DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK V, ARTIKEL 2
Hieruit spruiten de dagelijkse zonden der zwakheid, en ook aan de allerbeste werken der heiligen kleven gebreken. Hetwelk hun gestadige oorzaak geeft om zich voor God te verootmoedigen, hun toevlucht tot de gekruisigde Christus te nemen, het vlees hoe langer hoe meer door de Geest des gebeds en heilige oefeningen der godvruchtigheid te doden en naar het eindperk der volmaaktheid te zuchten, totdat zij, van dit lichaam des doods ontbonden zijnde, met het Lam Gods in de hemelen zullen regeren.
De allerbeste werken.
Op dit punt herinneren de Vaderen ons aan de gereformeerde leer betreffende de goede werken der gelovigen. Zelfs Augustinus bracht de gedachte naar voren, dat de mens door de genade van Christus gerechtvaardigd wordt en ook door de werken, die uit de geestelijke wedergeboorte voortvloeien.
Naar zijn gedachte zijn de goede werken van de onwedergeborene zonder werkelijke goedheid. Het zijn blinkende zonden. Maar volgens hem zijn de werken van de wedengeborene een mede-oorzaak en medegrond van de rechtvaardigmaking.
Calvijn heeft dat bestreden. Bij Rom. 3 : 21 tekende hij aan: „Dat de apostel alle werken zonder uitzondering op het oog heeft, ook die werken welke de Heere in de Zijnen tot stand brengt, blijkt duidelijk uit het verband, waar in die woorden hier voortkomen. Abraham immers was zeker wedergeboren en werd door de Geest van God geleid in de tijd ten aanzien waarvan Paulus van hem ontkent, dat hij is gerechtvaardigd door de werken. Zo sluit hij dan van de rechtvaardiging van de mens niet slechts die werken uit, die naar de maatstaf der zedelijkheid, — gelijk men het gewoonlijk noemt — goed genoemd worden en die uit onze natuur voortkomen, maar ook alle mogelijke werken, die bij de gelovigen kunnen worden gevonden." Calvijn stelt dus alle verdiensten, uit welke werken ook, terzijde, ook de verdienste der werken die uit de geestelijke wedergeboorte voortkomen. Met instemming ziet hij Paulus van de grondwaarheid uitgaan, dat onze gewetens niet gerust zullen zijn, tenzij zij zich verlaten op de barmhartigheid Gods alleen.
De Heidelbergse Catechismus drukt deze gedachte uit in vraag 62: „Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of ook een stuk derzelve zijn? Daarom dat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en aan de Wet Gods in alle stukken gelijkmatig zijn moet. En dat onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonde besmet zijn".
Zo moeten we zeggen, dat zelfs in de wedergeborene geen goed woont, dat volmaakt goed is. De gelovige doet veel dingen, die hij behoorde te laten en laat veel dingen, die hij behoorde te doen. De goede werken vermengen wij als gelovigen met kwade en we doen de goede werken kwalijk. Daarom klaagt de Kerk in Jes. 64: „Doch - wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed". De apostel schrijft: „Want uit genade zijt gij zalig geworden en dat niet uit u, het is Gods gave: niet uit de werken, opdat niemand roeme". (Ef. 2 : 8, 9) Als het nu achteraf toch ook uit de werken was, zouden wij wel grond hebben om te roemen. De zaligheid zou ook niet vast staan, als zij (mede) op onze werken was gegrond, volgens de apostel in Rom. 4 : 16: „Daarom is zij uit het geloof, opdat ze zij naar genade, teneinde de belofte vast zij al den zade".
