De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

12 minuten leestijd

Van twee referaten — De nood der noodvoorziening — Dubbele boekhouding — Over een briefje.

In de tweede helft van de maand juni heeft de Confessionele Vereniging haar jaarvergadering gehouden met daaraan verbonden de conferentie, waarop prof. V. Niftrik en prof. v. Itterzon hebben gerefereerd. De eerste heeft als onderwerp behandeld: „Bultmann's Theologie als waarschuwing en uitdaging". In twee nrs. van „Hervormd Weekblad" (dd. 27- 6 en 4-7-'63) is een deel van wat prof. v. N. over dit onderwerp heeft uiteengezet, opgenomen; het slot moet nog komen. Ik schrijf daarover nu niet. Er zijn bij de lezing van wat is gepubliceerd wel enkele vragen bij mij opgekomen; o.m. deze of bij de uiteenzetting van de achtergronden van Bultmann's theologie wel alle motieven welke deze zo in onze dagen in de theologische belangsteling staande Duitse nieuw-testamenticus, drongen tot zijn dusgenaamde „Entmythologisierung" van het Evangelie om het echte „Kerugma", de wezenlijke „verkondiging" te doen opklinken naar de exisitentiële nood van het huidige geslacht, uit de verf zijn gekomen. Ik dacht dat 't Bultman ook en vooral was te doen om 't Evangelie van vermeende elementen aan de „gnosis" ontleend — 'n zekere wijsgerige stroming uit de eerste eeuwen na Christus — te zuiveren. Doch dit terloops, want ik ben geen vakman op dit terrein, en het referaat is nog niet in zijn geheel in druk verschenen.

Dat is wel het geval met wat prof. v. Itterzon heeft gegeven over het van hem gevraagde onderwerp: „De nood der noodvoorziening", een thema, waarover hij meermalen rake dingen heeft gezegd in de „Vragenbus" van het Orgaan der Confessionele Vereniging en waarvoor hij, canonicus van formaat, kenner, ook van het huidige kerkrecht wel de aangewezen expert is. Omdat de „noodvoorziening" een zeer urgente zaak is — ze moet naar de bepalingen aan haar gesteld per 31 december 1964 aflopen — en ook vele gemeenten van herv.gereformeerde „modaliteit" — om dit veelal gebruikte woord nu maar te bezigen — in die „nood" betrokken zijn, geef ik enkele opmerkingen over en naar aanleiding van wat prof. v. Itterzon over dit onderwerp in het hcht heeft gesteld. Zulks in dezelfde nrs. van „Herv. Weekblad" als boven zijn aangegeven.

„Beginselen zijn vaak tirannen". Deze uitspraak plaatst de Utrechtse hoogleraar als hij het heeft over „de achtergronden" die door deze wetten (bedoeld zijn de overgangsbepalingen) duidelijk zichtbaar worden. Met een verwijzing naar het boek van prof. Haiitjema: „over het Nederlands Hervonnd Kerkrecht" poneert dan prof. v. Itterzon, „dat het de oprechte bedoeling der opstellers is geweest om door het treffen van nevenvoorzieningen de partijschappen te doen verdwijnen om zodoende onze kerk door de weg van beterschap aan een goede gezondheid te helpen".

Ik wil wat in deze zinnen is gezegd geenszins betwisten, maar toch opmerken, dat, naar verluidt, in „deze oprechte bedoeling" ook en bijzonder meewerkte Veluwse gemeenten van de „G.B. modaliteit" te saneren; of om het anders te zeggen: te zorgen dat lidmaten die voor prediking en catechese een andere „modaliteit" wensten, dan in de plaatselijke gemeente heerste, daarvoor de gelegenheid te scheppen. Het hier volledigheidshalve genoemde motief kan matuurlijk in het hiervóór genoemde verdisconteerd zijn. Dit nu over „de achtergronden".

