DE CATECHISMUS (10)
Wat ik ben en blijf.
Vraag en antwoord 5.
Vr. Kunt gij dit alles volkomen houden?
A. Neen ik; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.
Leg bij het lezen van de vraag alle nadruk op het woordje „volkomen". Alleen toch dn dit geheel conform onze levenswet zijn ligt ons leven. Het gaat — zoals we gezien hebben — om het houden van Gods geboden over de uitgebreidheid van ons gehele leven en in de hoogste graad, Gods eis is absoluut.
Daarom gaat dan ook het antwoord niet af op de uitwendige handelingen, maar komt het op uit het besef aangaande het innerlijk zijn (geneigd). Alle remonstrantisme, niet alleen het openbare, maar ook he t bedekte, dat zich hult in een gereformeerd gewaad, wordt hiermee de pas afgesneden. Volle ernst wordt gemaakt met de totale verdorvenheid van de mens, zoals de Heilige Schrift die leert en zoals die ingeleefd wordt door de gelovige. Hij antwoordt zonder aarzeling op de vraag — niet: ik was ..., maar: ik bén van nature geneigd God en mijn naaste te haten. Van nature — d.i. wat ik ben van Adam vandaan, als kind van Adam, in hem van God afgevalen in moedwillige ongehoorzaamheid, en wat ik als zodanig begeer, denk en doe. Hoewel hier de gelovige aan het woord is, zegt hij toch niet: ik was van nature geneigd ..., maar nu — Gode zij dank — als wedergeborene ben ik het niet meer. Neen, hij bekent van nature te zijn een eerrover Gods, een hater van Hem en de naaste; en deze belijdenis beleeft hij met smart der ziel.
Maar doe ik zo niet te kort aan de werkelijkheid van wat in vr. en a. 8 wordt gezegd? Zal ik wat ik hier schrijf straks bij de behandeling van die vraag en dat antwoord niet moeten terugnemen? — Dat zou zo zijn als aan de wedergeborene op zichzelf ook maar iets zou wor den toegekend buiten zijn zijn-in-Christus in de Geest des geloofs en buiten het deel hebben aan die Geest, Die in nieuwheid doet leven. Gods Woord weet echter niet van een zich kennen als wedergeborene zonder de Geest des geloofs in Chrisitus. „Ik ken een mens in Christus", zegt Paulus, niet: „Ik ken een wedergeborene". Daarom, de vrucht der wedergeboorte zal wel openbaar worden, doch zonder dat ook maar enigszins de smartelijke belijdenis „ik ben van nature geneigd God en de naaste te haten" verzwakt wordt.
Van nature geneigd... Hiermee bedoelen we de verdorven nieiging, die we van onze geboorte af in ons dragen tot in de wortel van onze ziel. Het is niet een neiging, die we ons met de jaren hebben aangewend; daarom zal ook niemand ze kunnen afwennen. Ze oefent in ons leven de vreselijkste macht uit. Dat blijkt aanstonds, als het ons niet naar wens gaat. Ons boze hart is als een leeuw. Als hij ligt te slapen lijkt hij een vreedzaam dier te zijn, doch wordt hij gewekt en gesard, dan openbaart hij zijn verscheurende aard. Zo ontsteekt ons zondig hart in woede en gaat het fel te keer, als het heilig gebod Gods het de voet dwars zet.
Die boze geneigdheid openbaart zich in juist het tegenovergestelde van wat de wet eist, nl. in haat. Een neutrale zone, waarvan een mens graag droomt, is er niet. Waar geen volkomen liefde is, is haat. Wie de wereld liefheeft, die God niet liefheeft, heeft God niet lief. In het niet willen erkennen van de vijandschap tegen God en de naaste komt juist de vijandschap naar voren.
De haat tegen God openbaart zich in een afwijzen van Zijn Woord, het niet ernstig nemen van Gods volk, dat het nauw neemt met de dienst des Heeren, het zich niet gewillig voegen in de wegen, waarop God ons leidt. De doffe gelatenheid is vijandschap tegen God, want de hartelijke onderwerping ontbreekt.
In de verhouding tot onze naaste negeert het „Ben ik mijns broeders hoeder? " Ik behoef dat toch niet nader te illustreren?
„Zo ben ik", belijdt de gelovige, „Gods Woord spreekt de waarheid aangaande mijn zijn-van-nature, aangaande mij als Adamskind". — Die allereerst zo van zichzelf belijdt met zielepijn en dan verder Gods getuigenis dat er niemand is, die goed doet, — die zal zich door de andere zo maar niet alles op de mouw laten spelden. Want hij weet, dat het gedichtsel van ons aller hart boos is van onze jeugd af. Hij krijgt mensenkennis vanuit deze bepaalde gezichtshoek. Zonder echter te miskennen de zegeningen, die God nog uitstort over de mensen. — Doch van de mens op zichzelf hebben we geen verwachting.
De belijdenis van antw. 5 is geen filosofisch uitgangspunt, maar een persoonlijke levensuiting, een belijdenis, die in merg en been zat. De gelovige heeft pijn, als hij dit belijdt. Hij ontmoet zichzelf voor het aangezicht Gods. Hij leeft in, wie hij is; hij leert zijn ware zijn, zoals hij in zichzelf onder Gods ogen is, steeds dieper kennen. Er is dank zij Woord en Geest een groei van deze belijdenis.
