De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING (XI)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING (XI)

§ 4. De situatie waarin wij ons thans bevinden

11 minuten leestijd

A. AlgemeenZijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen indien gij dit alles weet.Job 38 : 18

Het overkwam me dezer dagen, dat ik 's morgens opstond met een „zwaar" hoofd.

Was ik mijn beide jongste kinderen nu kwijt of niet?

In gedachten zag ik alles nog vóór me: een troepje briesende bewakers, die mij sommeerden mijn kinderen in de afgrond — een ravijn vol vuur — te laten springen.

Mijn doohtertje (6 jaar) liet het zover niet komen; zij sprong gewillig in de diepte. „Fijn, dat ik nu al naar de hemel mag, papa", riep ze. „Springen jullie me na.. .? " Het was gebeurd eer ik er erg in had.

Mijn jongste zoon (8 jaar) daarentegen spartelde heftig tegen. „Ik ga niet. . .!" schreeuwde hij. Eenmaal nog wisselden wij een blik, voordat hij naar beneden geworpen werd. Die blik vergeet ik nooit. Het was alsof hij mij toebeet: „Papa, wat doe je mij nu aan? Wat sta je daar te treuzelen, je bent toch mijn vader. . .? Help, help, help. . .!"

Thuis gekomen kreeg ik van mijn oudste zoon (12 jaar) te horen: „Papa, hadden wij ons niet kunnen verstoppen? Dan waren Jan en Truus er nu nog geweest. . .

Op datzelfde moment schrok ik — God dank! — wakker. Maar een droom. . .? Neen, zo'n belevenis stempelt de werkelijkheid van een ex-politiek gevangene.

Deze en dergelijke beelden draagt iemand bij zich, die honderden mensen een onnatuurlijke dood heeft zien sterven: aan een provisorische galg, aan een zelfgekozen tak van 'n boom, in de muil van 'n hond, op de punt van een bajonet, onder het zoolbeslag van een laars, onder het gewicht van een stapel lijken, onder de wielen van een lorrie, in de hitte van een vuur, aan prikkeldraad onder stroom, enz.

Het zijn overigens niet alleen de overlevenden van een concentratiekamp, die zulk een last te torsen hebben. Miljoenen mensen dragen zulk een kruis.

Welk een oorlogsleed is er niet in onze wereld!

Zij, die in 1918 resp. in 1945 hoopten op een keer ten goede, kwamen bedrogen uit.

Hoeveel leed is er al weer niet toegevoegd aan dat uit de jaren 1939—1945? De „bevrijding" bracht op tal van plaatsen meer rouw dan vreugd. Ik kan er dan ook nog steeds niet toe komen, haar te „vieren"; een 5e mei zegt mij niets. ..

Om maar eens iets te noemen: Op die bevrijding volgde in Midden en Zuid- Oost Europa een afgrijselijke mensenjacht: honderdduizenden mannen, vrouwen en kinderen werden op transport gesteld naar het Oosten; dit transport alleen al kostte één op de vier politieke gevangenen het leven. In de kopermijnen van Tito crepeerden meer dan honderdduizend politieke gevangenen. Van de krijgsgevangenen van Stalingrad (thans Wolgagrad geheten) overleefde slechts een tiende deel de dwangarbeid, enz. in de Sovjet-Unie. Van de kinderen, die tijdens de Griekse burgeroorlog {1944— 1949) werden geroofd, staat nog steeds de helft te boek als vermist... Over genocide gesproken!

Daar is ook op het terriein van de misdaad verschil in trap! Of is ons rechtsgevoel reeds zover afgestompt, dat ons dit niets meer zegt.. .? Is er in de grote wereld ontstellend veel leed, in de kleine wereld is het al niet beter.

Ik denk in dit verband aan die vader, die zijn vrouw verloor bij een foute manoeuvre in het wegverkeer, voor de ogen van zijn kinderen ... Ik denk aan die moeder, die haar kinderen avond aan avond troost met de woorden: „Vader krijgt misschien wel berouw... Bidden jullie ook maar, dat papa spoedig terugkeert". Ik denk aan die veelbelovende jongen, die timmerman had zullen worden, doch invalide werd bij zijn eerste kennismaking met de cirkelzaag... Ik denk ook aan dat nijvere meisje, dat na jaren van wachten die bestemming van haar verloofde had zullen volgen, toen daar dat telefoontje kwam: „Joke, je laat ons toch niet onverzorgd achter, nu je moeder sterven gaat? Denk toch eens aan die kleine Peter.. .", waarop Joke besloot tot uitstel van passage met als gevolg, dat haar verloofde seinde: „Blijf nu maar waar je bent. Adieu!"...

Als ik mij al dat leed zo indenk, ben ik innig dankbaar, dat onze samenleving anders gestructureerd is dan een zandhoop of een stuk metaal, dat er verscheidenheid is onder de mensen, dat het ene gezin het andere niet is, dat er boven-individueel gezag bestaat, enz.

