UIT DE PERS
Enige tijd geleden wezen we in ons persoverzicht op de zeer uitvoerige behandeling van een leerboek voor het middelbaar onderwijs over de kerkgeschiedenis. Het leerboek werd geschreven door dr. Bloemhof en de uitvoerige bespreking geschiedde door ds. A. M. Lindeboom in het Geref. Weekblad (Kok). Nadat ds. Lindeboom allerlei uitspraken over Afscheiding en Doleantie recht gezet had, dachten we dat hij met zijn boekbespreking klaar was, maar in het nummer van 30 augustus gaat ds. L. verder met het bekijken van een les over de Vrijmaking in genoemd leerboek. In een voetnoot deelt de redactie mee, dat dit artikel door een misverstand eerst nu opgenomen is. Intussen is me gebleken dat ook dit artikel nog weer niet het laatste is, omdat in het nummer van 6 september een artikel staat over dat wat de leerboek-schrijver over Calvijn neergeschreven heeft.
Maar wij willen het nu alleen maar hebben over het artikel: Les over de vrijmaking, in het nummer van 30 augustus. Ook over dit stuk, waar dus de leer der veronderstelde wedergeboorte op de tafel komt, heeft dr. Bloemhof weer diverse fouten gemaakt. Ds. Lindeboom gaat ze geduldig rechtzetten. Bij het lezen van deze correcties, maar vooral toen we daarna lazen de conclusie die ds. L. trekt uit al die fouten, rezen er bij ons enkele vragen.
In zijn eindconclusie deelt ds. L. mee, dat hij in zijn artikelenreeks bij al die vergissingen en scheve voorstellingen nooit eens deze zin uit zijn pen heeft laten vloeien: „Het is me gewoon een raadsel hoe dr. Bloemhof dit kan zeggen. . ." Een dergelijke uitroep heeft hij zich nimmer laten ontvallen, om de eenvoudige reden dat al die fouten voor hem helemaal geen raadsel waaren; hij kan ze allemaail volledig verklaren namelijk. Dr. B. laboreert aan het feit dat hij hervormd is; dus zal hij onwillekeurig wel allereerst vertrouwen hebben in hervormde publikaties, en die hervormde publikaties hebben helaas zonder voldoende onderzoek van geslacht op geslacht verteld dat, wat 1834 èn '86 betreft, bij de gereformeerden nagenoeg alles mis was. Geen wonder dat dan deze foutten in een eenvoudig leerboek der kerkgeschiedenis weer op de planken komen. Dr. B. had over deze onderwerpen ook gereformeerde bronnen moeten raadplegen. En dan schrijft ds. L.:
Welnu — ik zeg het maar eerlijk — ik meen dat deze en dergelijke beschouwingen samenhangen met het hervormd-kerkelijk milieu waarin dr. Bloemhof van jongsaf zal hebben verkeerd. Deze denkbeelden vormen samen eigenlijk een theologie, die de huidige Hervormde kerk verdedigt en steunt: geen tucht, geen binding aan de belijdenis, wel een volkskerk en dan een zo royale bediening van de kinderdoop, dat over het voor wedergeboren houden der kinderen maar niet moet worden gerept. M.a.w. ik meen dat dr. Bloemhof, wanneer hij de bijbel leest, op bepaalde momenten teveel een hervormde bril op heeft, om onbevangen te kunnen zien, wat God op het stuk der kerk van ons vraagt, en dat daaruit die scheve beschouwingen zijn te verklaren. En deze op hun beurt hangen weer samen met het kerkelijk samenwonen met modernen of vrijzinnigen, dat God wel heeft verboden, maar niettemin toch gebeurt. En dat heeft zijn invloed, ook op de beschouwingen der orthodoxen!
