KRONIEK
Vrijzinnig en toch christen? — Over nieuwe clandestiene kerkvoogdijen — Synodaal antwoord aan de Bossche gesprekskring — Een rectificatie.
In het jongste nr. van „Kerk en Wereld" officieel orgaan van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden in Nederland — het is gedateerd: vrijdag 16 aug. 1963 — trok een artikel mijn aandacht, dat het opschrift heeft „Mag ik mij een christen noemen, als...? " Titels kunnen wel eens de functie hebben van „blikvanger". Bedoeld of niet bedoeld. Hier diende hij als stimulus tot lezen en herlezen. Het artikel draagt de ondertekening: P. A. H. de Boer. Dat zegt meerderen onzer lezers wellicht weinig. Ingewijden weten, dat de Leidse oudtestamenticus, de schrijver is. Maar deze professor in de oud-testamenitische vakken, doet zich in zijn opstel kennen als een man, die met de stand van het wetenschappelijk onderzoek inzake het Nieuwe Testament goed op de hoogte is, voorzover ik: dat kan beoordelen.
Ik kan hier geen korte samenvatting van het opstel van prof. De Boer geven. Wat hij bedoelt met zijn vraag, zegt hij eigenlijk, als hij in tot artikel de titel allereerst naar zijn bedoeling aldus aanvult: „mag ik mij een Christen noemen als mijn waardering van Jezus' leven op verschillende punten duidelijk afwijkt van de waardering, die in het Nieuwe Testament duidelijk op de voorgrond treedt? " De schrijver zegt in de vraag wel heel duidelijk — zij is de neerslag van de daarvóór omschreven overtuiging — dat hij geen Schriftgelovige kan zijn.
Prof. de Boer vult die vraag, die hem als titel diende, nog een keer aan. Zij luidt dan: „Mag ik mij een christen noemen, als de waardering van Jezus uit het Nieuwe Testament zoals deze haar neerslag vond in de Twaalf Artikelen van het christelijk geloof voor mij geen herkenningsgrond vormt? " Het antwoord, dat de schrijver daarop geeft — hij zegt, „tot heden" — luidt: „Ja, ik mag mij ook een christen noemen. Ik mag dit, als mijn aanraking met het Nieuwe Testament ... zondandige analogieën, herkenningspunten, oplevert, dat het mij geschonken geloof hierdoor werkelijk wordt gewekt, gezuiverd. Mijn ervaring is hierin positief. Zij brengt mij er toe niet alleen het geloof, maar ook de elementen, die het wekken, zuiveren en versterken, gaven Gods te noemen".
Wat ik tot nu toe uit het artikel van prof. De Boer meedeelde, laat duidelijk merken, dat het hier gaat om een persoonlijk getuigenis, gefundeerd in de ervaring, los van de heilsfeiten. Het is niet nieuw. Genuanceerd en gevarieerd kunnen wij deze dingen gedurig horen uit de kringen der vrijzinnigen. Nieuw is tot op zekere hoogte de beantwoording van de gestelde vraag. Zij wil strikt persoonlijk genomen zijn. Dat geldt ook het antwoord, dat de schrijver geeft. Het is voor zijn rekening.
De vraag hier gesteld is, wat haar inhoud betreft, niet nieuw. Zij zal wel, hoe dan ook geformuleerd, telkens naar voren zijn gekomen, sinds vrijzinnigheid en orthodoxie met elkaar botsten. Troeltsch, de bekende Duitse theoloog heeft eens gezegd, dat hij christen was in zoverre hij Westeuropeër zich kende.
Uit mijn studententijd herinner ik mij de deining, die ontstond toen bekend werd, dat wijlen dr. v. Baarzel in een zijner stellingen, toegevoegd aan zijn proefschrift over Perkins, had geponeerd, dat een vrijzinnige geen recht heeft op de naam van christen.
Prof. Cannegieter — toentertijd kerkelijk hoogleraar en behorend tot de vrijzinnige richting — was hevig geërgerd door de stelling en uitte zijn ergernis op een zijner oolleges. Bij de promotie van V. Baarzel viel zijn promotor, prof. Visscher, hem juist op die uitspraak aan. De promotor gaf de promovendus te verstaan, dat hij slechts een dergelijk oordeel mocht vellen over een theologisch stelsel, dat krachtens zijn principe de Christus der Schriften niet aanvaardde, doch dat hij dit geenszins mocht doen over het innerlijk persoonlijke. Ik weet niet meer wat v. Baarzel, kort daarop predikant van Hei en Boeioop geworden — om een conflict niet het „Betuur" te ontwijken ging hij later over tot de gereformeerde kerken en werd predikant te Deventer — hierop geantwoord heeft.
