SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING (VI)
Een achttiende eeuwse droom
Indien gij in Mijn inzettingen wandelen, en Mijn geboden houden en die doen zult, ... zal Ik vrede geven in den lande, dat gij zult te slapen liggen en er niemand zij die verschrikke (Lev. 26 : S en 6a). (Vervolg)
Na 1945 — het zal hier bij een fragmentarische behandeling van de geschiedenis van het hedendaagse pacifisme moeten - blijven — kreeg dat pacifisme de wind in de zeilen als nimmer tevoren, en dat niet alleen van de weeromstuit van de laatste wereldoorlog als ten dele ook na de eerste wereldoorlog zo duidelijk het geval is geweest. Nog leeft in ons midden de herinnering aan de beweging van de „gebroken geweertjes", deels een uitvloeisel van de kreet „Nie wieder Krieg!", deels ook in het straatje van de oude socialisten: „Moeder ga voor je kindje staan, want daar komt de militie aan. De militie is het oorlogsgeweld, daar is geen moedertje op gesteld" (Dirk Troelstra).
Naast het 1/1-e pacifisme ontwikkelde zich onder de loodzware druk van de problematiek van de kernbewaping het 1 /2 e pacifisme, het reeds genoemde atoompacifisme. AA-bewegingen — veelal in de vorm van een comité — schoten : als paddestoelen uit de grond.
Een specimen van dat pacifisme ligt thans vóór ons: het synodaal rapport.
Het heet dan wel geen pacifistisch geschrift te zijn, maar wat zegt ons - dit? Pacifisme ten halve tendeert naar consequent pacifisme, naar de ervaring leert (prof. Berkhof, dr. Dippel e.a.). Als sociaal verschijnsel vervluchtigt het aan de openbaarheid, op dezelfde wijze als benzine aan de open lucht
Het voorstel van onze Synode om de atoomdrempel op te vijzelen tot op een niveau, dat de kernwapenen zouden kunnen worden gemist (blz. 50 en 65), moet als volstrekt irreëel van de hand worden gewezen, daargelaten nog de vraag of dit voorstel wel ernstig kan zijn gemeend. Was dan het aanbod van legerpredikanten uit onze kerk in het verleden zoveel groter dan thans ? Het wil mij voorkomen, dat dr. van Leeuwen in deze de geest van de Bazelse theoloog beter vat dan onze Synode dat doet!
Nu doen de pacifisten het steeds weer voorkomen alsof zij alleen de stam van het geschokte wereldgeweten vertolken. Klinkt hierin - ook niet iets door van dat achttiende eeuwse élitebesef (Voltaire's „Ie petit troupeau", c.q. de belichaming van Rosseau's „la volonté generale"), later opgegaan in het marxistische begrip "partij"?
Het drong in de afgelopen jaren ook wel tot de niet-pacifisten door, wat ons thans boven het hoofd hangt, al ging dat met horten en stoten.
Bikini (1 maart 1954) en Nova Zembla (30 oktober 1961) waren culminatiepunten in dat bewustwordingsproces, alsook duidelijk op de politieke barometer (het „geschuifel" in het pacifistisch kamp) kon worden afgelezen.
Het waren overigens niet alleen die proefexplosies, welke ons schokten; de evenementen op het terrein van de ruimtevaart verstoorden mede onze rust.
Ja, en dan staan daar telkens weer die pacifisten klaar met hun recept: „Die Waffen nieder" (Bertha von Suttner). Alsof die opgejaagde mens daarmede tot kalmte zou kunnen worden gebracht . . . . .Welk een bedrog!
Wat heeft het voor zin het kwaad van de oorlog te willen bestrijden, als men de wortel van het kwaad onaangetast laat? Dr. Rietveld schreef dan ook zeer terecht: „Wanneer men bij de gevolgen begint en de oorzaken laat bestaan, streeft men naar het onmogelijke". Het is toch bij de individuele mens, dat de „oorlogsbacil" (E. Hienny) moet worden gezocht . . . .
De „atoomimpasse" (Mathon), waarin wij ons thans heten te bevinden — een thema, dat in de volgende paragraaf ter sprake komt, D.V. — Is niet zozeer een gevolg van dat dreigende zwaard boven ons hoofd als wel van de toenemende afval van God en Zijn dienst.
Hoe duidelijk is niet de tekst, aangehaald in het hoofd van deze paragraaf!
Het is ook niet waar, dat wij in de dodencel zouden zitten, in afwachting van onze executie (ds. Landsman). Zouden wij het oordeel dienaangaande niet aan de Heere overlaten?
Het had m.i. onze Synode gepast pacifisten en niet-pacifisten op te roepen tot boetedoening en bekering. Ziet zij dan in het geheel niet in, dat er een historisch aanwijsbaar verband bestaat tussen de voortgaande saecularisering enerzijds en de in hevigheid toenemende verschrikkingen van een oorlog, enz. anderzijds?
