De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kroniek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kroniek

11 minuten leestijd

De zomer is voorbij —Conferenties: Montreal; Helsinki; Rochester —Een triest onderwerp —Van vreugdevolle contacten en rijke zegen.

De zomer is voorbij; zo ongeveer opende 1 september jl. de „Nieuwsdienst" het programma. Dat klonk wat cynisch, helemaal niet in harmonie met de ochtendzon, die met haar vriendelijk licht de kamer vulde. Maar het is ook niet waar, wat de man voor de microfoon ons vertelde. Ieder weet, dat de zomer naar de kalender 21 september eindigt en niet de eerste van die maand.

Bovendien, we weten ook van nazomers. Daar hopen we op, vooral na zomermaanden, waarin niet veel zomers weer ons werd geschonken. Die zegen wensen wij ook nu, na een uitzonderlijk natte en soms gure zomer. Vooral met het oog op de oogst, die veel schade leed en voor een deel nog niet is geborgen. Laten ook in dezen „onze begeerten" maar „bekend worden bij God" (Fil. 4:6).

Ja, 1963 heeft zich wel gekenmerkt door een uitzonderlijke zomer. Het K.N.M.I. heeft ons door diverse statistische gegevens daarvan extra doordrongen, als wij het anders niet wisten. En niet alleen in ons land was het weer vaak niet „naar het jaargetijde". Van rondom kwamen dienaangaande de berichten binnen. Maar ook werden soms hoge temperaturen gemeten. Prof. Lekkerkerker wist daarvan mee te praten, gelijk bleek u it een zijner zondagavondlezingen, nog steeds over die Heidelberger Catechismus, doch toen gewijd aan de conferentie van „Faith and Order" — een conferentie in oecumenisch klimaat — in Montreall in Canada. Hij sprak gewerkt te hebben onder een temperatuur van, naar ik meen, bij de 40°.

Zo warm zal prof. Kooiman, uit Amsterdam, het wel niet gehad hebben in Helsinki. Finlands hoofdstad, waar de 1e helft van augustus de 4e Assemblee van de Lutherse Wereldfederatite bijeen was. Een verslag van zijn hand stond in „Hervormd Nederland" d.d. 24-8-'63. Heel Finland leefde mede. Begrijpelijk, want dit volk is voor ongev. 90 % Luthers, en lid van de volkskerk, al valt over medeleven met de kerk niet te roemen; slechts een klein percentage komt 's zondags ter kerke. Maar het Finse volk heeft op allerlei wijze getoond de grote bijeenkomst van de Lutheranen uit meerdere landen en werelddelen in zijn hoofdstad te waarderen. Er is een erepromotie aan de universiteit geweest, een officiële ontvangst in het paleis van de President en zo maar meer. Prof. Kooiman schrijft daarover, doch merkt op: „Er was wat te veel drukte en afleiding voor een werkelijk bezonnen werken". Het hoofdthema was „Rechtvaardig door het geloof". Het resultaat van de besprekingen, in breed oecumenisch verband gevoerd, zal wel gepubliceerd worden, wanneer het uitvoerend comité met de bewerking van het materiaal gereed is.

Er waren ter Assemblee in Helsinki twee r.k.-waarnemers. Dergelijke contactlegginig wordt bij oecumenische samenkomsten in onze dagen meer en meer een gewoonte.

Een der waarnemers was de jesuiet prof. Witte, hoogleraar aan de grootste pauselijke universiteit, de „Gregoriana". De N.R.Crt. van 13 augustus jl. vertelt, dat aan deze professor de vraag werd voorgelegd: „Mag uit uw aanwezigheid hier worden afgelei d, dat de r.k. kerk de Lutherse kerk erkent als een echte christelijke kerk? " Het antwoord was bevestigend, doch er werd aan toegevoegd: „ofschoon zij vindt, dat de Lutherse kerk niet op hetzelfde niveau staat." Prof. Witte heeft terdege beklemtoond, dat de rooms-katholieken de Lutherse kerk niet kunnen erkennen als de „ware kerk". Die is volgens hen de r.k.-kerk „door Jezus Christus Zelf gesticht en door Hem gewaarborgd". „Er loopt", zo zei hij met nadruk, „een scheidingslijn tussen de Kerk van Jezus Ohristus en hen, die er buiten staan", daarbij opmerkend, dat „wijlen Paus Johannes niet-katholieke kerken „kerken" had genoemd". Daarmee hebben de Luthersen het in Helsinki moeten doen. En hetzelfde oordeel zal ook ons wel gelden. Gelukkig is het niet afdoende. Een menselijk oordeel, en niet dat van Christus!

