IN AANRAKING MET JEZUS
Meditatie
En zie, een vrouw, die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem van achteren, raakte de zoom van Zijn kleed aan.Matt. 9:20
De geschiedenis, waaraan de tekst van onze overderking is ontleend, is een geschiedenis tussen haakjes. Jezus is op weg naar het huis van Jairus, waar in verband met diens dochtertje de grootste nood heerst. Dat duldt geen oponthoud. Toch waagt een vrouw, die reeds twaalf jaren lijdt aan een slependie ziekte en al haar geld uitgegeven heeft aan dokters en medicijnen, om Jezus' kleed aan te raken in het stellige geloof, dat zij daardoor genezing vinden zal. Zo geschiedt het ook. Haar geloof, dat tot in haar vingertoppen leefde, ontvangt, wat het begeert: genezing! Genezing, die haar hele lichaam doortrekt. Als Jezus dat echter bemerkt, maakt Hij haar openbaar en spreekt haar moed in. Niet tevergeefs heeft zij op de Zaligmaker gehoopt, al deed zij het dan bedekt, verborgen.
Terwijl de nood in Jairus' huis op het hoogst geklommen is en de dood de ziekenkamer heeft betreden, heeft Jezus inmiddels tijd voor de nood van anderen. Wat een zegen, dat Hij om redenen van tijdsgebrek zijn bereidheid tot helpen en de gewilligheid tot bijstand niet beknot, zoals dat bij ons vele malen het geval is: het spijt me, maar ik heb nu echt geen tijd voor u. Daarom noemden we de geschiedenis van de genezing van deze vrouw een geschiedenis tussen haakjes, ook al staan deze er in die grondtekst niet bij. Dit verhaal breekt het betoog van Mattheus en wat erger schijnt, Jezus' gang naar een doodziek of overleden kind. Daarom is het des te wonderlijker en heerlijker, dat er plaats voor is. Het zijn geen bepaalde uren, waarop Jezus te spreken is.
Wat wij uit de geloofsgang van de bloedvloeiende vrouw ditmaal leren willen, is niet slechts, dat wij met al onze lichameilijke noden op elk willekeurig moment van de dag terecht kunnen bij de Zaligmaker. Maar wij wordten hier evenzeer door dit hemels onderwijs aangespoord Hem vanuit de nood van ons zondebestaan te tasten en aan te raken met die vragen des geloofs. Geeft Jezus het mindere, de genezing van ons lichaam, hoe gewillig moet Hij dan wel niet zijn om ons van de kwaal der ziel, nl. de zonde te verlossen!? Zo is ons dit Schriftgedeelte een wegwijzer tot Jezus: Wilt ge, gedrukt door zonden, bevrijding en verlossing, wendt u dan tot Hem, raak slechts de zoom van Zijn kleed aan en ge zult Zijn kracht ervaren.
Het valt enigszins moeilijk te verstaan, dat die vrouw, over wie het thans gaat, Jezus van achteren benadert. Wekt dat geen achterdocht? Zijn haar bedoelingen wel zuiver? Is dit geen steelsgewijze handeling, die het daglicht niet zien kan? Neen, niets van dat alles. Door haar kwaal is zij onrein geworden. Lees Lev. 15:19. Al wie zij aanraakt, is ook onrein. Is het zo met ons, dan hangen wij dat uiteraard niet aan de grote klok. Daarmee lopen we niet te koop. Als wij, door onze zonden onrein van het hoofd tot de voetzool toe, ons zorgen maken over het heil van onze ziel, vertellen we dat aanvankelijk niet iedereen. Het is niet goed onze schandelijkheden op de straat uit te kramen. Daarom wenden ook thans de stillen in den lande zich niet zelden in de eenzaamheid tot Jezus. Van achteren, als zij konden. Niemand behoeft het te weten. Zij zouden om hun onreinheid veracht, om niet te zeggen verstoten worden. En vaak leeft ook de bange vrees in het hart, dat Jezus, Die de macht heeft om te helpen, zulken als zij zijn wel niet zal willen geven, wat ze nodlig hebben. Dat deze angst ook in het hart van de vrouw leefde, wordt uit het vervolg wel duidelijk.
Zij komt van achteren tot Jezus. Als zodanig gaat het hier wel heel anders er naar toe als in de geschiedenis van Jairus. Deze gaat linea recta tot de Zaligmaker, vertelt Hem ten aanhoren van allen zijn nood en wordt geholpen. O, zeker, het gaat in ons komen tot de Zaligmaker niet altijd zo geheim. En het is ook niet steeds verkeerd, dat anderen van onze noden weten. Zij zouden mee kunnen bidden, zij zoudten ons de weg kunnen wijzen. Vergeet die Aarons en Hurs, die ons op de weg naar Sion kunnen ondersteunen toch niet.