Men ziet, de vraag door prof. De Boer geplaatst boven zijn artikel, is in wezen niet nieuw. Maar de toon, die in het gehele stuk doorklinkt, is gans anders dan die opklonk in wat prof. Smits indertijd over de verzoening publiceerde. Is er echter in wezen verschil? Toch, hoe vroom ook ingebed, wat de Leidse oud-testamenticus in zijn artikel gaf, is ervaringstheologie met al het noodlottige daarin en niet gefundeerd, op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is die uiterste hoeksteen" (Efeze 2 : 20).
Ons fundament moet Christus zijn, de gestorven en opgestane Heiland van zondaren, „overgeleverd om onze zonden, opgewekt om onze rechtvaardigmaking" (Rom. 4 : 25). Een ieder onderzoeke zich of hij in dat fundament geworteld is en daarop bouwt.
Prof V. Itterzon brengt in „Hervormd Weekblad" dd. 16-8-'63 nog eens weer de „noodvoorziening" onder de aandacht van zijn lezers. Niet direct, maar indirect, en wel in een artikel, dat als opschrift heeft: „Nieuwe clandestiene Kerkvoogdijen".
Hij memoreert eerst, dat er in onze Kerk „aangepaste" Kerkvoogdijen zijn en Kerkvoogdijen met „vrij" beheer! Indertijd schreef ik ook iets over die beide categorieën Kerkvoogdijen en maakte toen de opmerking, dat voor zover mij bekend, in herv. geref. gemeenten de „aangepaste" niet zo voorkomen. Een lezer reageerde daarop met de mededeling, dat ik hierin abuis was. Ik wil dat wel aannemen, maar ik onderstreepte, dat ik schreef „voorzover mij bekend". Ik stelde de mogelijkheid, maar dacht dat ze onder ons een spaarzamelijke werkelijkheid was. Ik ben dus een illuisie armer geworden. Maar dit terzake. De „nieuwe clandestiene Kerkvoogdijen", waarover prof. v. Itterzon schreef, zijn instanties in „noodgemeenten", die er een soort eigen beheer voeren en zelfs gelden voor nieuwe kerken verzamelen, en nieuwe kerkgebouwen stdchten. Hij ziet dit alles met zorg, want hij acht het niet onmogelijk, dat de mensen van de „noodgemeente" „strijdensmoe", de weg van een „vrije gemeente" zullen opgaan. In een „P.S." schrijft hij nog verder: „Ben gelukkige omstandigheid is ongetwijfeld, dat uit de herv. Kerkbouwkas geen subsidie wordt verleend, als niet is vastgelegd, dat de nieuw te bouwen kerk zeer beslist geen andere bestemming zal krijgen dan die van een hervormde kerk".
De weg voor „een vrije gemeente" is daardoor wel wat gebarricadeerd. Evenwel de zaak van de „noodvoorziening" blijft door een en ander volgens prof. v. Itterzon, urgent. Hij vermeldt dan, dat ds. T. H. Landsman „de conf. vereniging met zoveel warmte geprezen heeft". Hij schrijft verder, „dat van de conferentie der conf. vereniging, waarop al deze noden (nl. van de noodvoorziening) zijn blootgelegd, tot onze vreugde, onze synodale pers persoonlijk kennis nam en er kwam zelfs een verslag in de kerkelijke persberichten. Prima. Tot onze dubbele vreugde liet ook de kerkvisitatie geen verstek gaan en woonde een van haar bekwaamste en hoogste vertegenwoordigers de samenkomst bij". Maar van een verslag in de Handelingen der laatst gehouden synodezitting merkte hij nu niets. Dat heeft hem teleurgesteld en doet hem vragen: „Heeft dit dan echt geen haast? " Op deze korte zitting, — de zomerzitting der Synode duurde slechts twee dagen — had over de noodvoorzieningen wel kunnen gesproken worden, meent prof. v. Itterzon. Er is z.i. voor „buitenstaanders weinig boeiends" geweest. „Moeten wij", zo vraagt hij „dringend gesprekken voeren en brochures uitgeven over vragen als rassenscheiding (in Nederland toch geen „brandende kwestie"? ) en verliezen wij door al dat spreken van een sprekende kerk de nodige tijd om aan eigen problemen behoorlijk toe te komen? " Men ziet de Utrechtse hoogleraar is nogal geladen ten opzichte van de synode en haar werkmethode. Hij dringt aan op spoedige en gegronde bespreking en waarschuwt voor tijdnood.
