UIT DE PERS
Enkele weken geleden wezen we in ons persoverziclh op een tweetal artikelen in „In de Waagschaal" van K. Heeroma, getiteld: „De slapende kerkganger". Na een uitvoerig betoog deelde de schrijver onis mee, dat hij, wat betreft een herleven van de kerkgang, al zijn hoop nu gevestigd had op de dichters en de musici, die ons kerkliederen zouden geven, zodat in de liturgie de stem van de kerkganger door zou kunnen gaan klinken. Het zijn de dichters die nu kerkgangers zullen gaan binden, boeien en scheppen. Nu is het misschien wat te voorbarig en te overmoedig om al van een geestelijke opwekking te gaan spreken, maar toch is er van dit front wel iets te melden. De heer Heeroma die schrijver in-, en dus ook wel lezer van „In de Waagschaal" zal zijn, zal stellig een opkomende geeuw abrupt afgebroken hebben toen hij het laatste nummer van L.d.W. las. Er hebben zich namelijk dichters geroerd, en nog wel uit de hoek van de Zwingli-groep. En dit is temeer moedgevend omdat het, - als we goed ingelicht zijn - , niet direkt de sterkste zijde van de Zwingli-Bond is om kerkgangers te binden, te boeien en te scheppen. Er is dus weer een nieuw kerklied bijgekomen en het heeft in de kerkdienst al dienst gedaan ook. We zullen nu verder dr. Buskes aan het woord laten in een Terzijde van „In de Waagschaal", en voor de gezelligheid nemen we zijn stuk maar over:
Ds. van Lunzen, die jarenlang voorzitter van de linksvrijzinnige Zwingli-Bond is geweest, heeft afscheid genomen van zijn gemeente in Odoorn, die hij zevenentwintig jaar diende. Hij werd opgevolgd door ds. Roodzant, de tegenwoordige voorzitter van de Bond.
Toen deze zijn intree deed, zong het kerkkoor van Odoorn:
Ook wij willen als gemeente
achter u staan in de strijd,
opdat Odoorn moge blijven
bolwerk der vrijzinnigheid.
Ons werd verteld, dat dit lied gezongen werd op de wijs van Gezang 292: „Uren, dagen, maanden, jaren".
Wij verblijden ons over het initiatief dat het kerkkoor van Odoorn nam. Wij hebben bolwerken nodig en er moet bij intree's meer en meer gezongen worden a la Odoorn.
Als ds. Kievit Putten gaat verlaten en zijn opvolger zijn intree doet — stellig rechtsbuiten — dan zinge het kerkkoor, als ze dat in Putten hebben:
Met z'n allen scharen wij ons
achter u in deze stond'
Opdat Putten trouw moog' blijven
aan de Gereformeerde Bond.
Als ds. Bijlsma uit De Bilt vertrekt en er in
zijn plaats weer een Barthiaan beroepen wordt,
dan bevelen wij voor de intree dit lied aan:
Wij zijn dankbaar, dat wij allen
eensgezind rondom u staan,
want De Bilt kan niet gedijen,
preekt er niet een Barthiaan.
Als ds. van de Bosch uit Ginneken wordt wegberoepen en er een geestverwant in zijn plaats komt, dan zinge de gehele gemeente:
De gemeente en de pastor
werken saam in harmonie.
Nummer één op ons programma
blijve steeds de liturgie.
Laat elke gemeente een bolwerk worden en blijven. Dan heeft onze Hervormde Kerk toekomst. Intussen staat er in Gezang 292:
Uren, dagen, maanden, jaren,
vliegen als een schaduw heen,
ach wij vinden waar wij staren
niets bestendig hier beneen.
Ik heb het in geen jaren laten zingen, maar als we weer de kant van de bolwerken opgaan, dan zal ik het maar weer eens door mijn kerkkoor laten instuderen. Voor de intree van mijn eventuele opvolger.
Tot zover dr. Buskes. In dit geval zijn het blijkbaar nog maar de dichters die in het geweer zijn gekomen; de musici hebben nog verstek laten gaan. Maar tenslotte zijn Keulen en Aken ook niet op één dag gebouwd.
