalt tussen hun vrome werken èn hun gesloten ziel, tussen hun machtige wonderden èn hun ongewassen, niet-geheiligd leven brengt hen in Gods gericht ten val. In hun dienen en werken hebben zij de vergevende liefde van de Vader niet nodig gehad, en daarom komen zij tot de ontstellende ontdekking, dat Jezus hen van de bruiloftszaal wegjaagt en verwijdert, en zegt: gaat weg van Mij. Het is het tegenovergestelde van wat Hij in hun leven tot hen sprak. Toen zei Hij: komt tot Mij, want Ik ben de deur. Te dien dage zegt Hij: gaat weg van Mij. Dat is aangrijpend, dat Jezus dit zegt. Dat betekent het einde van alle verwachting; dat betekent onherroepelijk, dat er geen hoop meer is; dat betekent de dood, de verwerping, het vuur. Want als Christus de wan in Zijn hand neemt en Zijn dorsvloer gaat doorzuiveren, wordt het kaf met onblusbaar vuur verbrand.
In het licht van dit indringende woord van Christus komt derhalve de grote levensvraag tot ons: kent Jezus ons? Niet als godsdienstige mensen, die wellicht heel veel voor Hem over hebben, en heel veel in Zijn naam doen, maar kent Hij ons als mensen, die de wil Zijns Vaders doen? Als mensen, die van ganser harte jagen naar de prijs der roeping Gods? Mensen, die in de loopbaan zó lopen, dat zij straks de prijs ontvangen? Kent Hij ons in ons berouw en schuldbesef? De kerk kent ons misschien als getrouwe leden. De wereld kent ons misschien als eerlijke en goede mensen, maar kent Jezus ons? ? ?
Vandaag gaat Zijn roep nog uit: komt tot Mij, die vermoeid en belast zijt. Vandaag wil Jezus u nog kennen! Welk een bijzondere eer! Maar Hij wil u niet kennen als mensen, die menen iets te kunnen aanbieden. Hij kent alleen tollenaren en zondaren, verloren mensen. Die wil Hij kennen. Voor hen heeft Hij Zijn bloed gegeven. Hen alleen wil Hij in Zijn eeuwige zalige gemeenschap betrekken.
Wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen in het uur van het gericht. Wie de heilige grens tussen eigen roem in zelfbehoud en Gods glorie in het redden van verloren zondaren niet in acht neemt, lijdt schipbreuk op dit niet meer te hierroepen woord: Ik heb u nooit gekend.
Wie zijn leven verliest, zal het vinden aan de voeten van Hem, die macht geeft om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht van de vijand, zodat geen ding beschadigt, maar die tegelijk daarbij zegt: Verblijdt u niet daarin, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen gesdhreven zijn in de hemelen.
Die namen zijn geschreven met Jezus' bloed! Het zijn de namen van hen, die Jezus kent, nu en in het uur van de dood; in deze tijd èn te dien dage.
(Ede)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's