DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK V, ARTIKEL 2
Hieruit spruiten de dagelijkse zonden der zwakheid, en ook aan de allerbeste werken der heiligen kleven gebreken. Hetwelk hun gestadige oorzaak geeft om zich voor God te verootmoedigen, hun toevlucht tot de gekruisigde Christus te nemen, het vlees hoe langer hoe meer door de Geest des gebeds en heilige oefeningen der Godvruchtigheid te doden en naar het eindperk der volmaaktheid te zuchten, totdat zij, van dit lichaam des doods ontbonden zijnde, met het Lam Gods in de hemelen zullen regeren.
Het vlees
Ons artikel begint met het woord: hieruit. Daarmee is bedoeld: het vlees en het lichaam der zonde. Daar komen de dagelijkse zonden der zwakheid bij de gelovigen uit voort. Wat wordt er bedoeld met het vlees? Ik zou vele artikelen nodig hebben om te beschrijven, wat de H. Schrift met „vlees" bedoeld. Dat woord betekent ook niet in elke tekst hetzelfde. Daar is b.v. de uitdrukking uit 2 Cor. 5 : 16: „Christus kennen maar het vlees". Hier wordt wel bedoeld een kennis van Christus, die Hem be-oordeelt naar wat mensen kunnen zien met hun natuurlijke ogen en weten met hun natuurlijk verstand. Er is tweeërlei kennen van Christus. Maar dit ene soort kennen, nl. de kennis van de natuurlijke mens is een niet-kennen. Alleen de gelovige, die de H. Geest heeft ontvangen, kan Christus kennen. Hier is dus met vlees de natuurlijke mens bedoelt, die eindig is en die niet verstaat de dingen die des Geestes Gods zijn. Maar de Leerregels sluiten meer aan bij andere Schriftwoorden, waarin het vlees de zondige mens bedoelt. Het vlees is de onbekeerde mens, die in zijn gevallen toestand buiten Christus en buiten Gods Geest leeft. Hij wordt beheerst door de zonde. Van dit vlees staat: „Het bedenken des vleses is vijandschap tegen God". De mens van nature leeft naar het vlees. Dat vlees is zijn norm en wet. Hij kan niet anders dan het bedenken des vleses doen. Vlees en Geest zijn twee machten, die boven pensoonlijk zijn, sterker dan de mens.
Het is niet zo, dat de mens tussen die twee vrij kan kiezen. Hij is aan het vlees gebonden.
Het vlees kan twee kanten uit. 't Kan zo heersen in de mens, dat zij allerlei zonden doet. Gal. 5 spreekt van werken des vleses: sexuele zonden, twist en strijd, overdaad in eten en drinken.
Deze dingen heten ook: begeerten des vleses. De gelovige wordt vermaand: „volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet". (Gal. 5 : 16) Het vlees is dus minstens nog een macht in hem. Naast het vuile vlees is er echter ook het vrome vlees. De man die op zijn vroomheid vertrouwt leeft ook naar het vlees. In Gal. 3 : 3 vraagt Paulus: „Zijt gij zo uitzinnig? daar gij met de Geest begonnen zijt, voleinidigt gij nu met het vlees? " Hier is vlees het zoeken van de gerechtigheid uit de wet. Wanneer de mens zijn vertrouwen zet op goede werken, vroomheid, innige gebeden en tranen handelt hij naar het vlees. Waar zit dat vlees? Is het misschien een sterke macht buiten de mens, die in hem is ingedrongen, terwijl er in de zondaar toch nog een goede kern is? Neen, in de gevallen mens woont niets goeds meer. De mens is vlees d.w.z. is onderworpen, moedwillig en vrijwillig onderworpen aan machten, die niet God zijn. Dat is niet 's mensen lot, dat is zijn schuld. Daarom moet in Rom. 7 wel de christen bedoeld zijn. Alleen in de gelovige is een andere macht. Daar heeft Gods Geest bezit van het binnenste van het gemoed genomen. Daar is de strijd tussen vlees en Geest. Maar als de Geest Gods is komen wonen in de mens is in beginsel het Beeld Gods hersteld. De val heeft de Geest aan de mens ontnomen. Het geloof in Christus brengt Gods Geest terug in de mens, maar niet zo, dat Hij met één slag op alle gebied de oude toestand van voor de val herstelt. Dat gaat langzamerhand. De gelovige begint het Beeld van Christus te dragen, maar ten volle zal het eerst op de jongste dag openbaar komen. Heel ons leven als christen moet bestaan dn een doden van het vlees en een levendmaken door de Geest. In de gevallen mens, die van de zonde bezeten is, is geen wezenlijke stiijd. Alles wat in de natuurlijke mens is, is vlees. Wel kan vlees tegen vlees strijden; het lagere vlees tegen het hogere, zinnelijkheid tegen vroomheid, maar de strijd is dan niet tegen het vlees als zodanig. In de gelovige is de strijd tussen Geest en vlees. Van dit vlees wordt de gelovige in dit leven niet ganselijk verlost.