In het Geref. Weekblad (Kok) is A. M. Lindeboom al enige tijd bezig in "een reeks artikelen uitvoerig te bespreken een leerboek Kerkgeschiedenis voor de middelbare scholen, geschreven door dr. Bloemhof. In deze artikelen wordt zeer minutieus uitgeplozen alles wat er in het boek geschreven wordt over de Doleantie van 1886. En er wordt dan op een vriendelijke wijze aangetoond dat de schrijver hier en daar toch wel eens mis of onvolledig is. Het resultaat is dat de Doleantie nog veel beter blijkt te zijn dan zij er in het overigens om zijn eerlijkheid geprezen boek van dr. Bloemhof afkwam. Hoewel het niet op onze weg ligt om allerlei beweringen over en weer op hun juistheid te toetsen, hebben we toch onder het lezen hier en daar wel eens een vraagteken gezet.
Als Lindeboom b.v. in het nr. van 12 juli de volkskerkgedacbte van Hoedemaker bestrijdt, dan denkt hij aan de bewering (van Hoedemaker of Bloemhof) dat het niet aan ons mensen staat uit te maken, wie al of niet wedergeboren is. Blijkbaar vindt Lindeboom dat dit wel aan ons mensen staat. Hij noemt tenminste enkele bewijsplaatsen: „En de uitspraak van de Here Jezus dan: Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden, wie gij ze toereikent, die zijn ze toegerekend? Wat dan te zeggen van de aansporing van Johannes: Beproeft de geesten of zij uit God zijn? "
Hoewel hij in dit artikel telkens de naam van Calvijn noemt, heeft hij het met geen enkel woord over het door Calvijn zo vaak genoemde oordeel der liefde waardoor men allerlei mensen tot de gemeenschap der kerk toe zal laten, maar over het uitmaken of iemand al of niet wedergeboren is. Voorlopig houden we ons toch nog maar op dit punt aan Hoedemaker en vooral ook Calvijn (zie Inst. IV.I. 8 en 9).
Het is echter vooral een andere opmerking dn deze artikelen die ons aan het denken zette. In het nummer van 19 juli lazen we:
Tenslotte zou ik er nog de aandacht op willen vestigen, dat de auteur in verband met de doleantie over de Hervormde kerk ook spreekt als een zieke kerk (blz. 227). Ook uit conversatie met hervormden is de vraag overbekend: mag je een zieke moeder ook verlaten? Nu bespeelt dr. Bloemhof ook hier een oud klavier, waarvan ik zou willen vragen of het mogelijk ook kan worden vernieuwd.
Wat mij in deze veel gebruikte qualificatie nu spijt, is dat er in hervormde boeken vrijwel nooit gesproken wordt over ongehoorzaamheid. Want als de Hervormde kerk inderdaad ziek is, dan zit daar het een en ander aan vast. Immers, als iemand ziek is, kan hij dat niet helpen. Als iemand ziek is, is dat niet zijn schuld. En als de Hervormde kerk met een zieke moeder moet worden vergeleken — en een zieke moeder mag je inderdaad niet verlaten — is met die probleemstelling in elke conversatie iedere gereformeerde gevloerd.
Nu zou dit laatste niet erg zijn, als het dan maar juist was. Ik wil niet ontkennen dat in bepaalde omstandigheden een kerk wel eens symptomen kan hebben, die we misschien ziekte zouden kunnen noemen (b.v. het vasthouden aan de oude vertaling als gevolg van gebrekkig inzicht), maar ik meen dit ten stelligste te mogen bestrijden, als het gaat over de Hervormde kerk. Ik herinner mij uit het Oude Testament de beschrijving van het volk Israël onder het beeld van een moeder, maar dan is er in heel dat hoofdstuk van ziekte geen sprake, doch wel van iets anders (Hosea 2). En uit het Nieuwe Testament leer ik dat een woord als gehoorzaamheid des geloofs ook in het kerkelijk leven zeer wel mag worden gebruikt (Rom. 1 : 5; 16 : 26). Dat doet bij mij de vraag rijzen waarom, met terzijdelating van elke zinspeling op ziekte, hervormde auteurs nooit verklaren dat de Hervormde kerk voor God verkeert in een ongehoorzame, schuldige staat.
Omdat aan mijn eigen kerk zo heel veel ontbreekt, stel ik deze vraag met een zekere schroom.
