GODS WELDADIGHEID
Meditatie
En de koning zeide: „Is er niet nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid aan hem doe?2 Sam. 9 : 3a.
Luther heeft eens gezegd: „Zo vaak ik een tekst heb, hard als een noot, waarvan ik de schaal niet kraken kan, gooi ik hem gauw tegen de rotssteen Christus en dan vind ik de heerlijke pit". Dat geldt ook van de tekst van onze overdenking, lezer, ook al wil ik er meteen bij zeggen, dat we ervoor waken moeten met het hoofdstuk over Mefiboseth overgeestelijk en daarom ongeestelijk om te gaan.
Koninig David, enige tijd reeds op de troon van Israël, vraagt in het vers, dat hierboven staat, of er nog iemand is overgebleven van de nakomelingen van Saul. Hij wil deze nl. weldoen. Mefibosefth, een zoon van Jonathan, kreupel van zijn jeugd af aan, wordt dan vervolgens overladen met alles, wat David aan goeds kan uitdenken en mag als een prins voortaan verblijven aan het hof.
„Is er niet nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid aan hem doe? " Een vreemde vraag, vooral als we bedenken, dat een oud-oosterse vorst, die begon te regeren, het zijn eerste taak achtte die familie van zijn voorganger zo grondig mogelijk uit te roeien. En David had daartoe wel dubbel reden. Was hij immers niet lang en wreed door Saul vervolgd en zou hij niet aan de moordlust van deze huichelaar ten prooi zijn gevallen, als God het niet verhoed had? Bovendien was elk familielid van Saul een constante bedreiging voor zijn troon, daar deze niet rusten zou alvorens hij het koningschap weer in banden zou hebben.
Maar ziedaar het vreemde en verbazingwekkende: inplaats van kwaad met kwaad te vergelden, onderzoekt koning David, of er nog zijn van Sauls nakomelingen, aan wie hij zijn weldadigheid kwijt kan. Hij wil liefde bewijzen aan hen, op wier naam mede de verantwoordelijkheid van een onverteerbaar brok levensleed in zijn bestaan geschreven moest worden. Dat is edelmoedig. Het was trouwens niet de eerste keer dat David zulk een grootheid van geest toonde ten aanzien van zijn belagers. Wie denkt niet aan de geschiedenis, die ons verhaalt, dat hij in het geheim een slip van Sauls mantel wist af te snijden en hoe hij hem toen gespaard had, hoewel Saul hem toch achtervolgd had om hem te vermoorden? David was op zijn tijd een niets- en niemand-ontziende krijgsman, maar hij had onder zijn pantser nog steeds het godvruchtig en teer gemoed van een kind, dat weet van vergeven en vergeten. Of liever: hier speelt de heilige zanger op zijn harp nieuwtestamentische tonen. „Hebt Uw vijanden lief, zegent ze, die u vervloeken, doet wel degenen, die u haten en bidt voor degenen, die u geweld doen en die u vervolgen.
De begeerte om Sauls nageslacht te beweldadigen was evenwel niet bij David als een plotseling opwellende gedachte boven gekomen, om daarna weer spoedig vergeten te worden. Neen, de woorden „Gods weldadigheid", waarom het mij thans bijzonder gaat, wijzen erop, dat David tot die zaak zedelijk verplicht was. Deze beide woorden betekenen nl. in de grondtekst: verbondstrouw, in de tegenwoordigheid Gods toegezegd. En dat slaat dan weer terug op het verbond, dat David eenmaal met Jonathan had gesloten en waarbij hij hem beloofd had de zijnen te zullen sparen (1 Sam. 20 : 14, 15). Ook aan Saul had hij trouwens beloofd, dat hij zijn nageslacht niet uit zou roeien (1 Sam. 24: 22, 23). David had dus met een dure eed gezworen en God was zijn getuige geweest: hij zou trouw bewijzen aan al Sauls kinderen. Welnu, daaraan herinnert de vraag, die de koning David hier stelt: „Is er niet nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid aan hem doe? "
In navolging van Luther werpen we thans deze tekst tegen de Rotssteen, Christus. Want hoe moeten we dit verstaan? Is deze edelmoedigheid van David een listige? Dan probeert hij zijn tegenstanders door miiddel van de begunistiging van de kreupele Mefiboseth gunstig voor zich te stemmen! Of is het een zuiver humane? Saul moge dan als een beest tekeer zijn gegaan tegen hem, hij zal het anders, menselijker doen! Nee, geen van beiden. Hier ruiken we de geur van Christus. Zijn ster blinkt hier aan de oud-testamentische hemel. Hoewel immers Davids leven ertegen getuigt om hem op een lijn te stellen met Christus, toch was er een werk Gods in Davids ziel (getuige dit voorbeeld van naastenliefde), dat hem tot een profeet maakt van het grote werk, dat de Heere tot stand gebracht heeft in Zijn Kind Jezus Christus. Wat David onvolkomen heeft, is in Hem, de grote Davidszoon volle werkelijkheid: Gods weldadigheid.
Daar lag immiers een oude belofte, reeds gedaan in de hof van Eden aan Adam en zijn vrouw, toen zij gegeten hadden van de verboden vrucht. Toen had de Heere beloofd, dat Hij aan gevallen mensen genade zou schenken en dat Hij een Zaligmaker zou zenden, Die de kloof tussen God en de zondaar zou overbruggen. En die belofte, dat verband heeft de Heere ook aan Abraham en zijn zaad geschonken. De toezegging lag er, zoals zij er lag bij David. En in de volheid des tijds heeft die God gedaan wat David in ons hoofdstuk doet, nee veel meer, veel heerlijker. Hij heeft Zijn Zoon gezonden, als het brandpunt van al Gods weldadigheid, de volle verwerkelijking van al Zijn heilsbeloften. Toen kwam de liefde volmaakt van één kant. Want Jezus, de Zoon van God, gaf Zijn leven, tot de laatste druppel bloed.