Het lichaam der zonde
Men zou kunnen zeggen, dat dit een andere benaming is voor vlees. Men komt de uitdrukking tegen in Rom. 6 : 6: „Dit wetende dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde teniet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen".
Wat is de oude mens? De gevallen mens, die aan de zonde onderworpen is en zelf zondig is, dus vrijwillig onderworpen. De zonde wordt in de Schrift dikwijls als een geweldige macht voorgesteld. Dat is een groot verschil met deze tijd, waarin zelfs vele kerkmensen niet meer weten wat de zonde is, wat een vreselijke verdervende macht de zonde is en welke schrikkelijke doodsoordelen zij meebrengt. Maar de Schrift spreekt van de zonde als een koningin, die over de mensen dictatoriaal, vroeger zouden ze zeggen tyranniek, heerst. De zonde is een demonische macht; wie er ooit aan ontdekt werd, leerde beven en wenen.
De mens, zegt de Bijbel, is onder de zonde (Rom. 3 : 9) een slaaf van de zonde (Rom. 6 : 16) verkocht aan de zonde (Rom. 7:14) en de mens verschaft aan de zonde de leden van zijn lic haam en van zijn ziel tot wapenen dier ongerechtigheid. (Rom. 6 : 13) De zonde woont en heerst in het vlees. De mens heet nu: lichaam der zonde. Er is mee bedoeld de hele mens, het hele door de zonde bepaalde menselijk bestaan, als een macht, waaraan de mens zelf onderworpen is. Het is de kern van ons wezen, die tot in alle hoeken van ons bestaan over ons heerschappij voert. Vanwege de kracht der zonde heeft de mens niet de macht over zijn eigen bestaan, maar hij wordt daardoor zelf overheerst en getyranniseerd nl. om de zonde te doen. Dat is het lichaam der zonde, lichaam genoemd, omdat deze zondemacht zich uit werkt in het lichamelijk bestaan des mensen. Calvijn schrijft: „Het „lichaam der zonde", waarover Paulus even verder spreekt, betekent niet het vlees en de beenderen, maar de mens in zijn geheel. De mens immers, die aan zijn eigen natuur is overgelaten, is een totaliteit, die uit zonde is samengevoegd.
Hieruit volgt, dat wij, zolang wij kindenen zijn van Adam en niets anders dan mensen, zozeer aan de zonde verknocht zijn, dat wij niets anders kunnen dan zondigen, en dat wij daarentegen uit deze ellendige toestand worden verlost, wanneer wij Christus zijn ingeplant, niet omdat wij dan dadelijk geheel met zondigen ophouden, maar opdat wij ten laatste in deze strijd overwinnaars zouden zijn". Dus niet ganselijk verlost van dat lichaam der zonde. Dat volgt ook uit Hebr. 12 : 4, waar tot de gelovige gesproken wordt: „Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde". Natuurlijk zit het kwaad niet in het lichaam als zodanig. Het zit in het lichaam, voorzover de zonde daarin heerschappij heeft. De mens doet de zonde vrijwillig en is toch slaafs aan haar onderworpen. Dat wordt hij gewaar als hij probeert aan de zonde ongehoorzaam te zijn.