Nu doet een dergelijk betoog toch wel zeer eigenaardig aan als men in hetzelfde artikel even tevoren de schrijver hoort betogen, dat het volkomen bijbels is, dat de doop, naar zijn wezen gezien, de wedergeboorte veronderstelt. En even verder zegt hij dat de leer van de veronderstelde wedergeboorte niet een theologisch bedenksel is van Kuyper, maar ook Ursinus en Calvijn hebben dat al geleerd. Had hij nou Voetius nog maar genoemd, maar neen, Ursinus en Calvijn. Om te beginnen blijkt het uit de ci taten die hij van beide laatstgenoemden geeft, dat hij niet begrijpt waar het precies om gaat; maar bovendien mogen we ds. L. niet verwijten dat hij alleen maar op gereformeerde publikaties afgaat (zoals dr. B. op uitsluitend hervormde; zie boven),daar het er alle schijn van heeft dat hij ook zélfs niet de gereformeerde publikaties op dit punt kent. Het uitvoerige betoog van ds. J. G. Woelderink in zijn: Het doopsformulier, over deze materie heeft niet veel indruk" op ds. L. gemaakt. Uit dat boek moest hij toch eens lezen blz. 188—207. Maar ds. L. kan dichter bij huis blijven als hij eens uit de dogmatische studiën van prof. Berkouwer ter hand neemt het deel over De Sacramenten. Zowel Woelderink als Berkouwer behandelen uitvoerig de dissertatie van G. Kramer, de leerling van Kuyper. Kramer heeft kritiek op Calvijn omdat deze niet duidelijk genoeg de veronderstelde wedergeboorte leerde, hoewel Kramer toch nog wel een uitspraak bij Calvijn meende gevonden te hebben die in die richting wees. Zowel Woelderink als Berkouwer wijzen deze kritiek als ten enenmale onjuist af en laten zien dat de ene uitspraak van Calvijn die de veronderstelde weder-geboorte zou leren, berust op een verkeerd interpreteren van Calvijns woorden.
Volgens ds. L. is het volkomen bijbels, dat de doop, naar zijn wezen gezien, de wedergeboorte veronderstelt. Maar prof. Berkouwer schrijft: „Want zo wordt het duidelijk, dat er hier een verschuiving optreedt, waarbij geleidelijk een andere correlatie-opvatting (correlatie = we derzijds verband) gaat overheersen dan in de Reformatie gehuldigd werd als de betrokkenheid van de doop op het geloof. Deze betrokkenheid vervaagde en er kwam voor in de plaats, dat voor de rechte bediening van de doop reeds tevoren inwendige genade aanwezig móést zijn in het hart... Nergens zien we bij hem (Calvijn), dat hij vanuit de correlatie tussen geloof en doop tot de conclusie komt, dat dus reeds aan de doop de wedergeboorte vóóraf moet gaan, teneinde de doop tot een werkelijke doop te maken." (Berkouwer: De Sacramenten; blz. 234 en 235).
Zo zouden we nog wat door kunnen gaan en bv. ook over de leertucht schrijven. Maar we volstaan met te verwijzen naar de Persschouw van de Reformatie van 31 augustus waar enkele citaten bekeken worden van prof. v. Peursen in een artikel in Wending. Zij ontlokken aan mijn collega in de Reformatie de bange vraag: Vrije Universiteit, waarheen?
We besluiten met de wedervraag aan ds. Lindeboom: Zouden deze en dergelijke beschouwingen samenhangen met het gereformeerd-kerkelijk milieu waarin ds. Lindeboom van jongsaf zal hebben verkeerd?
In het Hervormd Weekblad schrijft prof. V. Itterzon over homosexualiteit. Vroeger was dat nog zonde, maar dat zijn we nu te boven; het is zelfs niet ziekelijk meer, ook geen onnatuurlijke afwijking, maar natuurlijk en gewoon. Prof. V. Itterzon heeft zich voornamelijk verbaasd over de uitlatingen van de radio-pastor ds. A. Klamer. Hij schrijft:
Wat is het doel? Als homosexualiteit helemaal niets onnatuurlijks, ziekelijks of zondigs heeft, maar een echt menselijke mogelijkheid moet worden, en als de kerkmensen (of misschien de kerk zelf!) hier een zekere „schuld" tegenover deze medemens heeft, wat is dan het doel?