Voor wie? Voor Adamskinderen, die in vijandschap hadden geleefd en niet anders hadden gedaan dan als brute opstandelingen vechten tegen die hoogste majesteit van God. Voor een moordenaar, die smeekte: „Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn". En welk een weldaden heeft Zijn dood met zich meegebracht: vrede met God, kwijtschelding van alle ongerechtigheid, een eeuwig thuis in de hemel. Ja, „God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren".
Deze verbondstrouw, tot redding van zondaren, lezer, heeft de Heere aan u reeds betuigd, toen ge als een klein kind in de armen van uw moeder het teken van dat verbond, de doop, ontving. Toen was er een zoeken en vragen Gods. „Is er niet nog iemand van het huis van Adam, dat ik weldadigheid aan hem doe? " En zo staat die grote en heerlijke God in Christuts vandaag, ook in deze meditatie, voor u en zegt: „Ik heb geen lust in uw dood, maar daarin, dat gij u bekeert van uw boze wegen en leeft!" Zo wordt deze edelmoedigheid Gods ten toon gespreid voor al het heidendom. Heeft het u ooit op de knieën gebracht, zodat ge vol verwondering uitriep: „Zulk een liefde voor mij, gruwelijk zondaar"? „Wat is uw knecht, dat Gij omgezien hebt naar een dode hond als ik ben? " Hebben de goedertierenheden des Heeren u tot bekering geleid? Ja, daar gaat een zondaar door de knieën, waar hij bemerkt, dat de Heere nog niet anders gedaan heeft, dat tegenover elke misdaad, die hij bedreef, een weldaad van Zijn kant te stellen.
Daar krijgt ook 's Heeren onwankelbare verbondstrouw bevindelijk gestalte in het hart. „Dit is het verbond", zegt Jeremia, „dat Ik na die dagen met het huis Israels maken zal, spreekt de Heere: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn". Het is onbegrijpelijke goedheid en genade, als de Heere een mens bekeert. Dat is bij uitstek: Gods weldladigheid. Dan gaat Hij wonen in een hart, dat vol vijandschap en verzet is tegen Hem en Hij maakt het ontvankelijk voor die genade. Hij slecht wat hoog is en slaat meer, wat zich verheft, vermurwt, wat hard is en vertedert, wat onbreekbaar was. Daarna vervult Hij met de rijkdom van Christus, overstelpend heerlijk en groot, zodat in het heilig verbond tussen God en de mens vol vreugde gezegd mag worden: Mijn God! Ja, het kindschap Gods is de beste weldaad Gods: een mens, in zonde ontvangen en geboren en daarom aan de eeuwige dood onderworpen, wordt een prins des hemels, zittend aan 's Heeren tafel. Deze weldaad heeft zijn wortels in de eeuwigheid, vond zijn uitbloei in het werk van Christus en draagt vrucht in het Ieven van allen, die de zaligheid beerven. Is er onder Degenen, die dit lezen, één, aan wie deze weldadigheid Gods bewezen is? Wat, een troost. Want zij, die onder de doorboorde banden van Christus naar Sion gaan, gaan veilig. Daardoor stromen de zegeningen des Heeren op hen af. Zeker, het is niet gemakkelijk die weg te bewandelen. Vaak zult ge struikelen en vallen. Soms zult ge denken, dat het voor zo iemand als gij toch wel niet mogelijk is om zalig te worden. Of bij andere gelegenheden maakt de duivel u wijs, dat ge u slechts wat ingebeeld hebt; gij hebt nooit een oprecht hart gekregen. Maar... houdt dan al deze praters, van binnen en van buiten, het verbond Gods voor en zegt: „Als het van mij en u afhing was het reeds duizendmaal verloren geweest, maar nu het in de hand ligt van Hem, wiens liefde en trouw onvergankelijk zijn, nu kunnen zelfs de poorten der hel mij geen kwaad meer doen".
Is aan u Gods weldadigheid bewezen? Houdt die dan niet voor uzelf. Laat David u ten voorbeeld zijn. Hebt uw vijanden lief, zegent ze, die u vervloeken. Wie waarlijk geleerd heeft te leven van genade, verliest in beginsel zijn koppige en onverzoenlijke natuur, ook al moet hij er dagelijks tegen strijden. Laat de reuk van Christus aan u zijn. Kruisig uw vlees en voeg u bij het nederige, bij hetgeen kreupel is en niet geacht. Dat zal u totale zelfverloochening kosten, maar het brengt u ook zinvol levensgeluk aan. Want een mens wordt nu eenmaal nooit gelukkig zonder de ander en zonder dat hij zichzelf aan die ander weggeeft. Dan zal uw leven als een ster zijn, die even door de dampkring schampte, een spoor van licht achterlatend.
Kent gij dit leven niet? In 2 Sam. 21 lezen we van de moord op zeven zonen Sauls. Een moord op Gods bevel. Ja, God is ook een God van het recht, Zijn verbondswraak zal u treffen, als gij onbekeerd blijft leven. Gij zult er zelfs eeuwig door vergaan. En dat zal u eindeloos zwaar vallen. Zeg het maar: Is deze God uw God? Nog is Hij gewillig om dwazen wijs te maken, armen-rijk, slaven van de duivel-erfgenamen van het hemelrijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's