De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE VRUCHT DES LANDS (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VRUCHT DES LANDS (2)

Meditatie

7 minuten leestijd

„En zij vertelden hem en zeiden: wij zijn gekomen in dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar het is van melk en honing vloeiende, en dit is zijn vrucht. Behalve dat het een sterk volk is hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast en zeer groot; en ook hebben wij daar des Enaks kinderen gezien". Numeri 13 : 27 en 28

De verspieders zijn teruggekeerd van het verkennen van Kanaan. Zij hebben aan het volk de meegebrachte vruchten van het beloofde land laten zien. Nu brengen zij aan Mozes rapport uit.

Het rapport begint met een inleiding, waarin zij zeggen, dat zij hun opdracht hebben vervuld en zich van hun taak hebben gekweten: „Wij zijn gekomen in dat land, waarheen gij ons gezonden hebt". Maar terwijl zij dit zeggen schitteren van tien verspieders de ogen niet. Zij zeggen het niet met blijdschap, het klinkt veelmeer als een zucht.

„Wij zijn gekomen in dat land". Wie, die in de woestijn verkeert, zou dat niet uitspreken met een van emotie trillende stem? Moeten deze verspieders niet beven van ontroering? Dat land is toch het land, dat de Heere als erfenis voor Zijn volk heeft weggelegd. Heel hun komen tot dat land is een bewijs van de trouw des Heeren aan Zijn eens gegeven woord het Israël te zullen schenken en het volk daarheen op te voeren. Wie dat rapporteert met een volkomen hart, in het besef van zijn onwaardigheid, overrompeld door de goedheid Gods, kan wel tranen schreien van vreugde. Hij gaat zingen:

„Looft Hem, nu die erfenis; Naar Zijn Woord bevestigd is; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid".

Maar deze verspieders zingen niet. Dan rapporteren ze hun bevindingen. Het is wel een land, zoals de Heere het in Zijn beloften heeft voorgesteld: „voorwaar het is van melk en honing vloeiende". De veeteelt en de wijnbouw bloeien er. Er is overvloed. Geen bewoner zal er van de honger omkomen. Slechts welvaart is er voor Israël te verwachten.

Een oud Egyptisch verhaal vertelt:  "Kanaan is leen schoon land. Er zijn vijgen en druiven en meer wijn dan water. Honing is er overvloedig en zijn olijfbomen zijn talrijk". Zou Mozes niet gaan zingen: „O heer'lijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren? "

De verspieders wijzen hem op wat zij meegebracht hebben: „En dit is zijn vrucht". Sprakeloos kijkt de man Gods er naar. Een stille verwondering is er in zijn ziel. Uit deze vruchten spreekt voor hem de werkelijkheid en waarheid van Gods beloften. Wat maakt dte Heere het met Zijn volk goed. Heeft Mozes in deze veertig dagen misschien gebeden: „Bezoek mij met Uw heil, opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen"? Hier aanschouwt zijn oog dat goede. En het valt hem niet tegen. De Heere geeft wat Hij belooft. En op het ogenblik, dat hij de vrucht ziet, zet hij in het geloof de voet in Kanaan. Dit land is Israels land. Het is niet door het volk verdiend (hoe zondig en opstandig was het ook in de woestijn!), het is de erfenis, die de Heere het in de schoot doet vallen. Er is wel een groot verschil tussen de verspieders en Mozes. Een verschil, dat er nog altijd is tussen degenen, die tot de kerk behoren. Zowel de verspieders als Mozes werden geboren op het erf van Gods verbond, waar de Naam des Heeren bekend is. Zij deden ook mee. Het leek erop, dat zij volwaardig na de verlossing uit Egypte mee optrokken door de woestijn naar het beloofde land. Maar hun hart is niet in het land der toekomst, het is in de wereld. Mozes heeft door genade de wereld achter zich. Hij is losgekomen van Egypte en al haar schatten.

Dat kan een ontstellende werkelijkheid zijn, ook in ons leven. We werden geboren in de kerk, we weten van de dienst en het heii dtes Heeren, telkens werd ons over het goede van het volk Gods gesproken, maar dat alles heeft ten diepste ons hart niet. De wereld heeft ons hart. Kanaan bekoort ons niet.