Ja, we zijn door dit alles aan het denken gezet. Om te beginnen dachten we dat het met die schroom nog wel meevalt. In aansluiting bij het typische hervormde klimaat dat de sdhrijver telkens weer bij hervormde schrijvers aantreft, vinden wij dit schrijven nog al typisch gereformeerd; niet ontbloot van een gepast gevoel van eigenwaarde en zelfverzekerdheid. Verder dachten we: Dat heel vele dat aan zijn eigen kerk ontbreekt, zou dat nou ziekte of ook ongehoorzaamheid zijn?
Als 't gaat over de ziekte van het vasthouden aan de oude vertaling als gevolg van gebrekkig inzicht, is zijn kerk in ieder geval zo gezond als een vis. Maar toch zal het heel vele dat ontbreekt wel in die sfeer moeten liggen, want ook bij de Schrijver worden we niet bepaald verwend met belijdenis van ongehoorzaamheid en schuld. Dat zou trouwens ook niet kunnen, want dan zou er volgens het betoog van de schrijver zoiets moeten zijn als een doorgaande Doleantie. In ieder geval op zijn minst een reformatie. En dit temeer omdat de schrijver in zijn artikel van 12 juli de opvatting van Hoedemaker, als zou men die reformatie niet zelf ter hand kunnen nemen, daar deze door God wordt bewerkt, als eigenaardig van de hand wijst. Over deze uitlatinig van Hoedemaker schrijft L.: „Het is maar goed dat Koning Josia dit niet meer kan horen, want hij zou terstond de auteur bij zich roepen om te zeggen dat dit niet juist was. (2 Kon. 23 : 1-25).
Zodoende dachten we dat het met de schroom nog wel meevalt, omdat het heel vele dat ontbreekt toch alleen maar zal slaan op ziekte en niet op ongehoorzaamheid en schuld. En als we afgaan op de kwaal die hij noemt als een symptoom die we misschien wel eens ziekte zouden kunnen noemen in bepaalde omstandigheden, dan kunnen we gerust zijn, want dan is het toch niet een ziekte tot de dood, dachten we.
We hebben nog verder zitten denken over de kerk onder het beeld van een moeder; en we hebben ons afgevraagd: Waar zou nu voor de schrijver de moeder ophouden en de kinderen beginnen? Dat is toch wel een volkomen legitieme vraag als men schrijft over 't probleem ziekte of ongehoorzaamheid. M.a.w. hoe lang kun je doorgaan met de kerk schuldig te stellen zonder zelf geraakt te worden? Want de kerk, dat zijn wij zelf. De schrijver wordt zelfs wat overmoedig; hij hangt zijn hele positie op aan zijn vondst van schuldige ongehoorzaamheid in plaats van ziekte en zegt: Een zieke moeder mag je inderdaad niet verlaten; als het ziek-zijn dus legitiem is, dan is daarmee in elke conversatie iedere gereformeerde gevloerd.
De schrijver haalt zelf Hosea 2 aan om te laten zien dat ook daar geen sprake is van ziekte, doch van schuldige ongehoorzaamheid. Maar hij ziet twee dingen over het hoofd. Ten eerste lezen we in de verdere hoofdstukken niets van een Doleantie; en het tweede wat hier direct mee samenhangt is dit: Alls de Heere in Hosea 2 harde en scherpe dingen zegt over die ontrouwe moeder, dan spreekt Hij ook steeds het volk van Israël zelf aan. Telkens spreekt de Heere van „zij" en „haar", maar dan ineens ook weer van "gij" en „uw".
Tenslotte dachten we: Wat meer voorzichtigheid en bescheidenheid en wat minder rechtlijnigheid zou hier zeker op zijn plaats zijn.
In de Saambinder lazen we in het derde stukje van ds. Lamain, getiteld; Liever geen contact, deze zin: „Beter voeten te wassen, dan oren te ringelen". Nu is er — naar we menen op aandringen van de dierenbescherming — een tang uitgevonden waarmee men tegenwoordig die laatstgenoemde handeling verricht. Daarom vinden we het eigenlijk veel erger als men iemand om het minste of geringste maar direct als een vijand van de waarheid dood gaat verven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's