Maar als nu de H. Geest in ons, de gelovigen, de goede werken werkt, hoe is het dan mogelijk, dat zij toch niet goed zijn? Dat zit zo. De Heilige Geest is in de gelovigen weliswaar de Werkmeester der goede werken. God werkt in ons het werken. Maar dat gaat niet buiten ons om. Wij zijn het toch die deze werken doen. En terwijl deze werken door ons heengaan, worden ze besmet. Wij zijn immers van die vuile vaten en leidingen. Al wat uit onze mond of uit onze handen komt, is verdorven. Wat koning Midas aanraakte veranderde in goud, maar wat wij aanraken verandert in ongerechtigheid. De werken der gelovigen zijn dus goede werken, maar als God ze aanziet, zoals zij uit onze handen voortkomen, zijn ze zo vuil, dat de Heere er Zijn werk niet in herkennen kan. Daarom moet de Heere ze eerst reinigen door het alllesreinigend bloed. Daarna kan Hij ideze werken als werken van de H. Geest aanzien, terwijl Hij vergeeft, het kwade dat wij er aan deden kleven. Calvijn placht in dit verband te spreken van een eerste en een latere rechtvaardigmakinig. De eerste betreft de rechtvaardiging van de onwedergeborene, de andere die van de wedergeborene. In de eerste is niets, waarin God een welbehagen zou kunnen hebben. God kan alleen een groot en eindeloos erbarmen aan hem bewijzen, zodat Hij hem uit zijn verlorenheid uittrekt en hem alle ongerechtigheid vergeeft. Deze rechtvaardigmaking is eigenlijk het begin van de Christenstand.
Daarop komt de Geest inwonen en werkt goede werken. Nochtans is er een „dagelijkse" rechtvaardiging nodig. Calvijn schrijft er in een preek over Gen. 15 : 6 het volgende over: „Wanneer Hij (God) ons voor de eerste maal ontvangt, kan hij geen enkel werk, dat in ons is, rechtvaardigen. Waarom niet? Ze zijn alle slecht. Want zoals wij hebben verklaard: welke vrucht kan een rotte boom dragen? Wanneer dus God de arme zon daren tot Zich trekt, die zijn verbannen en uitgeworpen uit Zijn Rijk en uit Zijn Kerk, rechtvaardigt Hij niet hun werken. Maar ziende hun ellende en hebbende medelijden met hun verderf, rechtvaardigt Hij hen zoals ze zijn. Later echter nadat Hij hen heeft aangenomen naar en in hun personen om zo te zeggen, zijn ze Hem aangenaam als Zijn kinderen en dan rechtvaardigt Hij ook hun werken. Hoe dan? Niet roepende tot een afrekening en ook niet, dat Hij hen met strengheid oordeelt; want er zullen altijd boze dingen, zoals ik zei, in hun werken gemengd zijn of wel tegenstand en dergelijke dingen, die alles bederven.
Wanneer een wijn de beste van de wereld mocht zijn, maar hij is in een bedorven vat, of men doet ze in een vuile fles, dan is de wijn bedorven. Zo is het ook met al onze werken. Want voorzover God ons leidt en regeert door Zijn Geest, zijn de werken goed en heilig en prijzenswaardig; maar sla er eens acht op, welke vaten wij zijn vol slechtheid en vuilheid. Op die wijze zijn onze werken bedorven en daarom is het nodig, dat God hen zuivert en reinigt. Hoe dan? Zuiver door Zijn genade, terwijl Hij ons de gebreken en onvolmaaktheden vergeeft. Daarom is het zo, dat er een verscihil is tussen een man, die gelooft en een man die God voor het eerst roept tot het Evangelie en zo is ook hun rechtvaardiigmaking een weinig verschillend. Er is echter geen verschil in deze zaak, dat God altijd uit genade rechtvaardigt, die de Zijnen zijn. D.w.z. zij zijn Hem aangenaam niet om de deugden die in hen zijn, want die zijn er niet. Ook niet om de deugden die de Heere er in heeft gelegd, want zij zijn te veroordelen om hun gebrek, dat er in woont. Maar het is, omdat ze zijn uitverkoren, daarom rechtvaardigt Hij hen". Zo ligt het dus. Ale goede werken der kinderen Gods zijn m'et zonde bevlekt. Daarvan zijn al de kinderen des Heeren zich bewust. Zij weten het: aan de allerbeste werken der heiligen kleven gebreken.