En bekoort al wat de Heere voor Zijn volk is ons wel, dan roemen we alleen in genade. Hij heeft ons het schijnschoon van de wereld laten zien en ons een hart gegeven voor wezenlijker dingen, voor dingen van onvergankelijke waarde. Dan verstaan we ook, dat hier het land van de rust niet is. Er worden wel vruchten van het beloofde land gezien, maar het is te doen om de volle erfenis. Hier mag er gemeenschap met de Heere zijn, maar daar zullen we Hem aen van aangezicht tot aangezicht. De woestijnperiode is dan voorbij, het oord van honger en kommer verlaten en de tranen worden van de ogen afgewijst. De vrucht van het land brengen verzadiging, dronken woorden we van het goede van het hemels paleis. Gods eeuwigdurende gemeenschap is het, die ons heil volmaakt. En dat alles is verworven door Gods eigen Zoon, die de hemel ervoor heeft verlaten.

De verspieders zijn in ongeloof met de vrucht van Kanaan bezig. Ze kunnen niet ontkennen, dat het een land is vloeiende van melk en honing. Maar dan komt hun conclusie: „Behalve dat het een sterk volk is hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast en zeer groot; en ook hebben wij daar des Enaks kinderen gezien". Nu, zij hebben goed verspied, al overdrijven ze misschien wat. De steden zijn zwaar ommuurd. En de Enakieten, die behoren tot de oorspronkelijke bevolking van het land, zijn reuzen. Maar één ding vergeten ze te vermelden in hun rapport: de almacht des Heeren, die van geen wankelen weet en Zijn trouw aan Zijn eens gegeven Woord. Zou er werkelijk iets te wonderlijks zijn voor die God, die Zijn volk uit de ijzeren greep van de Farao bevrijdde en de golven van de Schelfzee bedwong? En wat Zijn trouw betreft, heeft Hij Zijn volk ooit teleurgesteld en het naar Zijn eigen Woord niet uit Egypte verlost?

Maar het volk, dat in ongeloof al om verspieders vroeg heeft meer waarde dan rapport van de tien ongelovige verspieders dan de woorden van de twee, die het wagen willen met de Heere. Israël zal straks zichzelf voorstelen een nieuw hoofd op te werpen en terug te keren naar Egypte. En dat vóór de poorten van Kanaan! De straf zal wezen: veertig jaar zwerven in de woestijn, totdat alle ongelovige Israëlieten van boven de twintig jaar gestorven zijn.

Door zijn ongeloof ziet Israël zich gaarne de dingen zwaar voorgesteld. Het is vandaag de dag bij ons niet anders. Van nature maken we elkaar wijs, dat anderen nog wel Kanaan kunnen beerven, maar wij niet. We zeggen dan: „Dat is niet voor mij". En we doen daarbij heel ernstig. Maar het is ongeloof. Eigenlijk heeft Kanaan ons hart niet. De vrucht brengt ons niet in vervoering. We zijn niet vrij van Egypte, van de wereld. En we hebben er de strijd tegen de doodsvijanden niet voor over, tegen allen die ons het land der belofte willen betwisten, de duivel en ons eigen hart. We wensen de Heere niet te volgen.

Het is waar, dat we ook in het geloof wel eens kunnen vragen: hoe zal ik ooit Kanaan binnengaan? Dan hebben we de overste Leidsman uit het oog verloren. Dan hebben we met ons opstandige hart, met de wereld die bekoort, met de duivel die ons aanvecht. Wat wil ons al niet verleiden om het goede des Heeren in te wisselen tegen het verlokkelijke buiten Hem.

Maar als het geloof welgesteld is in de verborgen omgang met Hem verlaat het zich op de almacht en trouw Gods, het ziet de vijanden verslagen en de steden vernietigd. Het wendt zich tot Hem en zegt: „Gij schonkt ons Kanaan om de Zoon van Uw welbehagen, nu zult Gij het ons ook doen beërven".

Neen, geen ommuurde steden, geen Enakieten houden ons buiten het beloofde land. Die kunnen overwonnen worden door de kracht des Heeren. Wat er ons buiten houdt is, dat we ons niet gewonnen willen geven aan de Heere. En zonder Hem hébben we geen kracht. Jozua en Kaleb zijn daarvan overtuigd geworden. Nederig mogen zij Hem volgen. En wie dat doet, komt er binnen en geniet ononderbroken van de vrucht des lands.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE VRUCHT DES LANDS (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's