Dit ijveren voor behandeling van de door hem ook nu weer naar voren gebrachte kwestie, is het goed recht van de hoogleraar. Doch dat hij iets van behandeling reeds nu in de jongste synodezitting had gewild, lijkt mij ietwat onbillijk. De agenda zal wel vastgesteld zijn, toen de conferentie van de conf. vereniging werd gehouden. Bovendien, prof. V. Itterzon stelt prijs op een grondige behandeling met een gedocumenteerd rapport. Dat mag hij m.i. eerst op een volgende zitting verwachten. Natuurlijk had een der synodeleden — er zijn toch ook uit confessionele kring onder hen? — de zaak bij de rondvraag kunnen te berde brengen.
Wat prof. V. Itterzon overigens over de urgentie van „rassenscheidinig" etc. opmerkt, heeft mijn volle instemming, evenals zijn bezwaar tegen wat hij noemt de „dichte-deurpolitiek" van de synode. Die bevordert geenszins het meeleven van het kerkvolk.
Onlangs heb ik melding gemaakt van een schrijven van „de Bossche gesprekskring" aan de synode gericht over enkele passages in het synodale geschrift: „Richtlijnen inzake de reformatorische houding jegens de Rooms-Katholieke Kerk en haar leden".
Dit stuk is door de synode vastgesteld in haar Vergadering van 30 oktober 1961. Op 31 mei 1962 ging de brief uit, waarin de predikant-leden van de „Bossche gesprekskring" hun bedenkingen op bepaalde punten aan de synode kenbaar maakten. In „Woord en Dienst" dd. 17-8- 1963, is het lange antwoord, dat de synode aan bedoelde predikanten toezond, gepubliceerd. Het is te lang om er hier zelfs maar een kort verslag van te geven. Het stuk wil in zijn geheel gelezen en overdacht worden. Het is opgesteld, nadat ook met de betrokkenen over hun bezwaren het gesprek is gevoerd.
Ik vermeld dit alles, om te laten zien, dat de Synode dit antwoord na rijp beraad opstelde, en zo de bezwaarden het volle pond gaf. De synode handhaaft haar „Richtlijnen", en neemt daarvan niets terug. Zij aanvaardt zelfs fundamentalistisch te zijn, indien „men de reformatorische overtuiging, dat de Schrift inderdaad laatste woorden spreekt fundamentalisme noemt". Dit fundamentalisme wil de synodie „aanvaarden met de Reformatoren". Het moet blijken of de „Bossche gesprekskring" hiermede tevreden is en in zijn gesprekken met rooms-katholieken zich daarnaar zal gedragen.
Ten slotte nog een rectificatie. In 't nr. van 1 augustus jl. heb in de Kroniek de herv. predikant van Rijnsburg genoemd, als zou die met de pastoor uit die plaats in oecumenische verbondenheid met pierement en oollectebusje rondgegaan zijn om geld voor een carillon bijeen te brengen. Een lezer maakte prof. Severijn in een brief er op attent, dat in Rijnsburg geen pastoor is, aangezien de plaats overwegend of geheel protestants is. Onze Bondsvoorzitter deed mij prompt dit sdhrijven toekomen met verzoek tot rechtzetting. Ik haast mij zulks te doen. Bedoelde plaats is niet Rijnsburg, maar Rijnsaterswoude.
Ik dacht, dat ik bedoeld voorval wel goed in mijn geheugen had, — de krant waarin ik het las was al weg — doch zulks was niet het geval. Het spijt mij, dat ik deze vergissing beging, en ben de „lezer" erkentelijk, dat hij op de fout mij attent maakte en alzo voor de goede naam van zijn predikant opkwam, die ik een etiquette opgeplakt heb, dat misplaatst was bij hem. „Wie werkt maakt fouten", zegt het spreekwoord, doch men moet in zijn werk trachten fouten en vergissingen zo veel mogelijk te voorkomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's