De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS (11)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS (11)

8 minuten leestijd

In Adam verloren

Vraag en antwoord 6

Vr. Heeft dan God de mens alzo boos en verkeerd geschapen?

A. Neen Hij; maar God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.

De vraag wordt gesteld bij wie de oorzaak van de boosheid van de mens moet worden gezocht — Hoe kom ik aan mijn zo-zijn? — Dat is — zoals men dat heden wel noemt — een existentiële vraag. 

De Heilige Schrift laat ten opzichte van deze vraag geen twijfel over. En dienovereenkomstig leert dan ook de catechismus, dat de volle verantwoordelijkheid voor de totale boosheid van de mens ligt bij hem zelf.

We mogen vraag en antwoord 6 dan ook niet zien als een soort verdediging, waarin God vrijgesproken wordt. God behoeft tegenover de wereld geen rechtvaardiging, waarin wij het voor Hem zouden opnemen. Wij zijn niets; Hij doet wat goed is in Zijn ogen. Zwijg daarom voor Hem, gij ganse wereld.

Neen, deze vraag wordt gesteld, opdat wij in onszelf zouden inblikken en daar zouden zoeken naar de oorzaak van afval en zonde, opdat we geen enkele verontschuldiging meer durven aan te voeren. Comrie omschrijft het als volgt: Deze vraag wordt gedaan om een onfeilbare proef van ieders gemoedsgesteldheid te nemen: of hij waarlijk door de werking van Gods Geest, die in en door de verkondiging van de eis de wet vergezeld gaat, wel terdege is verootmoedigd geworden: om de gehele schuld van de verklaarde verdorven aard dadelijk op zich te nemen, en er zich zo onder te stellen, dat hij nergens de schuld op leggen wil als op zichzelf.

Het gaat er daarom om, dat we uit de grond van ons hart belijden: God is hebt, en geen duisternis is in Hem. Wij zullen verkondigen, dat de Heere recht is, en in Hem is geen onrecht. Hij is goed en Zijn werken zijn volmaakt. Dit heb ik gevonden, dat God de mens recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht. „Gij, Heere, zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien".

Zo wordt alle oorzaak van onze diepe verlorenheid en ellende in onszelf gesteld. Wat wordt echter in de kennis van Christus het wonder der genade daardoor des te heerlijker. Hoewel alle schuld bij ons ligt was het toch voor God geen verhindering om af te dalen en te zaligen. Ja, Zijn eeuwige vredesgedachten moesten er juist mede door worden uitgewerkt.

Daarom is het nuttig om onze oorspronkelijke staat en de oorsprong der zonde te overwegen, want „dat doende", zegt Ursinus, „zullen we weten van hoe grote en hoge heerlijkheid wij gevallen zijn in de diepste afgrond der ellende, en daarom mogen bekennen de weldadigheid Gods, die ons genadig daaruit trekt en verlost. Dat doende zullen we bekennen onze ondankbaarheid voor de ontvangen weldaden, en onze onwaardigheid om die te ontvangen. Dat doende, zullen we te vuriger begeren en zoeken in Christus de wederoprichting dezer heerlijkheid en gelukzaligheid".

Zo klinkt dan het krachtig „Neen" op de vraag: Heeft dan God de mens alzo boos en verkeerd geschapen? , en wordt beleden de goede schepping van de mens. Hierin spreekt de catechismus weer het Woord Gods. We lezen immers in Gen. 1 : 31: En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed.

Dat gold van alle schepselen, ook van planten, dieren enz. Alle schepsel droeg het stempel van Gods goedkeuring. Het woord „goed" is dus niet zedelijk van aard zonder meer. De zin er van hangt af van de zaak, waarop het ziet. Het wil zeggen, dat alles beantwoordde aan Gods scheppingsgedachte, zodat alles Gode welgevallig was. Wordt het woord „goed" betrokken op de mens, dan wil het dus zeggen, dat de mens zo geschapen was naar lichaam en ziel, dat hij volkomen aan het levensdoel, hem door God gesteld beantwoordde.