Als homosexualiteit natuurlijk en gewoon is, gaan wij dan ook zulk een verhouding als het geen gelegenheidsverhouding is, maar een serieuze verhouding voor het leven kerkelijk erkennen? Met een bevestiging en inzegening? Er zal dan wel geen 6de Orde van dienst van het huwelijk nodig zijn, maar zou de kerk om haar schuld te delgen, een Orde van dienst moeten samenstellen van een om een eigentijds woord te gebruiken) para-huwelijk? Met de mogelijkheid dat er twee bruidegoms zijn? Of ook twee bruiden? En zou men dan willen, dat dit formulier afstand nam van Rom. 1 en verzekerde, of dat Paulus het bij het verkeerde eind heeft gehad, of dat deze woorden uit Rom. 1 slechts „tijdgebonden" waren? Men mene niet, dat ik scherts. Daarvoor is het onderwerp te ernstig. Ik vraag serieus, waar ik op moet rekenen: Wat is het doel? Waar behoort de kerk volgens deze functionaris der kerk uit te komen?
Voorts: Zal de kerk ook op dit terrein een brochure moeten uitgeven, waarin zij zich krachtens haar opdracht wendt tot overheid en volk, met de opdracht ook in dit opzicht het leven naar Gods beloften en geboden te richten? Hebben we al voor de geest, aan welke beloften en geboden van God wij dan denken? En zal de kerk er dan ook op moeten aandringen, dat de overheid een para-huwelijk van twee bruidegoms of twee bruiden bij de wet en voor het leven sanctioneert?
Kan de radio-pastor, die blijkens zijn omlijnd artikel in Woord en Dienst al tweemaal over deze vragen via de microfoon heeft gesproken, duidelijk zeggen, wat hem voor de geest zweeft? Hij heeft, evenals ds. Kaptein, zijn achtergrond als pastor in de kerk. Wat vindt hij, dat de kerk móét doen? Hoe komen we volgens hem uit de schuld? Hoe komen we er niet hopeloos diep middenin?
We kunnen niet nalaten ook even te wijzen op een ander raak stukje van dezelfde schrijver in hetzelfde weekblad. Prof. V. Itterzon schrijft over een predikant die in de politiek gaat. Deze predikant heeft een nederig verzoek gericht tot het breed moderamen der generale synode om hem preekbevoegdheid te geven. Met eigen woorden het betoog van prof. v. I. weergevend schrijft hij: Maar mijn beste dominee, waar maakt u zich toch zo druk om? Ik zal u wel een ander recept aan de hand doen.
En dan vertelt zijn hooggeleerde het volgende doorzichtige verhaaltje:
In gemeente A gaat bij herhaling broeder B voor, aan wie zijn preekbevoegdheid is ontnomen. De synode en de gehele kerk weet hiervan, maar niemand, die er verandering in brengt. Er is voor deze manoeuvre, die alom aanstoot geeft, zelfs een kerkordelijk fundament gevonden. Staat er in Ord. 2, art. 15, lid 1 niet te lezen, dat aan de centrale kerkeraad is toevertrouwd de bepaling van getal, tijd en plaats van kerkdiensten? Welnu, de zaak is eenvoudig. Als broeder B, die man met de ontnomen preekbevoegdheid, voorgaat, staat hij in de plaatselijke editie van Hervormd Nederland open en duidelijk aangekondigd. Alleen, de kerkeraad bepaalt dan voor die dag, dat die dienst niet valt onder het getal, tijd en plaats van Ord. 2-15-1. Dat klopt toch? Elke lezer weet, dat ik tegen dit misbruik van de kerkorde heb geprotesteerd. Meerdere malen zelfs en zonder enig resultaat. De karavaan gaat door. Zoals kamelen lopen: verzekerd, zonder op omstanders te letten.