Wat die structuering betreft: geen samenleving is er bestaanbaar zonder staat met inbegrip van de hogere en lagere overheden, die daarvan deel uitmaken.

Nu is het speciaal door toedoen van die overheden, dat ons m.i. onnoemelijk veel leed bespaard blijft.

Enerzijds is het nog altijd waar, dat die overheden er zijn „om van wilde dieren mensen te maken, en mensen te behoeden, dat zij geen wilde dieren worden". (Luther).

Anderzijds zijn die overheden belast met de behartiging der belangen van de gemeenschap in het kader van genoemde staat; naar wij nader willen bezien, belichaamt de moderne staat een fantastisch brok zelfbestuur van de samenleving, die hij omspant.

Is het op zichzelf al zot zich te willen distanciëren van dit al — de tijd is lang voorbij, dat iemand zeggen kon: „L'état c'est moi" (Lodewijk XIV) —, een christen past zuIks allerminst.

Want het is niet vanwege de grandeur van die overheden als zodanig, dat wij belijden „Alle ziel zij de machten over haar gesteld, onderworpen; want daar is geen macht dan van God, en de machten die daar zijn, die zijn van God geordineerd" (Rom. 13 : 1), maar vanwege het geloof, dat het Gode belieft ons door haar hand te regeren (H.C., zondag 39).

Ik duid het onze Synode euvel, dat zij gemeend heeft zich te mogen distanciëren van deze goddelijke ordinantie, d.i. van de orde der zijnde dingen.

Daarmede grijpt onze Synode vooruit op wat nog niet is doch komt: het Koninkrijk Gods.

Onze Synode verschuile zich niet achter het schild „in de wereld nochtans niet van de wereld".

Dit gezegde houdt niet in, dat zij bevoegd zou zijn „uit de geschiedenis te springen" (prof. Patijn, dr. Rietveld e.a.).

Dit gezegde impliceert feitelijk maar één ding, 'd.i. de christelijke gehoorzaamheid, maar het voorbeeld van de Heer der Kerk. Het was immers in de weg der gehoorzaamheid, dat de Heere Jezus de Wil van Zijn Vader volbracht  (Phil. 2: 8). En dat is ook die weg van al Zijn discipelen (Rom. 6 : 17). Een andere weg is er niet. 

Die gehoorzaamheid doet een christen ja-zeggen op het wereldbestuur van God: „Als wij het heden op zijn hoogst mokkend accepteren en God heimelijk beschuldigen, dat Hij niet anders en niet vlugger de overwinning van zonde, dood en graf realiseert, zijn wij niet in staat God lief te hebben" (ds. Overduin).

In het geding is hier de loyaliteitskwestie.

Het staat onze Synode vrij — als reeds eerder opgemerkt, zie onder § 1 hiervoor — die overheden toe te roepen: „Broeders, zó gaat het niet" (prof. Patijn).

Maar waar het in het onderhavige geval aan schort is aanhankelijkheid.

Onze Synode frustreerde de nationale overheid door hetgeen wat zij zegt en door de wijze waarop zij gemeend heeft dat te moeten doen.

Het laatste kwam reeds eerder tersprake, in het begin van deze paragraaf. Wat het eerste betreft: het is met betrekking tot de zaak van het Westen al voorbehoud, dat onze Synode maakt (een uitvloeisel ook weer van de „theologie van het voorbehoud").

Wij memoreerden reeds (zie onder § 3 hiervoor) het standpunt van onze Synode inzake de theorieën van het Westen (de theorie van het machtsevenwicht, de zwaard- en schildtheorie, enz.); zij worden in het rapport stuk voor stuk van een vraagteken voorzien, c.q. afgekraakt. Een nogal goedkope wijze van doen overigens. Theorieën zijn en blijven theorieën, d.w.z. goeddeels gebaseerd op veronderstellingen, waarvan nooit met zekerheid kan worden gezegd, dat zij bewaarheid zullen worden.

Het is ook absurd maar een ogenblik te veronderstellen, dat een land als Nederland zou kunnen „afspringen".

Zoiets kan ons land niet doen en om redenen van zelfbehoud — „gouverner c'est pré voir": grondslag van all e overheidsbeleid is o.a. het continuïteitsbeginsel — en om redenen van solidariteit in bondgenootschappelijk verband: Geldt daar soms niet: een man een man, een woord een woord? Staat in Berlijn niet mede onze vrijheid op het spel?

Een overheid, die uit de geschiedenis springt, overleeft die sprong niet...

Nu is het m.i. geenszins onwaarschijnlijk, dat de toon, die onze Synode gemeend heeft te kunnen aanslaan, rechtstreeks verband houdt met de wel zeer deprimerende tijdsomstandigheden.

Ik denk in dit verband ook aan de factor angst.

Angst — ieder mens doet zich flinker voor dan hij is — kan ertoe leiden, dat een mens de stilte vóór de storm, die hij vreest, verbreekt. Dit gaat dan altijd gepaard met verhoogde activiteiten (grotere mededeelzaamheid, meer luidruchtigheid, lenz.). Het is alles zo menselijk...