In onze onbekeerde staat trekken we ons weinig of niets van de dienst des Heeren en Zijn wet aan. We lopen voort als een geblinddoekte. We stoppen onze oren toe en menen, dat we vrede zullen hebben, schoon we naar het goeddunken van ons hart wandelen. — Maar de grote wending komt als de Heilige Geest de bediening der wet doet vergezeld gaan van een licht, dat openbaar maakt, wat tot nu toe voor ons door onze zelfverbindinig en zelfverbeelding verborgen was. Dat brengt schaamte en verlegenheid met zich en grote smart over de zonden. Het zien van het schandelijk verzuim van de wet Gods wekt schuldbesef op.
Meestal is dit zo het eerste. Er is besef van en smart over het verkeerd zijn, over de zondige neigingen. Men zoekt de Heere, vraagt om vergeving, wil graag discipel van Jezus zijn. Innerlijk is er een ommekeer. Een innerlijke begeerte om de Heere te dienen is ontwaakt en wordt sterker. Het hart verfoeit de zonden, zweert ze af; men wil de wereld de rug toekeren en de zonden wel kwijt. —
Een tijdlang kan zo opgewekt worden voortgeleefd. Maar dan — hoe het toch zo komt! — ineens ligt heel de boel door elkaar. Er schijnt wel een ondier van binnen te zijn losgebroken. Een zonde, waarvan gedacht werd, dat ze al weken of maanden begraven was — en voorgoed—, breekt plots weer door en blijkt springlevend. En dieper dan ooit boort het heilig gebod Gods in het hart en leven. De wet, die zo'n goede vriend was, wordt de vijand, omdat de ziel haar niet verdraagt. Zo'n ziel komt in de ellendigste toestand, want hij kan zijn liefde voor het Woord en de dienst des Heeren bij zich niet terugvinden, evenmin als zijn liefde tot de naaste. Is het eigenlijk niet alleen maar haat, wat hij in zijn binnenste tegenkomt?
Degene, die het waarlijk om God te doen is, om vrede met Hem, om rust in de stormen van het leven, om een goed geweten in leven en sterven, komt vroeg of laat in deze nood. Zijn veranderd zijn, zijn ommekeer, zijn liiefde tot Jezus, ja alles, wat hem in de richting van de hemel bracht, alles zal blijken te zijn een te smalle basis voor een hechte troost, die de stormen trotseert. Alleen dan zal hij staan op een onwankelbare rots als hij leeft van de wetenschap en als enige Waarheid indrinkt, dat God de stromen van Zijn eeuwige liefde in Christus uitgiet over zulken, die van nature geneigd zijn God en de naaste te haten. Omdat ik weet, dat er altijd weer — na eerst zo moedig de weg opgegaan te zijn — in zo'n crisis komen, schrijf ik dit. Opdat ge u niet door de vrome duivel laat wijsmaken, dat de gerechtigheid van Christus voor de wedergeborene, die bekeerde is, maar opdat ge u voor Gods voeten werpt zoals ge u kent en ziet: van nature geneigd God en de naaste te haten. Zo zal de eeuwige liefde Gods in Christus wel verklaard worden in uw hart, en krijgt ge de hechte en vaste grond van de eeuwig geldende genade, die u draagt en stand houdt als al het overige krakend ineenstort.
Hierover is ons hart vrolijk, dat God in Christus Zich neerbuigt tot ons, die van nature geneigd zijn Hem en de naaste te haten, hoewel Hem daarom juist — uit Hem — van harte liefhebbend en in al Zijn deugden in Christus prijzend.
Nu komt er echter een vraag: Christus is toch niet maar tot rechtvaardigheid, maar ook tot heiligmaking geschonken? Verlost Hij dan niet ook van de smet der zonde? — Ongetwijfeld, maar niet zo, dat de gelovige komt tot op een vlak, waarop hij zegt: Nu ben ik niet meer geneigd... Neen, het gaat daarbij zo toe, dat hij steeds dieper met smart beseft van nature genieigd te zijn God en de naaste te haten; dat hij voor eigen besef groter zondaar wordt, meer en meer het ongeneselijke van zijn kwaal doorvoelt, terwijl hij nochtans waarlijk mag wandelen in de goede werken uit de Geest der vernieuwing. Die hem in Christus gegeven is. Hij voor zich houdt zich aan de genade. Ziet hij bloemen bloeien in de christenhof, het is hem alles alleen genade. Hij belijdt van nature geneigd te zijn God en de naaste te haten, doch te geloven in Jezus Christus en in de Heilige Geest.
Dat is de getrooste vertwijfeling, waarin de reformatie zo sterk is geweest. En de Heere weet de Zijnen daarbij te houden, al moet het door een engel des satans, die met vuisten slaat, als bij Paulus, opdat genade genade zij en blijve tot rechtvaardigheid en heiligmaking en vernieuwing van heerlijkheid tot heerlijkheid, bewezen aan zo één, die van nature geneigd is God - en de naaste te haten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's