In 1919 schreef dr. Hepp: „Afvallen! Het is een zich onttrekken aan Jezus' zaligende invloed. Een voortdurend tegenstaan van den Geest. Een toeschroeien van zijn conscientie voor het Woord. Een langzaam, maar zeker zich losrafelen van het verbond. Eén brok voor brok ruineeren van zijn ziel. Die afval zal gepaard met hevige schokken in de natuur en rampen in de menschenwereld. Want wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen".
Dit was kort na de Eerste Wereldoorlog.
Is het op zichzelf al niet triest, dat deze woorden na de Tweede Wereldoorlog moeten worden herhaald?
Hebben wij mensen nog wel het recht om zo te keer te gaan?
Ik acht het spreken van onze Synode in dit verband wat gewaagd.
Past ons niet wat meer dankbaarheid, dat de Heere ons nog een „Gnadenfrist" laat...? En dat in een land als Nederland!
Tal van pacifisten gaan hier ver over de schreef: hun laatdunkend spreken over wat onze voorouders goed en bloed heeft gekost, enz., stuit mij zeer tegen de borst.
En wat de kembewapenig betreft: Geen mens, die de Hemel naar zijn hand zet. Daar worden gebeden ingewacht, geen nota's !
Stellig spreekt bij het hedendaagse pacifisme ook het moderne levensgevoel een hartig woordje mee.
In niet één enkel opzicht neemt onze Synode het in haar rapport op voor wat eeuwenlang een kracht onder ons volk is geweest: de gereformeerde zede.
Nu zijn wij op dit punt al wat gewend. Het is de laatste jaren al vernieuwing en verjonging wat de klok slaat. En reeds wordt ons van de zijde ener onze Synode welgevallige figuur „het einde ener exegese" aangekondigd, terzake van een instituut, ons door de kerk van oudsher voorgehouden als een instelling Gods.
Het is alsof die gereformeerde zede — koste-wat-het-kost — het veld moet ruimen voor wat thans het cultuurideaal schijnt: vrede (in de zin van: afwezigheid van oorlog, al is het op kosten van het Recht), vrijheid (in de zin van: optimale levensruimte voor de mens al is het op kosten van het Gezag) en verdraagzaamheid (in syncretistische zin, al is het op kosten van de Waarheid.)
De dialectische theologie effende daartoe mede de weg; wezenlijke elementen daarvan immers zijn: het relativism. (Oost en West vertonen hetzelfde beeld: een goddeloze wereld), het vitalisme (zie de opmerking van ds. Landsman hiervoor) en het activisme: „Dit moet nu reeds worden gezegd en dit moet nu reeds geweten worden" (blz. 44), enz.
God en Zijn dienst schijnen meer en meer te moeten worden aangepast aan de behoeften van de moderne mens, terwijl toch Gods Woord ons inprent, dat het de mens is, die zich zal hebben te bekeren, niet God (Jac. 1 : 17)!
Droevig is het ook te moeten constateren dat onze jeugd als een breekijzer wordt gehanteerd om te helpen slopen wat nog overeind staat. Zij staat blijkbaar model in plaats van de oudere, meer gerijpte mens (jeugdigheidscultuur, teenercultus).
Er is een tijd geweest, dat die jeugd zich uit de voeten maakte, wanneer daar een man of een vrouw naderde, die bekeerd heette. Ik vrees, dat er thans een jeugd opgroeit, die daarover nog slechts de schouders ophaalt: „Zeker weer een of ander spektakelstuk van de zwarte Veluwe..."
Allerwegen schreeuwt onze samenleving het leven uit. Er wordft gefeest en gefuifd als nooit tevoren.
De dood wordt verdrongen, en wat het fenomeen „oorlog" aangaat: geen prijs die te hoog is om zich dat kwaad van het lijf te houden. De prijs van de benzine interesseert jong en oud blijkbaar meer dan de prijs van de vrijheid....
Waar is onder ons nog het oor, dat afgestemd is op de golflengte van een zender als Bautzen (meest gevreesde concentratiekamp in Oost- Duitsland)?
Ik schaam me niet te bekennen, dat ik daar 's nachts wel eens niet van slaap. Dan hoor ik a.h.w. het gekerm van de slachtoffers van Rode Hilde, (de kinderen van wijlen dr. Otto Linse, de vader en de moeder van wijlen Peter Pechter, de weduwe van Kurt Lichtenstein, enz.)
Wat zegt hierop een Berkhof, een Dippel, een van Leeuwen?
Ik herhaal, wat ik eerder heb gezegd: Wat baat ons al dat gefilosofeer, als wij geconfronteerd worden met zulk een leed?
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's