De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NAAR ANTIOCHIË IN PISIDIË

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NAAR ANTIOCHIË IN PISIDIË

7 minuten leestijd

Van Paphos op het eiland Cyprus zijn Barnabas en Paulus, vergezeld van Johannes Marcus, scheep gegaan naar het vasteland van Klein-Azië. Het schip, waarmede zij de Middellandse Zee overstaken, is daar voor de kust van Pamphilië de rivier de Cestrus opgevaren, totdat het na een kilometer of dertig in de haven van Perge gemeerd werd. Daar zijn de arbeiders in het evangelie van Christus Jezus aan land gegaan. Ongetwijfeld hebben zij hier nog het heiligdom gezien, dat aan de godin Artemis gewijd was, en dat even buiten de stad gelegen was. De verering van deze godheid maakte Perge destijds beroemd. Van heinde en ver trok men naar de tempel, waar haar cultus plaats vond.

Te Perge heeft zich nog een voorval voorgedaan, dat later bijzonder nare ge­volgen hebben zou: Johannes Marcus onttrok zioh aan het gezelschap van Paulus en Barnabas, en begaf zich op de terugweg naar zijn vaderstad. Nadien zou deze gebeurtenis verwijdering teweeg brengen tussen de beide werkers voor de zaak des Heeren. Voor Paulus zou het een doorslaggevend motief zijn Johannes Marcus niet mee te nemen op de zogenaamde tweede zendingsreis. Dat wijst er wel op, dat de terugkeer van Johannes Marcus niet als een kleinigheid mag worden opgevat. Achter de simpele mededeling, dat hij naar Jeruzalem terugging, zit meer dan wij meestal vermoeden.

Wellicht is het niet te ver gezocht, wanneer wij veronderstellen, dat Johannes Marcus na de aankomst in Perge bevreesd geworden is nog langer met Paulus en Barnabas mee te reizen, omdat de reisplannen, die zij hadden, hen naar Antiodhië in Pisidië zouden voeren. Uit allerlei inscripties weten wij namelijk, dat de weg van Perge naar Antiochië niet een van de gemakkelijkste was. Reizen was in de oudheid in het algemeen geen ongevaarlijke bezigheid. Wij verwijzen slechts naar wat prof. Sizoo daarvan vertelt in zijn boekje: „Reizen en trekken in de oudheid". Daaruit valt in dit opzicht veel te leren. En anders leze men nog maar eens na wat Paulus zelf verhaalt in 2 Cor. 11 vers 23 vv. Hoeveel gevaren, aan het reizen verbonden en bij het reizen ondervonden, worden daar niet opgesomd!

Om nu op de zo even genoemde inscripties terug te komen, zij bewijzen, dat de verbindingsweg van Perge naar Antiochië — dat veel verder de binnenlanden in lag — zeer gevaarvol was: velen zijn er in bergstromen omgekomen, en tallozen zijn er door roversbenden om het leven gebracht. Als wij dit in het oog houden, wordt het ons stellig duidelijk, waarom Johannes Marcus zich begeerde terug te trokken. Zijn aarzeling om nog verder mee te gaan wordt er begrijpelijk door. Of zijn houding goedgekeurd mag worden, is echter een andere zaak. Voor Paulus is het in ieder geval een reden geweest Johannes Marcus ongeschikt te achten voor de dienst in het evangelie Gods. Men zie Hand 15 vers 35 vv.

Door de terugtocht van Johannes Marcus hebben de beide anderen zich evenwel niet laten ontmoedigen. Vanuit Perge zijn zij samen op reis gegaan naar Antiochië.

Dit Antiochië in Pisidië was een van de vele steden van die naam, die door die Seleuciedische vorst Seleucus Nicator (312—280 voor Chr.) waren gesticht ter ere van zijn vader Antiochus. De ligging van deze stad was uitermate gunstig: zij bevond zich aan de grote handelsweg, die van Efeze naar Cicilië liep. Vandaar, dat het een van de handelscentra van Klein-Azië was. En mede hierdoor had het Hellenisme er een goede voedingsbodem gevonden. Ook vele Joden hadden er zich gevestigd, daartoe door de Seleucieden om allerlei politiëke en commerciële redenen aangemoedigd. Deze Joden bezaten er een synagoge, gelijk ook uit Hand. 13 naar voren komt. En daarvoor waren, naar Joods gebruik, minstens 10 Joodse ingezetenen van het mannelijke geslacht nodig. Eerst dan mocht er een synagoge gebouwd worden.

