De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Smaadheid om Jezus' naam

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Smaadheid om Jezus' naam

Meditatie

7 minuten leestijd

En zij gaven hem gehoor; en toen zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij hen, en geboden hun dat ze niet zouden spreken in de Naam van Jezus, en lieten ze gaan.Hand. 5:40.

Wie door het oog van een naald kruipt, kruipt maar door het oog van een naald. Dat oog is niet zo groot.

De tekst toont ons zo'n naaldeoog en we zien er twaalf apostelen doorheen kruipen, één voor één. Ternauwernood ontsnappen ze aan de gevaren, die hen bedreigen.

De leden van het Sanhedrin, waarvoor de apostelen terechtstaan, zijn woedend. Ze hebben de mannen ten laste gelegd, dat ze het gebod overtreden hebben niet meer te spreken in de Naam van Jezus en Petrus doet in zijn verdedigingsrede voor hen niet anders dan die Naam verkondigen. Buiten zichzelf beraadslagen ze om hen te doden.

Dan neemt echter rabbi Gamaliël het woord. Hij zorgt ervoor, dat de apostelen voor korte tijd de raadszaal verlaten. Het wordt nu een geheime zitting. Gamaliel bepleit de vrijlating van de mannen. Want indien hun werk uit mensen is, zal het gebroken worden, maar indien het uit God is, is er geen breken aan en dan verkeert de Hoge Raad in het gevaar tegen God te strijden.

Het is voor Gamaliel nog een vraag, of het werk van de apostelen een werk van beneden dan wel van boven is. Hij wil eens zien! Maar tegenover dit werk een neutrale, afwachtende, houding aan te nemen is zonde, verharding. Wie waagt dit? Hun werk is het werk van Jezus, dat deze in Zijn gezanten voortzet. Zij getuigen van niemand anders dan van de Christus, die gestorven en opgewekt is. En zij doen het, vol van de Geest, die Hij hen uit de hemel heeft gezonden. Jezus zelf sprak destijds: „Indien Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand anders gedaan teeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij gezien, en beide Mij  en Mijn Vader gehaat" (Joh. 15 : 24).

In vergelijking met zijn mede-raadsleden lijkt Gamaliël geen slecht figuur te slaan, maar in feite haat hij Jezus ook. Hij moet evenmin iets hebben van de werken, die Christus thans in Jeruzalem doet door Zijn gezanten. Hij geeft zich er niet aan gewonnen. Zijn houding is een lijdelijke houding. Neutraliteit bestaat echter in de grond der zaak niet. Men is vóór Christus of men is tegen Hem.

Heus, wij kunnen niet vrijblijvend staan tegenover Gods gezalfde Koning en Zijn werk. Hij is voor ons een steen des aanstoots of een rots des behouds. We zullen onszelf aan Hem moeten verliezen, willen we niet onze ziel verliezen. En tot ambt van Gamaliël als raadslid brengt mee, dat hij niet heeft af te wachten, maar heeft voor te gaan.

Het succes van Gamaliëls rede is echter frappant: „En zij gaven hem gehoor". Het Sanhedrin besluit de apostelen te laten gaan. Dat is het voordeligst. Zo ontloopt het enerzijds het gevaar tegen God zelf te strijden, anderzijds het gevaar door het wispelturige volk gestenigd te worden. En zo zien, we alle apostelen door 't oog van de naald kruipen.

Of kruipen ze toch niet door het oog van de naald? Stappen ze misschien veelmeer door een wijd geopende poort het domein van de vrijheid binnen? Ja, dat doen ze. Voor hun Koning bestaan geen naaldeogen Hij wenst eenvoudig niet, dat Zijn apostelen sterven. Hij heeft werk voor hen, het werk van de vergaderingen van Zijn gemeente, door de prediking in Zijn Naam. En Hij beschikt over alle macht in hemel en op aarde.

Dat te weten is de kracht van de Kerk des Heeren. Hoeveel woedende beesten kunnen er al niet om haar heen zijn. In de wereld zal zij verdrukking vinden. Zij wordt gesmaad, omdat ze door Gods genade anders is dan de wereld, omdat Christus haar eeuwig aan Zich verbond, omdat zij drager is van Zijn heerlijke Naam.

Wat kan er al niet om haar heen zijn! Maar wat doet het er toe, als Hij boven haar is! De vijanden kunnen niet verder gaan dan Hij ze laat gaan.