Prof. V. Itterzon vervolgt dan: „De vraag, die nu, na enkele jaren ervaring in diverse gemeenten moet worden gesteld is deze. Zijn wij op de weg der genezing? Zijn er symptomen van verbetering en zijn de partijschappen de verdwijning nabij"? Er is wel niemand, die hierop bevestigend kan antwoorden. Integendeel. Was met de nevenvoorzieningen bedoeld „de hotelkerk" — prof. Haitjema bezigde dat woord in zijn werk over het Ned. Herv. Kerkrecht — een zachte dood te doen sterven, ze is springlevender dan ooit wellicht. Prof. V. Itterzon heeft het in het vervolg van zijn referaat over de eenheid, die er naar apostolisch vermaan in de Kerk moet zijn, doch wil ook gesproken hebben van een legitieme verscheidenheid. Zulks naar 1 Kor. 12. Maar met nadruk stelt hij, dat dit geenszins inhoudt, dat elke belangrijke minderheidsgroep het recht zou hebben „bijv. dat voor een onbijbelse, humanistische, algemeen godsdienstige of religieuze boodschap ruimte zou moeten worden gemaakt. Het gaat alleen „om Christus en het Woord van God". Hiermede is dus kennelijk een vrijzinnige prediking afgewezen.

In het slot van zijn referaat pleit prof. V. Itterzon voor een elkander zoeken te verstaan, als er afsplitsing is in een noodvoorzieninig. Dienaangaande zegt hij: „Zou het niet geboden zijn, dat wij elkander vinden? Als broeders, die over de trant van prediking en liturgie, over de aanpak van catechese en huisbezoek verschillend denken, maar toch over en weer van elkander moeten en willen aannemen, (dat zij broeders zijn in Christus en Zijn Kruis en opstanding even vurig belijden"?

Niemand zal kunnen ontkennen, dat in deze woorden veel behartenswaardigs ligt opgesloten. Maar dan „de praktijk", de harde praktijk met haar vele stugheden en misverstanden! Ik denk aan het vastlopen van de besprekingen in Strijen. „Trouw" lanceerde er onlangs een bericht over op de voorpagina van het hoofdblad. Volgens dat bericht lag alle schuld bij de evangelisatiegroep, die ondanks de besprekingen de uitbouw van haar lokaal had doorgezet. Tussen de regels werd zo gesuggereerd, dat zij aan geen toenadering dacht.

Het „Maandblad van de afd. Strijen van de Geref. Bond in de Herv. Kerk" van juli, heeft dit bericht prompt tegengesproken en zal er nader op terugkomen. Nu signaleerde ik een stugheid van, laat mij maar zeggen confessionele zijde. Maar ze bestaan ook aan G.B. kant, dacht ik. Eén ding vergeet men meen ik, wel eens bij dergelijke besprekingen.

Een evangelisatiegroep is gewend tweemaal per zondag te kerken. Dat is te prijzen, want de middagdiensten gaan steeds meer ontvolkt worden. Maar dit tweemaal kerken moet ook aangewakkerd en aangekweekt worden. En als een evangelisatiegroep als in Strijen en andere plaatsen bij een mogelijk vergelijk dat tweemaal kerken, gelijk ze gewend is, zou moeten opgeven, is dat een offer, dat zonder meer moeilijk, zo niet onoverkomenlijk is. De besprekingen in Almelo en de modus, die werd aanvaard voor geleidelijke inschakeling, heeft met die wens en behoefte der in evangelisatiekring kerkenden rekening gehouden. Dat is te prijzen. Er zijn, dacht ik, met wat goede wil en prijsgeving van „heilige huisjes", die niet het huis Gods steunen, nog wel iets te bereiken en misverstanden uit de weg te ruimen. En men vergete niet: 31 december 1964 nadert met rasse schreden.

Nog een andere moeilijkheid, die mede „de nood der noodvoorziening" raakt, heeft prof. v. Itterzon ter conferentie van de Confessionele Vereniging grondig aangesneden. Het befreft de dubbele registers in gemeenten met een „noodvoorziening".

