De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Rondom de cultuur (II)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rondom de cultuur (II)

5 minuten leestijd

In het nummer van 6 juni 1963, 51e jaargang no. 23 werd een artikel opgenomen onder de titel „Rondom de Cultuur". Door een misverstand werd echter een gedeelte geplaatst en bleef het aansluitende stuk tot nu toe liggen. Om het verband met het eerste stuk en het nu volgende duidelijk te maken volgt eerst een kort resumé van het eerste stuk. Aan schrijver en lezers bieden wij gaarne onze verontschuldigingen aan.Redactie

De Christelijke Kerk ontstond in het grote Romeinse Rijk. De christelijke religie trad een wereld binnen, die reeds lang had bestaan en een eigen leven had geleid. Het Evangelie van Christus vond tegenover zich een rijk natuurlijk leven, een hoog ontwikkelde cultuur.

De houding der christenen

Er waren christenen, die de cultuur zo vriendelijk tegemoet traden, dat zij aan de rechten en eisen der christelijke belijdenis te kort deden; andere christenen keerden aan de toenmalige cultuur de rug toe en zochten in onthouding hun kracht. Eigenlijke asceten waren de eerste christenen niet, want zij geloofden vast, dat de aarde des Heeren is. Maar de toen bestaande cultuur hing zo nauw samen met allerlei heidense praktijken, dat de christenen, zonder verloochening van hun geloof, er geen deel aan konden nemen.

De ontwikkeling bracht enerzijds een terrein voor de ascese binnen de kerk (monniken, kloosters); anderzijds had de kerk invloed op de wereld en de cultuur, doch de wereld drong ook de kerk binnen en wekte begeerte naar grootheid des levens en aardse nacht. Wereldverachting en wereldbeheersing waren de kenmerken van de kerk in de Middeleeuwen.

De Hervorming

De hervorming kwam tegen beide in verzet en leerde dat de cultuur in de ruimste zin genomen, nooit is te beschouwen als een produkt van het christendom, doch dat de goederen der cultuur goede gaven en volmaakte giften zijn, die nederdalen van de Vader der lichten. Het christendom bindt daarom niet tegen de cultuur zelf de strijd aan, maar alleen tegen het bederf, dat er in gedrongen is.

Dat Calvijn ook hierover zo dacht, moge blijken uit zijn eigen woord: Als de Schrift ons de uitvinding van Jubal mededeelt, „hij is de vader geworden van allen, die citer en fluit bespelen", dan wijst Calvijn er op, dat hier gehandeld wordt van treffelijke gaven van de Heilige Geest, dat God in deze kunstzin Jubals geslacht verrijkt had met uitnemende talenten. In zijn commentaar op Exodus verklaart hij, dat „alle kunsten uit God vloeien en te eren zijn als goddelijke uitvindingen". Ook deze schatten van het natuurlijke leven zijn in hun oorsprong aan de Heilige Geest dank te weten.

Van de muziek zegt Calvijn, dat ze een wondere ongelooflijke kracht bezit, om de harten te roeren en de neiginigen en zeden te buigen en te verzachten.

De eenvoudige dingen van het dagelijks leven

We krijgen ook enig inzicht in de ontwikkeling van de cultuur, wanneer wij ons afvragen hoe onze grootouders leef­den en dit eens vergelijken met hoe wij leven.

Meer dan honderd jaar geleden ging het vervoer per trekschuit of dilligence. Onze grootouders konden van de trein gebruik maken over grotere afstanden. Het aantal lijnen en stations werd voortdurend uitgebreid totdat de eerste wereldoorlog kwam. Na deze zagen we een groot aantal autobussen op onze wegen verschijnen, die het vervoer tussen de dorpen en steden op zich nam. Dientengevolge werden verschillende lokale spoorlijnen opgeheven met de stations. Voorts werden tramlijnen opgeheven en de trams door bussen vervangen. Voor onze grootouders was de fiets een kostelijk bezit: zij behoefden dan niet te lopen of paard en wagen in te spannen; thans hebben velen de neiging deze in te ruilen voor een bromfiets, waarmede men zich sneller en gemakkelijker kan verplaatsen.

In de tijd van onze grootouders gingen zij des zondags in de dorpen ter kerk met paard en wagen; de stalhouders zorgden voor ruimte om de paarden te stallen. Later burgerde de fiets in en thans ziet ge rijen auto's bij de kerk staan tijdens een kerkdienst naast de nodige brommers.

Onze grootouders zaten des avonds bij de petroleumlamp, in de steden kwam daarna het gaslicht, maar wie heeft thans nog geen elektrisch licht?

Toen de eerste wereldoorlog uitbrak en ons leger op 31 juli 1914 gemobiliseerd werd geschiedde dit door middel van aanplakbiljetten in dorpen en steden.

Bij de mobilisatie voor de tweede wereldoorlog in 1939 werd de radio ingeschakeld en werd niet dezer dagen voor een militaire oefening tevens van de televisie gebruik gemaakt?

Radio en televisie

In het verleden was het middel om de medemens te bereiken het gesproken of het gedrukte woord. De couranten, dag of weekbladen speelden in het verleden de hoofdrol. Zij vertelden ons wat er elders in de wereld gebeurd was. Sprekers lichtten het publiek in vergaderingen voor over ale mogelijke onderwerpen, georganiseerd door velerlei verenigingen en soms door de kerken.

Ongeveer veertig jaar geleden begon in ons land de radio zijn rol te spelen. Vonden wij het toen niet machtig een bekend spreker via de radio te beluisteren? En werden in die eerste dagen niet toestellen opgesteld in wijkgebouwen en dergelijke om iemand via de radio te kunnen beluisteren?

De Ned. Christelijke Radiovereniging werd in die dagen opgericht en zag het grote belang van deze nieuwe uitvinding in. Maar er waren er ook in christelijke kring, die negatief stonden tegenover deze nieuwe uitvinding. Zij keurden het af, dat iemand een dergelijk toestel zich zou aanschaffen.

De tijd heeft echter geleerd, dat deze mensen hun doel niet bereikt hebben, al mogen zij dan ook nog zo respectabele argumenten hebben aangevoerd. In 1960 bleek slechts 4 % der bevolking geen radiotoestel te bezitten. Dit is in hoofdzaak een financiële kwestie, want personen zonder radio worden het meest in de laagste inkomensklasse laangetroffen. Van deze groep personen bezit 12 % geen radio.

Thans heeft ook de televisie zijn intrede gedaan. Ook thans zijn er sommigen, die het zich aanschaffen van een televisietoestel afkeuren, terwijl in een enkelijke kring met kerkelijke tucht gedreigd wordt. Ik vermoed, dat als we weer 40 jaar verder zijn die situatie met de televisie niet veel anders zal zijn dan thans met de radio het geval is. In de winter van 1960 bezat 29 % der bevolking een televisietoestel, in de winter van 1962 bleek dit al 47 % te zijn. Uiteraard zou over deze getallen en deze zaken veel meer te zeggen zijn. We zullen bij een beoordeling en het bepalen van ons standpunt wijs doen uit te gaan van de opvattingen van Calvijn in het begin van dit artikel gememoreerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Rondom de cultuur (II)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's