Er is dus verschil. Maar in ieder geval: Van voren of van achteren, ga tot Jezus. De nood van uw zondebestaan is te groot om er uzelf uit te redden. Er is voor u geen behoud, als ge meent het leven gevonden te hebben in Uzélf of in de wereld. Wat een gewilligheid van Zijn kant om te geven, wat het vertederde zondaarshart, ook al is het met angst en vrezen, van Hem begeert! Vergeving van alle zonden door Zijn verzoenend sterven aan het vloekhout. Gezegende, dierbare Jezus, Gij kunt ons van de ergste kwaal, nl. die der zonde voor eeuwig verlossen. Gij alleen.
Ga tot Jezus! Ja, maar dat is immers zo eenvoudig niet. Het geloof in het hart van de zieke vrouw, zon op een mogelijkheid om in aanraking te komen met Jezus. Het moest een persoonlijke aanraking worden. Anders kon zij niet herstellen. Wel, daarom behoefde zij slechts de zoom van Zijn kleed aan te raken. Dat zou genoeg zijn. Durfde zij niet te hopen op Zijn zegenende hand. Zijn nodigende blik of op bet verlossend Woord van Zijn mond, zij zou het stellen met de zoom van Zijn rikleed.
Het geloof breekt door alle grenzen, die mensenvrees en twijfel ons gesteld hebben, heen. Het zoekt persoonlijk contact met Jezus. Het is ook niet tevreden met wat verstandelijke overwegingen of praat van een ander, al wordt ons daarin soms de heerlijkheid van de Zaligmaker ten sterkste op het hart gebonden. Het geloof wil zelf ervaren. Geloof zonder ervaaring, of wilt ge, bevinding is een dood ding.
Waar moeten wij Jezus vandaag dan wel zoeken? In de hemel immers! En hoe kan ik persoonlijk in aanraking komen met Hem? Zolang wij op aarde zijn, alleen door Zijn Woord en Geest. In het Woord van Zijn beloften komt de verhoogde Heere tot Zijn gemeente als in een gewaad en roept het haar toe: Raak Mij aan, raak Mij aan! En ieder, die door ontdekkend licht gedreven, de hand legt op dat Woord, zal ook thans ervaren, dat er kracht van uitgaat. Want het is immers nimmer zonder kracht. Het is vol van Geest. Het verdoemt enerzijds alle ongeloof, maar zegent anderzijids alle geloof met genezing van de kwaal des harten. Het gaat in de aanrakinig van een zondaar met het Woord als met twee elektrische draden, waarvan de een positief en de ander negatief geladen is, wanneer zij elkaar raken. Het vonkt. Legt een gans ontledigde zondaar de band des geloofs op het Woord van Christus, vol van genade en waarheid, dan is er vuur. De kracht ervan komt openbaar in de ervaring, dat hij zijn kwaal kwijt is. Hij heeft Jezus onrein gemaakt. Jezus verklaart hem voor rein. Lezer, zijt gij zo ooit door het Woord in een levende aanraking met Jezus gebracht?
Suggestie, zegt iemand, die deze regels leest. Hoe kan een enkele aanraking van Jezus' kleed deze vrouw genezing brengen? Zij heeft het zich stellig maar verbeeld. Ons antwoord zij, dat een gelovige aanraking van Jezus' kleed dit gevolg in werkelijkheid heeft. Het geheim zat in Jezus' kracht, maar ook in het geloof van de vrouw, dat door de Heere gewerkt was. Vinden wij het welletjes, dat wij Gods Woord lezen, bidden en naar de kerk gaan, terwijl daar geen le vend geloof in steekt, dan verklaar ik: suggestie. Zo iemand kan vlak tegen Jezus aanstaan (net als de schare) en een vreemdeling zijn van genade en alles, wat daarmee samenhangt. Het gaat in het koninkrijk van God niet automatisch. Bedriegt uzelf niet! Ge gaat naar de eeuwigheid. Geloof wordt alleen in de nood geboren. Maar waar dat geloof dan ook is, ervaart het de kracht van Chiristus sterker dan de wereld ooit beseffen kan.
Straks roept Jezus de vrouw, die genezen is, tevoorschijn. Zij moet maareens vertellen, wat zij gedaan heeft en wat er met haar gebeurd is. Ja, als de Heere iets doet, dan kan en mag dat tenslotte niet verborgen blijven. Het gaat in al onze ervaringen niet om onszelf, maar om de venheerlijking van Zijn Naam. Daarom moet het schuchtere weg. De vreesachtige en bekommerde omgang met Jezus worde een openbare eredienst. Iedereen mag het weten. Kom, beschroomde zondaar, maak anderen deelgenoot van hetgeen de Heere aan u deed. Gun de Heere de eer van Zijn Naam. En neemt de Heere de vrees, dat ge u vergist zoudt hebben, soms weg om plaats te maken voor de blijde zekerheid, dat Zijn vriendelijke en gunstrijke ogen op u zijn, laat uw mond Hem dan roemen:
Komt, luistert toe, gij godgezinden.
Gij, die de Heer' van harte vreest.
Hoort, wat mij God deed ondervinden.
Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest,
'k Sloeg heilbegerig 't oog naar boven.
Ik riep den Heer' ootmoedig aan;
Ik mocht met mond en hart Hem loven.
Hem, Die alleen mij hij kon staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's