In Rochester: dicht bij N.-York, is eveneens in augustus; het centraal comité van de Wereldraad van Kerken bijeen geweest. Ook daar waren waarnemers van het Vatiaan. Geen uitzondering dus op de tegenwoordig in zwang zijnde regel! Volgens een verslag in „Trouw" heeft één hunner gezegd, dat ook de r.k. kerk zich wel bij de Wereldraad zou kunnen aansluiten — wellicht gezien de nieuwe basisformule — doch dat zij dan de andere kerken zou overspoelen. Zij zou een meerderheid hebben van enkele miljoenen leden. Natuurlijk doet zij zulks niet, want zij pretendeert immers de ware oecumene te zijn.

Er leeft in de Wereldraad nog altijd de vrees, — ik ontleen dit ook aan het verslag van „Trouw", — d.d. 29-8-'63, nu dat door de aansluiting van de „orthodoxe kerk" van Rusland, en uit andere landen achter het ijzeren gordijn, communistische invloed in de Wereldraad zal doorwerken. Een afgevaardigde, dr. Klaus von Bismarck, heeft dat nog eens onderstreept. Deze Westduitse predikant sprak uit, dat de Russische kerk en de kerken uit andere communistische landen zouden kunnen gebruikt worden als „een paard van Troje". Prompt kwamen daartegen op de afgevaardigden uit bedoelde landen. Een hunner zeide, aldus het verslag, „dat de Oosterse kerken hebben moeten constateren, dat de communistische landen volbracht hebben, wat door de kerken had moeten gedaan worden". Of dit gedurfde woord zonder kritiek is aanvaard, stond er niet bij. De kritiek zou, naar ik meen, niet zo moeilijk zijn geweest.

Het is te begrijpen, dat in Rochester ook de rassen-discriminatie ter tafel is geweest. Zulks zijn we tegenwoordig van kerkelijke vergaderingen en colleges gewend. Nu heeft het centraal comité van de Wereldraad van Kerken ditmaal zich niet uitsluitend met Zuid-Afrika bezig gehouden. Ook de rassen-scheiding in de Verenigde Staten van Amerika — die strijd er tegen is heel fel! — is onderwerp van de discussie geweest, en er is eveneens een veroordelende uitspraak over gedaan. Ik ga op deze dingen niet in. Persoonlijk ben ik van mening, dat wat de V.S. te zien geven — en zulks nadat de afschaffing der slavernij een eeuw geleden reeds een feit werd — erger is dan wat in Zuid-Afrika gaande is, althans voor zover ik de dingen kan beoordelen.

Ik releveer uit de debatten over het rassenvraagstuk te Rochester gevoerd, één uitspraak, die mij, afgaande op het verslag van „Trouw" in het nr. van 2 september jl., zeer bedenkelijk en aanvechtbaar voorkomt. In een oproep tot boete aan de blanken in Zuid-Afrika, boete over de fouten tegen hun medemensen begaan en tot verloochening van alles „wat hun getuigenis tot Christus zou kunnen schaden", staat als tussenzin: „in Wien (nl. Christus) alle mensen één zijn". Ik vermoed, dat „in", hetwelk ik ondterstreepte, een druk- of stijlfout is en daar moet staan: „voor". Anders is het, zoals ik zeide, aanvechtbaar, wijl niet naar het Evangelie. Eén in Christus toch, zijn allen, die Zijn verschijning in onverderfelijkheid liefhebben.

Mij rest nog de mededeling: „het comité nam ook een resolutie aan waarin God dank wordt gebracht voor de „broederlijke en vruchtbare bebrekkingen", die met de rooms-katholieke kerk zijn tot stand gekomen als gevolg van het tweede algemene concilie. Er is reden tot hoop op een waarlijk oecumenisch gesprek tussen de rooms-katholieke en andere kerken" („Trouw" dd. 2-9-'63)

Begrijpelijk dat in deze dankbare stemming het comité volvaardig overging tot benoeming van vier waarnemers voor de voortgezette zitting van het 2e Vaticanum, die men 29 september e.k. hoopt aan te vangen. Of dit alles in overeenstemming is met wat Karl Barth onlangs als zijn visie op het Vaticaans Concilie gaf: „Concilie niet bijeen om met ons te praten"? Het stuk, waarboven „Trouw" dd. 14-8-'63 dit opschrift plaatste, bevat heel wat meer, maar wijst er in het slot op, hoe de „vernieuwing", — welke hij meent bij Rome te zien —, „ons dringe tot bidden om de vernieuwing des Geestes"; hij spreekt zelfs van een „nieuwe uitstorting van de Heilige Geest" (om met J. Chr. Blumhardt te spreken')."

Ik laat deze laatste uitdrukking voor rekening van Barth. Een vernieuwde mededeling van de gaven en krachten des Geestes hebben we zeker nodig opdat de vruchten des Geestes meer mogen gezien worden!