Verootmoediging
In Gods Woord wordt sterk gewaarschuwd voor zelfroem. Ook Gods kind heeft niets om zich op te verheffen. Wanneer iemand mocht menen, dat het een reden voor zelfverheffing zou kunnen zijn, dat men boven anderen van God is verkoren, kan hij daarvan genezen worden, door de Schrift te horen zeggen, dat men daar helemaal niet op hoeft te roemen, want dat de uitverkiezing bewijst, dat men een niet is.
Immers niet het voorname en begaafde der wereld heeft God verkoren, „maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou, en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; en het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, teniet zou maken; opdat geen vlees zou roemen voor Hem". (1 Cor. 1: 27-29)
Op een andere plaats lezen we: „Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij alsof gij het niet ontvangen hadt? " (1 Cor. 4:7).
De farizeeën roemden in de genade, dat kan ook. Maar de gelovige wordt klein gehouden. Ook hij is een eerrover. Telkens weer steekt de gedachte op: wat kan je dit goed en wat doe je dit goed. Zouden de mensen wel zien hoe netjes je bent, hoe vroom, hoe goedgeefs, hoe trouw in het kerkgaan, hoe bekeerd, hoe begaafd, hoe goed je in het openbaar kunt bidden, hoe goed je kunt spreken? Die eigenroem ligt zo sterk in het hart van de mens. Maar God weet ons ootmoedig te houden. Doordat de gelovigen blijven onder de macht der zonde, houdt de Heere hen klein. Er is geen groter gevaar voor iemand, die genade heeft ontvangen, dan dat hij op die genade hoogmoedig zou worden. Er is niets, dat minder bij de genade past, dan hoogmoed. Maar wat een geweldig middel is daartegen de kennis van onze zonde en zondige aard. Die kennis daarvan en het lijden daaronder kan in dit leven niet gemist worden. De Heere heeft twee medicijnen voor de hoogmoed. Ten eerste zijn er de zonden der jonkheid. Naarmate de gelovige „heiliger" wordt en meer door Gods Geest beheerst, naar die mate schaamt hij zich meer voor zijn vorige zonden. De apostel zegt: „Wat voor nut had gij uit de dingen, waarover gij u nu schaamt? " Daaruit blijkt dat de vorige zonden wel vergeven zijn en bij God „vergeten", doch dat betekent niet, dat wij ze nu zo maar vergeten kunnen of mogen. Met het Goddelijk „vergeten" correspondeert in de Schrift niet een menselijk vergeten. Bij God is er vergeving en een niet meer gedenken. Bij ons is er schuldbelijdenis, dankbaarheid voor vergeving en ootmoedige herinnering. We zien dat duidelijk in de bekende woorden van de apostel Paulus: „Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb". (1 Cor. 15 : 9). Er is een herinnering aan de schuld, die in de ootmoed voor onze aandacht staat. Door de vergeving is de aandacht en de herinnering niet weg. De gelovige gaat niet minder doch steeds meer zijn onwaardigiheid beseffen. En dan komen daar de tegenwoordige zonden bij. Wat is dat allemaal erg. Wat gevoelt de gelovige de grootheid van zijn kwaad meer dan vroeger. Maar hoe weet God alle dingen te doen medewerken ten goede, zelfs de zonde. Zij werkt mede om de hoogmoed eronder te houden. Wat een grote genade is de kleinhoudende genade. De mens zondigt vrijwillig en moedwillig. Maar God gebruikt deze zonde om ons klein te houden. Want het feit dat zelfs aan de allerbeste werken der heiligen gebreken kleven, „geeft hun gestadige oorzaak, om zich voor God te verootmoedigen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's