Zulk een synagoge vormde het middelpunt van het ganse Joodse leven. Vooral op de sabbath. Niet ten onrechte noemde Flavius Josephus haar: „het leerhuis". Reeds de bouwwijze van een synagoge laat zien, dat het „leren" vanuit het Woord Gods er een centrale plaats gehad heeft. Meestentijds had ze immers de vorm van een gehoorzaal, waarin de hoorders gericht werden op de nis, waar de heilige boeken werden bewaard, en 244 Op het platvorm, vanwaar de Schriften werden gereciteerd en uitgelegd. Tot dit laatste, het voordragen en verklaren van het Woord Gods, was in principe ieder lid der gemeente bevoegd. Wel waren er ook oudsten. Maar zij hadden een taak, die voomamelijk admimstratief van aard was. Ook was er een voorzitter. Zijn roeping was het vooral toezicht uit te oefenen en lezers en sprekers uit te nodigen.

Hoe het in een synagogale bijeenkomst toeging, kunnen wij o.a. opmaken uit de beschrijving van het optreden van Christus in de synagoge van Nazareth, zoals dat in Luk. 4 vers 16—21 ons gegeven wordt. Samen met andere gegevens krijgen wij dan het volgende beeld: Men begon met het reciteren van het Sjema, een gedeelte uit Deut. 6, dat als geloofsbelijdenis dienst deed. Het ging daarbij om de woorden: „Hoor Israël, de Heere, onze God, is een enig God." Vervolgens werd er gebeden en werd de priesterlijke zegen opgelegd. Daarna werd een wetsrol tevoorschijn gehaald en op de lessenaar gedeponeerd. Een gemeentelid, dat daarvoor gevraagd was, las dan een stuk uit de Schriften, staande op het spreekgestoelte. Naast hem stelde zich een tolk op, die het ene vers na het andere van het Hebreeuws in het Aramees of zelfs in het Grieks overzette. Dat was onontbeerlijk, omdat niet iedere Jood meer het bijbelse Hebreeuws verstond of spreken kon. Het was toen al geen levende taal meer.

Wanneer men klaar was met de Schriftlezing, en er een zegenspreuk was uitgesproken, ving men aan met de recitering van een stuk uit de „profeten". Daartoe behoren in de Hebreeuwse bijbel óók de historische boeken. Zo heeft Christus in Nazareth uit de profeten Jesaja 61 gelezen. Ook hierbij bewees een tolk weer goede diensten. De vertaling van de profetische boeken mocht echter vrijer zijn dan dit van de wet. Dit deel van de synagogale eredienst werd besloten met de lofprijzing: „Geloofd zijt Gij, Heere onze God, Koning der wereld. Rots der eeuwen. Rechtvaardige in alle geslachten, trouwe God, die spreekt en het doet, die zegt en het houdt; want al Uw woorden zijn waarheid en gerechtigheid."

Nadat er uit wet en profeten gelezen was, ging men over tot de prediking. In tegenstelling tot de recitering van Gods Woord geschieddie deze zittend. Men poogde de Schriftgedeelten nader te verklaren en toe te passen, actueel te maken. Wat ons daarvan bekend is, toont ons, dat men zich hierbij dikwijls niet al te veel aan de betekenis van de tekst gelegen liet liggen. Soms waren de uitleg en de toepassing nogal vrij, gerekend naar onze maatstaven. Vooral bij de secte van de Dode Zee, waarschijnlijk bestaande uit Essenen, vinden wij een schriftverklaring, tevens schrifttoepassing, die sterk actualistische trekken draagt en die doet vermoeden, dat men daar meer inlegkunde dan uitlegkunde heeft bedreven. En dit dan vanuit de situatie, waarin zich de secte bevond, en de principes, die men er bij de secte op na hield.

De synagogale samenkomst werd beëindigd met de priesterzegen uit Numeri 6. Deze zegen mocht echter alleen door een lid van een priesterlijke familie gegeven worden. Was er niet zo iemand present, dan was het geoorloofd, dat de voorganger het deed. Hij moest dan evenwel de zegen vooraf laten gaan door de woorden: „Onze God en God" onzer vaderen zegene ons met de drievoudige Thorazegen, die neergeschreven is door uw dienaar Mozes en uitgesproken moet worden door Aaron en zijn zonen, de priesters. Uw heilige schare".

Opgemerkt zij nog, dat iedere aanwezige aangezocht kon worden het verklarend en toepassend woord uit te spreken. Al was het in de praktijk in de regel zó, dat Schriftlezing èn prediking door één en dezelfde persoon gebeurden. Deze kennis van de synagogale Godsdienstoefening nu is onmisbaar tot een recht begrip van hetgeen Paulus te Antiochië in Pisidië gedaan heeft. Samen met Barnabas is hij daar op een sabbathdag naar een synagoge gegaan. Toen de overste der synagoge deze twee Joodse vreemdelingen opgemerkt had, heeft hij hun laten vragen, of zij soms een woord van opwekking hadden, dat zij na de lezing van wet en profeten het volk konden laten horen. Dit verzoek lag dus geheel in de lijn van de „orde van dienst", bij de synagoge in gebruik.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NAAR ANTIOCHIË IN PISIDIË

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's