Nu is het ogenblik aangebroken, dat de apostelen in vrijheid zullen worden gesteld. Maar voordat dit gebeurt.... worden hen de klederen afgerukt. Leren riemen, van weerhaken voorzien, zwiepen neer op het naakte vlees tot het bloed eruit stroomt. De leden van de Hoge Raad genieten van het schouwspel. Deze schande is een vergoeding voor de schande, die het Sanhedrin moet dragen door de vrijspraak van de „schuldigen". Deze pijn maakt de pijn goed, die zij lijden, nu ze hun prooi moeten loslaten.

De Raad wil op deze wijze de apostelen straffen, omdat ze het gebod niet meer te spreken in de Naam van Jezus overtreden hebben. Tegelijk wil ze er bij hen de schrik inbrengen, laten ze niet opnieuw ongehoorzaam zijn.

Die geseling is onterend. Men kan hen aanwijzen als misdadigers, die het brandmerk der geseling dragen. Maar dit brandmerk is voor hen een waarmerk van hun eigen trouw aan Christus. Omdat ze aan Hem vasthouden, komen de slagen op hen neer. En ziet men de wonden hen aan, vraagt men naar hun misdaad, dan mogen ze belijden, dat hun misdaad is, dat ze geleerd hebben in de Naam van Jezus!

Over misdadigers gesproken. Is hun Meester zelf niet met de misdadigers gerekend! Wilde Hij dat niet zijn om Zijn volk van alle misdaden te verlossen?

Door Zijn striemen is hun genezing geworden. Hij droeg hun smaad hun straf, hun oordeel in de benauwdheid van Zijn ziel voor het aangezicht van Zijn vader. Waarom zouden ze Zijn smaadheid niet dragen, in de hoop dat die velen tot eeuwige zegen zal worden, gelijk de Zijne dat geworden is voor al Zijn volk. De smaadheid, die zij dragen om Zijnentwil moge velen tot verwondering brengen en doen vragen: wat bezitten die belijders van Jezus' Naam toch, dat zij bereid zijn er zichzelf voor te laten geselen? In al haar leven mag de Kerk toch getuigen van Hem!

Daarbij worden ze van deze geseling zelf nog rijker. Zij kennen reeds de liefde van Christus, zij kennen die door het geloof. Maar thans leren zij die liefde anders, dieper, door eigen ervaring kennen. Onder het ineenkrimpen van hun vlees, vraagt hin ziel verwonderd: Heeft Hij ook dit vreselijke willen dragen, willen verdragen, voor ons? Gingen wij Hem zozeer ter harte? Hoe eindeloos groot, hoe ondoorgrondelijk diep, hoe machtig sterk, is Zijn liefde!

Zo moogt U in Uw smart, wanneer U lijdt in verbondenheid met Hem, verwonderd zijn over Zijn liefde. En wat betekent uw smart dan nog bij Zijn smart! Heeft Hij niet alles geleden? Tot een buitenste duisternis toe, verlaten van God en mensen. Dan wordt het u gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.

Het is wel de vraag of wij met Hem willlen lijden. Lijden is niet aanlokkelijk voor ons vlees. Er voor nodig is, dat ons een levensband met Hem verbindt. Wanneer we weten, dat Hij zich gaf voor ons, dan zullen wij ons geven voor Hem. En anders hebben we niets voor Hem over. We zijn vijanden van Hem, als Gamaliël, al zijn we nog zo verdraagzaam. Vijanden, die Zijn toorn hebben te vrezen. Voor Hem lijden doen we slechts vanuit Zijn lijden. Wie door de Heilige Geest uit deze bron put, kan Zijn smaadheid aan.

Het Sanhedrin laat de apostelen gaan met het gebod niet meer te spreken in de Naam van Jezus. Dat kan de Hoge Raad niet nalaten te verbieden een goed woord van Jezus te zeggen. Hij moet doodgezwegen worden. Hij is de heren veel te lastig.

Maar of dit gebod veel helpen zal, is al geen vraag meer. De zon moet stralen en de vogel zingen. Wie Christus kent in de grootheid van Zijn ontfermende liefde en genade, moet van Hem getuigen. Het hart van de apostelen is vol. Hoe wordt sinds de Pinksterdag Christus daarin verheerlijkt door de Geest. Wat leven ze uit Zijn wonderlijke werken, volbracht aan het kruis, bij Zijn opstanding en in Zijn hemelvaren. Hoe weten ze door Hem vrede met God te hebben. En wat wensen ze Hem nu te verheerlijken onder het volk. Mogen velen, in hun afkeer van Hem neergeworpen, zich voor Hem buigen!

Wie Jezus kent, heeft wat van Hem te belijden. En hoe zou hij zwijgen? Dat is nog altijd waar. Waar het hart vol van is, loopt de mond van over.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Smaadheid om Jezus' naam

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's