In „Hervormd Weekblad" - nr. van 29 aug. l.l. plaatste prof. van Itterzon een kort artikel, dat het opschrift draagt: „Homosexualiteit". Een triest onderwerp. Het is maar niet een verschijnsel van deze tijd, neen, het is van alle tijden. Vooral in perioden van diep zedelijk verval treedt het, soms heel driest, aan de dag. Men denke aan Sodom uit de dagen van Lot. Ook in de wereld van het Nw. Testament openbaart het zich. Men herinnere zich wat Romeinen 1 er van zegt. Ook in andere brieven wordt het gesignaleerd. Het is dus een zonde, die vooral in tijden van geestelijk verval en degeneratie, zich openbaart. Treedt ze daarom in onze tijden veelvuldiger in het licht? Prof. van Itterzon schreef over deze zonde naar aanleiding van artikelen van ds. R. Kaptein, verschenenn „Woord en Dienst", en reacties op deze artikelen van „lezers" en ds. Klamer, „de radiopastors". Ds. Kaptein noemde homosexualiteit een ziekte. Ds. Klamer vindt dit „zeer aanvechtbaar" en uit zijn teleurstelling erover dat „ds. Kaptein dat zo beslist stelt, dat homosexualiteit niet tot 'n echte menselijke mogelijkheid wordt". In zijn bestrijding van deze uitspraak van ds. Klamer, wijst prof. van Itterzon op enkele consequenties voor het kerkelijk leven, waartoe het gevoelen van de schrijver, werd het door de kerk aanvaard, zou kunnen leiden. Zover is het gelukkig nog niet. Maar het is wel erg, dat ds. Klamer niet alleen in het offici eel orgaan onzer kerk zijn opvatting van de homosexualiteit poneerde, gelijk boven is weergegeven, doch dat hij, naar eigen zeggen, ook alzo over deze zaak tweemaal sprak voor de microfoon. Op deze wijze wordt het kerkvolk — indien 't naar ds. Klamer luistert, wat zeker niet denkbeeldig is — en met name onze jongeren — geinfecteerd door een voorstelling, die niet is naar Rom. 1, en het gezag der Schrift dusdanig ondermijnt, dat het zedelijk besef nog meer zal verslappen, dan reeds geschiedde. Terecht vraagt prof. Van Itterzon — en het is gericht zowel tot ds. Kaptein en ds. Klamer —, „of Paulus het dan bij het verkeerde eind gehad heeft, óf dat deze woorden uit Rom. 1 slechts „tijdgebonden" „waren". Wij hebben prof. Van Itterzon dankbaar te zijn, dat hij in zijn artikel op de artikelen in „Woord en Dienst" de aandacht vestigde en onderstreepte dat „Paulus over tegen-natuurlijke verhoudingen zeer ernstig spreekt". Het gevaar is niet denkbeeldig, maar van ernstige dreiging, dat wij, wat God in Zijn Woord zonde noemt, niet meer als zodanig durven brandmerken. Dat tendeert, naar ik meen, een uitspraak als zou „homosexualiteit een echte menselijke mogelijkheid" zijn.

Wie maandagavond 2 september jl. de „Radiokrant" van de N.C.R.V. heeft gevolgd, heeft ook de stem van ds. D. J. van Dijk kunnen horen. Hij was die dag met zijn echtgenote op Schiphol gearriveerd, terug van een reis naar Celebes, om contacten op te nemen met de Toradja-Kerken. Hij, die 25 jaren op Celebes heeft gewerkt, was eigenlijk de enige predikant onder ons, die voor zulk een reis de aangewezen man was.

In juni vertrokken hij en zijn echtgenote. Gemeenten hier te lande, die ds. v. Dijk gediend heeft, maakten mogelijk, dat mevr. v. Dijk haar man kon vergezellen, „zonder bezwaar van de „schatkist". Hulde!

Het echtpaar v. Dijk heeft in Djakarta en Makassar contacten gehad met reeds uit Celebes vertrokken gemeenteleden. Dat was een vreugde. Doch de diepste blijdschap was wel het verblijf op het oude terrein, in dezelfde woning waarin zij 24 jaar hebben gewoond. In Rante Pao hebben zij meegemaakt de „luisterrijke herdenking", dat voor 50 jaar het werk onder de Toradja's aanving. Wie denkt hierbij niet aan onze eerste zendeling Van de Loosdrecht, die zijn leven daar moest geven voor het Evangelie Gods?

Ook woonde ds. v. Dijk de 9e synode bij — in Rante Pao — van de in 1946 zelfstandig geworden Toradja-kerk, die thans op één na de grootste is in Indonesië en zich nu in vrede en rust mag ontplooien. Het is dan, ondanks moeilijkheden en druk, een halve eeuw van strijd en zegen geweest. Een en ander, hier vermeld ontleende ik aan „Trouw" van dinsdag 3 sept. jl.

Op de jaarvergadering van de GZB, D.V. deze maand, zal ds. v. Dijk nog wel meer van zijn ervarinigen verhalen. Hij hoopt ook deel te nemen aan de besprekingen tussen Duitse, Zwitserse en Nederlandse zendingsinstanties over de samenwerking met Indonesische kerken. Ook dit zij tot meerdere bloei en groter expansie van het zozeer door de Heere gezegende werk op Celebes en andere delen van Indonesië. Gods werk gaat door!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kroniek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's