De dagelijkse zonden der zwakheid
Onze geloofsbelijdende vervat in de Leerregels spreekt hier over de mens, die van nature van de zonde bezeten is, maar door het waar zali gmakend geloof Christus ingelijfd. Hij heeft in deze gemeenschap de gerechtigheid van Christus ontvangen en de Heilige Geest, die in hem de vernieuwing des harten begint. Deze mens is verwisseld van koning. De zonde is in hem onttroond en de Geest van Christus heeft de regering overgenomen. Het komt er nu op aan, dat de Geest des Heeren over de ganse mens heerschappij krijgt. Hoe is deze mens? De zonde is tot nu konigin in hem geweest. Zij heeft hem nog niet losgelaten. Paulus noemt zich: verkocht onder de zonde. Maar hij voert de christelijke strijd. Daarbij ligt hij vele malen onder, doch tegen zijn wil. De nieuwe mens wil de zonde niet en de nieuwe mens is de mens, voorzover de Geest des Heeren regeert, maar er is een wet, een gebied van zonde, een guerilla van zonde in de mens, waardoor Paulus vaak doet, wat hij naar de nieuwe mens niet wil. Vlees is in Paulus dit steeds wisselend terrein, dat de Heilige Geest nog niet onder zijn heerschappij heeft gebracht. Daar kan Paulus nog niet tegen op, tegen deze macht. Maar het is uit zwakheid, gezien het verlangen van de nieuwe mens. Van deze zwakheid zegt 't Avondmaalsformulier: „Daarom al is het, dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk, dat wij geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulk een ijver, om God te dienen niet begeven, als wij schuldig zijn; maar dagelijks met de zwakheid van ons geloof en de boze lusten van ons vlees te strijden hebben; nochtans, desniettegenstaande, overmits ons (door de genade des Heiligen Geestes) zulke gebreken van harte leed zijn, en wij begeren tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden Gods te leven". Dit zijn de zonden der zwakheid. Het zijn vooral de boze begeerten en neigingen, die de gelovige tot opstand en verzet tegen God aanzetten en zij zijn zonde in de volle zin. Het zijn geen ongevaarlijke zwakheden. Het is beschaamend en ontmoedigend, dat de gelovige altijd maar weer opnieuw door de begeerten van het vlees aangevallen wordt en tot een val gebracht wordt. Telkens zijn er weer die overdadige begeerten naar geld, naar eer, maar sexuele en andere lust, naar alle wereldse dingen, die hij niet nodig heeft.
De een heeft meer met het een, de ander met het tweede of het derde te kampen, maar de begeerten zijn er. Ook wordt er meer aan toegegeven dan nodig is. De boze lusten van ons vlees vormen een geduchte macht. Niet zozeer in wat zij bereiken, want hun aanvallen breken gedurig af. Zij kunnen zich niet doorzetten zoals vroeger. Maar hun aanwezigheid op zichzelf is al een vreselijk iets. Zij vereisen een voortdurende krachtsinspanning om niet onder te liggen. Daar is in de gelovige een vuile bron van wanbedrijven. Hij zou wil zes handen moeten hebben om deze bron dicht te houden' . Is er geen rede om te vertwijfelen? Neen, die is er niet. Gods Geest geeft telkens overwinningen. De zonden hebben wel een beetje uitloop, maar in beginsel liggen ze aan de ketting. Het feit, dat de strijd zo spannend is, mag men als een zegen aanmerken. De zonde moge nooit geheel achter de gelovige komen te liggen, toch telkens weer onder hem. Calvijn schreef: „Men moet dus Hem bidden, dat Hij in ons meer en meer de ge nade van de Heilige Geest vermeerdere en dan zulen wij bevinden dat het vlees, hoe furieus het ook zij .. . ofschoon het lijkt, dat het een wild beest is, dat men niet kan temmen, toch zullen wij bevinden, dat het vlees niet sterker is dan de Geest van God"?
(Preek Gal. 5: 14-18). Voor de gelovige geldt daarom: „En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonde blijven liggen". Dat ieder wedergeborene in zonde valt, is bekend. De grootste ijveraars voor de leer der volmaaktheid zijn op hun beurt openbaar wel ten val gekomen. Dat sta vast. Het vlees is niet direct geheel onderworpen, maar God is er Borg voor, dat het eenmaal ge heel ten onder gebracht zal zijn. Zo is de toestand.
Wat te doen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's