Daarmee is het volgende bedoeld: Degenen, die met attestatie binnenkomen en zich bij de „noodgemeente" voegen — het woord is Kerkordelijk niet juist, maar gemakshalve gebruik ik het toch maar — en niet door de officiële kerkeraad in zijn lidmatenregisters worden ingeschreven krijgen dan hun plaats in aparte boeken, die berusten bij het moderamen van de Provinciale Kerkvergadering, waaronder men ressorteert. Gevolg is, dat bedoelde lidmaten bij de zesjaarlijkse en andere stemmingen hun stem niet kunnen uitbrengen. Dit is ook het geval met hen, die in de „noodgemeente" belijdenis des geloofs afleggen. Ook zij kunnen hun rechten in de officiële gemeente niet uitoefenen. Een kerkeraad, die weigerachtig is de leden der „noodgemeente" in te schrijven, is zulks om te verhinderen dat bij een stemming de zaak „om" zal gaan.

Deze dubbele boekhouding, hoe­ zeer begrijpelijk, zou men een kerkordelijk monstrum kunnen noemen. Deze situatie geeft het gewone kerkvolk gemeenlijk weinig zorg.

Het komt er weinig mee in aanraking en indien wel, dan laat het deze kwestie gaarne aan de Kerkeraad over. Maar hij de betrokkenen uit de noodgemeente staat het anders. Die zeggen: „we zijn lid van de Hevormde Kerk en hebben alzo kerkordelijke rechten". De noodweg van „de dubbele boekhouding" is in de noodvoorziening als mogelijkheid gesteld, doch het is een voorlopige oplossing. Prof. V. Itterzon heeft, sprekend uit het kerkordelijk recht, de situatie als ontoelaatbaar gesignaleerd. Dat klemt te meer, als van de leden der „noodgemeente" kerkelijke hoofdelijke omslag zou gevraagd worden. Ieder zal dit laatste onbillijk vinden, doch het zou kunnen geschieden. Daar komt nog iets bij. Er kunnen situaties in dergelijke gemeenten voorkomen, dat de „ontrechten" — zo zien ze zich zelf — niet berusten. Naar mij ter ore kwam, is er een gemeente, waar de leden, die niet officieel werden ingeschreven, zo talrijk zijn, dat bij stemming de zaak „om" zou kunnen gaan. Bedoelde leden willen forceren. Weigert de Kerkeraad ze in te schrijven, dan zal de classis er bij te hulp worden geroepen. Weigert die de kerkeraad af te zetten, dan wordt het hoger op gezocht. En het zou kunnen gebeuren, dat ook het moderamen van de classis werd geschorst of afgezet. Men zegt misschien „het zal zo'n vaart niet lopen". Het is mogelijk. Doch de kerkeraad, hier bedoeld, is er niet zo gerust op. Hij ging meerdere instanties advies vragen. Ik herhaal nog weer, wat ik hier neerschreef berust op mondelinge berichtgeving. Ik vermeldde een en ander om te illustreren, wat kan gebeuren. We moeten niet met oogkleppen in het leven staan, ook niet in ons kerkelijk leven.

Men voelt, dat er van Synodewege betreffende de „noodvoorziening" wel iets zal moeten gebeuren. Men kan de overgangsbepalingen in 1964 weer voor 5 jaar verlengen.

Prof. V. Itterzon zou zulks betreuren. Dat het hij in zijn stuk wel uitkomen. Doch ook al schort de Synode de afschaffing van de „noodvoorziening" op, daarmede is zij niet uit de moeilijkheid en de gemeenten evenmin.

