DE PREDIKING VAN CALVIJN VOOR ONZE TIJD
1.
Bij de samenstelling van wat hier volgt — door ons eerder als lezing gehouden op een Bondsdag van de Bond van Ned. Herv. Mannenverenigingen op G.G. — hebben we dankbaar gebruik gemaakt en er ook gedeelten uit aangehaald, van de volgende geschriften :
1. Institutie van Calvijn, vertaling Sizoo.
2. Voorwerpelijke-onder-werpelijke prediking eis der Heilige Schrift, van Ds. I. Kievit.
3. Christusgemeinschaft bei Johannes Calvin, van W. Kolfhaus.
4. Calvijn als Bedienaar des Woords, door P. Biesterveld.
5. Het gepredikte Woord, preken van Johannes Calvijn, vertaald door ds. J. Douma en ds. W. H. v. d. Vegt.
6. Het eigen geluid in de prediking, door ds. J. van Sliedregt.
7. Wapenveld, uitgave van de Reunitas Reformata quia Reformanda, 8e jaargang, no. 10.
De Schrift Gods Woord.
De hervormer Calvijn heeft in zijn arbeid niets anders willen zijn dan dienaar des Goddelijken Woords. Het was zijn vurige begeerte en hij wist het zijn taak, hem van God opgedragen, alleen dat Woord, maar dan ook dat Woord geheel, te verkondigen. Calvijn is immers niet gegrepen door menselijke overwegingen. Hij is niet onder de indruk gekomen van menselijke wijsheid. Hij zocht niet zijn eigen rust en voordeel. Neen, deze man is overwonnen door de kracht des Geestes. De Heilige Geest heeft hem door het Woord Gods gegrepen en hem geheel en al in beslag genomen. De waarheid van Gods Woord staat voor hem boven alle twijfel vast door het getuigenis des Heiligen Geestes. Hij heeft dat Woord leren kennen als de kracht Gods tot zaligheid.
Calvijn mag weten dat hij zich maar niet verlaat op een onwaarachtig getuigenis. Hij is er rotsvast van overtuigd, dat de Schriften van God zijn. Hij twijfelt er niet aan of daarin heeft hij de Waarheid Gods ontvangen. Treffend schrijift hij, dat het de Heere heeft goedgedacht om door de Schriften Zijn Waarheid tot een eeuwige gedachtenis te doen voortleven. Het is met de Schriften zó, even alsof levende stemmen Gods zelf uit de hemel gehoord worden.
Het is daarom een ijdel verzinsel, dat de macht om over die Schrift te oordelen zou berusten bij de Kerk, zodat de zekerheid der Schrift van hun wil zou afhangen. Als Augustinus zegt dat hij het Evangelie niet zou geloven, indien het gezag der Kerk hem daartoe niet bewoog, dan moeten we goed inzien — aldus Calvijn — hoe Augustinus dit bedoelt. Angustinus leert hierbij n.l. niet, dat het geloof der vromen op het gezag der Kerk gegrondvest is en hij verstaat het niet zo, dat de zekerheid van het evanigelie daarvan afhangt. Maar hij zegt eenvoudig, dat de ongelovigen geen zekerhieid zouden hebben van het evangelie, om daardoor voor Christus gewonnen te worden, indien het eenparig gevoel der Kerk hen niet aandreef. Augustinus stelt het geloof in de Schriften niet afhankelijk van de willekeur en het oordeel der Kerk.
Maar hij duidt slechts aan, dat zij, die nog niet door Gods Geest zijn verlicht, door de eerbied voor de Kerk tot leerzaamheid gebracht worden, zodat ze er toe besluiten om het geloof in Christuis uit het evangelie te leren. Op deze wijze is het gezag der Kerk „de inleiding", waardoor wij tot het geloof in het evangelie woorden „voorbereid". Maar het hoogste bewijs van de waarheid der Schrift wordt overal ontleend aan die persoon van God, die in haar spreekt. Zeker, de Schrift verwerft zich ook door haar eigen majesteit eerbied. Maar de Schrift grijpt ons toch dan eerst ernstig aan, wanneer ze door de Geest in onze harten is verzegeld.
Als we door de Heilige Geest verlicht worden, dan geloven we niet meer op grond van ons eigen oordeel, of op grond van anderer oordeel, dat de Schrift van God is. Wel erkennen we dat God mensen in Zijn dienst genomen heeft om ons de Schrift te geven. Hij heeft deze mensen gebruikt om Zijn Woord te boek te stellen. Maar als zekerder dan zeker stelen we vast, zo zegt Calvijn, dat zij door de dienst van mensen, van Gods eigen mond zelf tot ons gekomen is. Weet ge waar Calvijn zich, naar zijn eigen woord, goed van bewust is ? Dat hij de onoverwinnelijke waarheid bezit. Dat is het geheim, de kracht van deze man, die eigen zwakheid en zonde recht had leren kennen en die zich kende slechts als een aarden vat. De Schrift wordt door hem gekend en beleden als het onfeilbaar Woord van God, door het inwendig getuigenis des Heilgen Geestes.
Hiervan legt Calvijn getuigenis af in al zijn werken. Dit is in al zijn geschriften, we mogen wel zeggen op iedere bladzijde, te vinden. Dit is het fundament van zijn ganse prediking. Neem maar zijn machtig werk, de Instituitie, of zijn uitleggingen van de Heilige Schrift, of zijn preken, of al het andere wat hij geschreven heeft.
Als er nu iets is, dat juist voor onze tijd weer moet worden onderstreept en met kracht naar voren gebracht, dan is het dit Schrift-geloof. Zoals we dit, in het voetspoor van Calvijn, ook vinden neergelegd in artikel 5 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis : „En wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen is ; en dat niet zozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zodanige houdt; maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn . . . ."
We weten, dat dit Schriftgeloof van alle kanten grof en meer verfijnd wordt bestreden en losgelaten. Om te zien tot welke rampzalige gevolgen dit leidt, behoeven we niet ver van huis te gaan.
Allerlei menselijke meningen en inzichten laten wij dan heersen over de duidelijke uitspraken der Heilige Schrift. Met het angument van de „tijdgebondenheid", van de „opvattingen" van Paulus b.v. meent men dan het Woord Gods naast zich neer te kunnen leggen en daaraan diametraal tegenovergestelde leringen met goddelijk gezag te kunnen bekleden. Dit doet ons zien een verkrachting van de Waarheid Gods, welke slechts noodlottige gevolgen kan hebben voor het gehele leven en alle mogelijke levensverbanden. Volgens Calvijn kunnen we dan wel hard lopen, zoals er inderdaad hard gelopen wordt, we kunnen ons met een „voortvarende snelheid" geweldig inspannen, maar zo zullen we de eindpaal nooit bereiken. Want dan lopen we buiten de weg, buiten Gods weg. Zo komen we alleen maar in een doolhof terecht, waarvan wij de uitgang niet kunnen vinden, als wij niet door het Woord Gods tot dat licht van Zijn Aanschijn geleid worden.
De Hervormer roept ons derhalve toe, in al zijn geschriften, om ons persoonlijk, in de Kerk, en overal te onderwerpen aan het Woord Gods en ons te buigen onder het gezag van de H. Schrift. „Dit moet dus onveranderlijk vastgesteld blijven, dat zij, die door de Heilige Geest innerlijk onderwezen zijn, volkomen rust vinden bij de Schrift . . . .."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's