Zo rooskleurig ziet onze wereld er op dit moment ook niet uit!

Slaan wij de krant op, dan lijkt heel het gebeuren in onze wereld zinloos: hier stortte een vliegtuig neer op de vleugel van een ziekenhuis, daar trad een rivierbuiten haar oevers, ginds werd een staatsman vermoord, enz. Allemaal incidenten, die ons herinneren aan Jezus' uitspraak omtrent het gebeurde te Siloam (Luc. 13 : 4 en 5).

En dat is dan nog maar de buitenkant! Wie peilt er al het leed, dat achter het nieuws van de dag schuil gaat? Hadden wij niets meer te onze beschikking dan dat nieuws en de commentaren op dat nieuws, wij zouden allen in Sartriaans vaarwater belanden...

De kerk evenwel beschikt over middelen, die de wereld niet kent: de middelen der genade.

God schonk ons, — naast die krant, enz. — Zijn Woord!

Dit nu is het enige lichtpunt in de duisternis, die ons omringt.

Immers genade alleen — het „sola gratia" van de Reformatie — is in staat ons voor het zwartste cultuurpessimisme te behoeden.

Want wat gebeurt er in het leven van de mens na ontvangen genade? Dan pas en niet eerder gaat hij inzien,

a) dat zijn verstand verduisterd is en dat het deswege de natuurlijke mens niet gegeven is de waarheid omtrent zijn werkelijkheid op het spoor te komen (1 Cor. 13 : 12);

b) dat wat de krant schrijft niet iets exceptioneels moet heten, maar representatief, ja karakteristiek voor een wereld, die naar God niet vraagt (Rom. 3 : 10—12);

c) dat de duivel nog steeds rondtrekt om te zoeken wie hij verslinden kan (1 Petr. 5 : 8), zodat de schepping nog steeds zucht. Rom. 8 : 22);

d) dat niet zozeer het gebeuren in de wereld stof tot verbazing geeft als wel de lankmoedigheid Gods, (het feit dus, dat God nog bemoeienis wil hebben met zo'n wereld (Ps. 8 : 4 en 5);

e) dat God die wereld in stand houdt om der wille van Zijn Kerk, dus nog omziet naar elk een, die zich in die wereld verloren waant (Joh. 3 : 16).

Wij zouden het ook zo kunnen zeggen: Zodra er hemels licht valt op de situatie, waarin zich de mens bevindt, verandert ook zijn werkelijkheid totaal en radicaal.

Alsdan raakt een mens ook niet zo gauw van zijn stuk, al wordt hij bedolven onder het nieuws. Nieuws ook, dat — naar menselijke maatstaven gemeten — nu niet bepaald opbeurend is...! Ja, dan komt het wellicht zover, dat die mens uitroept: „Mijn toevlucht en mijn burg, mijn God op Wien ik vertrouw" (Ps. 91 : 2).

Maar er is heel wat voor nodig, eer een mens plaats neemt in „het scheepke onder Jezus' hoede met de kruisvlag hoog in top!" Liefst roeit hij zelf maar wat voort...

Dit was het ook wat Job te verstaan kreeg van Boven.

Wat had Job zijn gedachten al niet gepijnigd om de zin van het gebeuren. Waarvan hij zelf het middelpunt was, te doorgronden. Het lukte hem maar niet. „Geef het te kennen indien gij dit alles  weet", zegt de Heere. Met welk een neerbuigende liefde spreekt hier de Heere tot zijn oude dienstknecht!

De positie van de Strijdende Kerk op aarde is in wezen dezelfde als die van Job op de vuilnisbelt.

De kerk zou zo graag het gebeuren in de wereld willen doorgronden, ware het slechts om in die weg haar eigen noodlijdendheid aan de weet te komen, haar eigen machteloosheid ook.

Doch zoveel is zeker: slechts de uitreddende Hand van Boven is in staat haar uit het moeras te helpen. Als de kerk ziet op haarzelf, behoeft zij in de wereld niet voor de dag te komen. Haar past enkel de gestalte van een dienstknecht (Phil. 2 : 5-7).

Ook op haar is van toepassing het woord van de apostel: „Want als ik zwak ben, ben ik machtig" (2 Cor. 12 : 10).

Daartoe zal zij bij den voortduur geduld hebben te oefenen.

Want God helpt op Zijn Tijd, id.d. naar menselijke berekening dikwijls te laat. Het was Martha, die uitliep: „Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven" (Joh. 11 : 21).

Ja, dat is het wat een mens leert in de oefenschool van „de Geest der wijsheid en des verstands" (Jes. 11 : 2): stil zijn (Ps. 62 : 2 en 6) en wachten (Ps. 130 : 6).

Maar wat blijkt hiervan nu uit het rapport?

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

SYNODALE GELUIDEN OMTRENT DE KERNBEWAPENING (XI)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's