In 1962 schijnt — ik meen in de najaarszitting — ter Synode deze zaak al in bespreking te zijn geweest. Een oplossing in de zin van een „sympathie-gemeente" schijnt geopperd te zijn. Misschien zou het een weg zijn om uit de impasse te komen. „Sympathie-gemeente" dan in deze zin, dat wie met leiding en prediking in zulk een gemeente sympathiseren zich daarbij konden voegen en daar hun stemrecht uitoefenen, ook al woonden ze met binnen de grenzen van die wijk. „Niet fraai" zal men zeggen. Akkoord. Maar de situatie, waarin we zijn is ook allesbehalve fraai. Er zal iets moeten gebeuren. En die er voor geroepen zijn, moeten het kunnen. Ik geef, wat ik aanduidde gaarne voor beter en 'blij, dat ik geen oplossing behoef te geven. Ik heb alleen gewezen op de moeilijke situatie, de harde werkelijkheid, waarin we nuchter hebben te zijn. Dat vraagt de Schrift. En voorts: het moet een weg zijn, die niet in strijd is met Gods Woord. Doch men kan niet zonder meer onze historisch gegroeide kerkelijke situatie ident verklaren met die van Korinthe, hoe droevige toestanden daar ook waren. Er was tenslotte nog eenheid in belijden en buigen voor het Evangelie Gods.

De Synode der Geref. Kerken wordt dit jaar in Groningen gehouden. Ze is in mei jl. al geopend, maar daarna verdaagd om de vele commissies van beraad en en rapporten ruimschoots de tijd te geven. In augustus hoopt men dan weer de gewone vergaderingen te kunnen houden:  Onlangs heeft ds. Plomp uit Utrecht - hij verzorgt al geruime tijd met prof. Herman Ridderbos in het Geref. Weekblad (luitgave Kok) de rubriek „Van Week tot Week" — in een aan de Synode van Groningen gewijd artikel, de kerken opgewekt deze Synode in de voorbede te gedenken. Alleszins begrijpelijk en naar die orde.

In het G.W. dd. 6-7-'63 doet ds. P. mededeling, het volgende briefje te hebben ontvangen:

In het Geref. Weekblad van 21-6 las ik in uw artikel „De goede synode": „Haar leden zwoegen thans in de voorbereidende commissies; wij mogen wel eens aan hen denken en hun kracht en wijsheid toewensen." (U bedoelde de leden van de synode van Groningen).

Dat nu heeft mijn volle instemming. Zonder dat ik het Geref. Weekblad van jl. zondag gelezen had, héb ik in 't gebed in de morgendienst in de kerk van Monaarsgraaf voor de synodeleden gebeden. Ik hoop, dat meer predikanten dat gedaan hebben of doen. Ik kwam op die gedachte, doordat in onze kerken gebeden is voor de zieke en stervende paus én voor het conclaaf der kardinalen.

M.i. heeft Rome tegenwoordig wat al te zeer de aandacht. Wat weten sommige gereformeerden van wat er in eigen kerkelijk leven omgaat? Heel weinig!"

Bij het lezen van dit episteltje moest ik onwillekeurig denken aan de woorden uit het „Gebed voor alle nood der Christenheid: „Voorts bidden wij u voor al onze medebroeders, die onder de Paus • • • vervolging lijd'en".

Dit gebed stamt uit andere tijden dan de onze, waarin de oecumene tot in het belachelijke gekweekt wordt. „Trouw" dd. I7.7.'63 gaf een foto met een predikant (herv.) en een pastoor, die met een pierement en busje hun omgeving afwerkten voor een carillon. Het schijnt in Rijnsburg te zijn gebeurd.

Ach ja. Rome en de oecumene zijn boeiende fenomenen. En dominees dreigen „manusje van alles" te worden. Zijn onze kringen gevrijwaard tegen deze in­fectie-verschijnselen? Het is te hopen, maar gerust ben ik er niet op.

De pastores, de herders, beijveren zich in en met vele dingen. Maar de verdieping in het Woord en de reformatorische erfenis is er helaas te weinig. Het werkt vermagerend in prediking en gemeenteleven. Johan de Wit had als lijfspreuk: „Hoc ago", dit ene doe ik. En hij heeft veel bereikt. Paulus heeft het, in ander verband, ook over „Eén ding doe ik".

En het deed hem, voortgaande, belijden van „de uitnemendheid van Christus", waarbij al 't andere verbleekte. De apostel spreekt van: „schade en drek". Het zij tot een exempel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's