Onlangs schreef dr. Buskes in een Terzijde van „In de Waagschaal" over een surrogaat-actualiteit die men bij sommige predikanten kan signaleren. Zij proberen daardoor actueel te zijn en op die manier dan nog wat mensen te binden en te boeien; vooral de jeugd probeert men er door te trekken. Meestal ontaardt deze actualiteit al heel spoedig in banaliteit.
Dr. Buskes moet daar niets van hebben en op de hem eigen manier schreef hij er over in een Terzijde. Maar hij is niet de enige; in „I. d. W." van 7 september gaat hij op dit onderwerp door en citeert dan een stuk van de bekende Godfried Bomans die in r.k.-kring hetzelfde geluid laat horen.
We mogen toch wel aannemen dat deze schrijiver van naam weet wat men met de taal wel of niet kan en mag doen. Van dr. Buskes nemen we dan ook gretig dit stukje van G. Bomans over:
Men zou die mentaliteit kunnen omschrijven als het verlangen om de evangelische waarheden om te zetten in beelden, die ontleend zijn aan de moderne techniek. Op die wijze, zo meent men, kunnen we Gods woord nader brengen tot de jeugd, die het anders stoffige lectuur vindt.
Zo spreken sommige predikanten, in een loffelijk streven om ook de „jongeren" onder hun gehoor voor inslapen te behoeden, over de „telegraafdraden van Gods genade" en de „antenne van het christelijk geweten". Ik heb een predikant gekend, die als volleerd marconist de brieven van Paulus wist over te brengen in de codetaal van de laatste uitvindingen en er zelfs niet voor terugdeinsde om atomen te splitsen, waar hij bezig was de Corinthiërs te vermanen. Deze werkwijze steunt op de overweging, dat ook Christus beelden gebruikte, die ontleend waren aan het leven van Zijn tijd. Zouden wij dan geen vergelijkingen maken, die voor de moderne mens herkenbaar zijn?
Nu klinkt dat allemaal wel aardig, maar in wezen komt het neer op een onderschatting van die „jongeren". Ik geloof niet, dat een predikant met dit toontje veel verder komt. Ik geloof integendeel, dat elke zielzorger, die zijn best doet om hun „taal" te spreken, onherroepelijk als geforceerd door de mand valt. Er is niets zo pijnlijk als de aanblik van iemand, die „vlot" wil zijn en hier niet in slaagt. Toch is deze mislukking onvermijdelijk. De predikant staat, soms door zijn opleiding, vaak door zijn persoonlijke levenswandel en altijd door de wijding van zijn ambt boven zijn gehoor. Behalve deze subjectieve kwaliteiten is er ook een objectieve: hij is verkondiger van Gods woord. De Kerk bekleedt hem deswege niet alleen met uitzonderlijke gewaden, zij laat ook geen interrupties toe. Tegenover deze bevoorrechte positie staat echter een noblesse oblige. De spreker wordt niet verondersteld af te dalen tot het niveau van zijn toehoorders, hij wordt geacht hen op te heffen tot de hoogte van de Openbaring. Dat hij hierbij een woordgebruik kiest, dat enigszins afwijkt van de alledaagse omgangstaal, is een uitvloeisel van zijn sacrale functie. Niet hij voelt zich gewichtig, maar het onderwerp is dit. Om dezelfde reden betreur ik het, dat de gewijde teksten in toenemende mate gepopulariseerd worden. Wie het in nomine Patris vertaalt door „in naam van de Vader", in plaats van het prachtige „in naam des Vaders", waarin wij allen zijn groot gebracht, kan wel menen, dat hij het teken des kruises nader brengt tot de gelovigen, maar hij vergist zich. Wie een kruis slaat, belijdt het mysterie der Drievuldigheid en aanvaardt daarbij de oude genitief als begeleiding van de huiver, die hem bevangt. Zulke mysteries laten zich niet scheppen in het putje van het alledaagse woordgebruik.
Augustinus heeft dit geprobeerd en het is hem niet gelukt. Laten ook wij hiervan afzien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's