Zo krijgt het woord „goed" met betrekking tot de mens een zeer bepaalde inhoud, nl. als geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.

Wat de betekenis hiervan is moeten we nader onder de ogen zien. God vormde de mens uit het stof der aarde, en blies de adem des levens in hem. Alzo werd de mens tot een levende ziel. In de eenheid van zijn mens-zijn, het verbonden zijn van ziel en lichaam met elkander, geleek de mens op zijn Maker. God schiep hem naar Zijn beeld, dus het beeld van de Drieënige God. In zijn hele zijn vertoonde hij de trekken van zijn Schepper: zowel in zijn lichamelijk als geestelijk bestaan; ja, ook in zijn tweezaamheid van man en vrouw in huwelijksverbond. Niet minder in zijn geestelijke vrijheid, waarin hij tot vrijwillige beslissing geroepen werd tot gemeenschap met en dienst van zijn God. In zijn hele zijn dus in al zijn uitgebreidheid naar alle zijden vertoonde zich de gelijkenis. En hij zou dat alles steeds rijker ontplooien. Daarin lag ook zijn roeping. Om in de gemeenshap met zijn God, levende in het licht Zijner openbaring, en toegerust met alle gaven om die openbaring op te vangen en te verwerken en door te geven, uit te stralen de beeltenis van zijn God in zijn heerschappij over de andere schepsen, huwelijk en betrekking van mens tot mens in andere gemeenschapsverbanden.

Tot dit alles was bij door zijn God bijzonder toegerust. God schonk hem, toen Hij hem schiep rede-leven, zede-leven en onsterfelijkheid. De mens stond daar in de morgenstond als een redelijk en willend schepsel, in wiens hart God de eeuw had gelegd.

Men noemt deze formele toerusting wel het beeld Gods in ruimere zin, en ziet dan daarin hetgeen ook na die zondeval de mens nog behouden heeft, zodat hij geen duivel is geworden, maar toch mens is gebleve. — Dat is wel juist, mits men er maar niet iets volstrekt ongeschondens van maakt. Immers, toen de mens van de materiële inhoud ervan, nl. de ware kennis, gerechtigheid en z aligheid, zich moedwillig beroofde, wend ook zijn formele toerusting geschonden. Zij bleef niet ongerept. Daarom is het beter om met de belijdenis te spreken van „overblijfselen". Valt een vaas met inhoud, dan gaat de inhoud verloren, maar ook de vaas valt aan scherven. De scherven kunnen nog de vorm van de vaas vertonen, maar niet de ongerepte vaas zijn.

Wat hebben wij in Adam ons leven en heil verwoest. Totaal goddeloos en verkeerd hebben we ons gemaakt. Dat wondt ons, als we door Woord en Geest bij die inhoud van het geschapen- zijn naar Gods beeld gebracht worden.

Het „geschapen zijn naar Gods beeld" omschrijft ons antwoord met de woorden: dat is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.

In Gen. 1 en 2 wordt dit alles niet met zoveel woorden gezegd. Maar de gereformeerde belijder kent de stelregels, dat we Schrift met Schrift hebben te vergelijken en dat de Schrift uit de Schrift moet worden verklaard. En dat terecht.

In het Nieuwe Testament lezen we nu van de herscheppende genade, waardoor Gods kinderen aandoen de nieuwe mens, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid; en dat zij vernieuwd worden tot kennis naar het evenbeeld Desgenen, Die hen geschapen heeft (Ef. 4 : 24 en Col. 3 : 10). — De herscheppende genade herstelt wat door de zonde verloren werd. Daarom moet inderdaad het „geschapen zijn naar Gods beeld" naar zijn wezen en kern gesteld worden in kennis, rechtvaardigheid en heiligheid. Zullen immers deze deugden in de verloste mens stralen, dan was ook de eerste mens er mee versierd.

Dat het in ons antwoord even anders geformuleerd wordt is het opmerken waard. De mens is geschapen in ware rechtvaardigheid en heiligheid, opdat hij...; en dan volgt als doel en oogmerk: kennis, liefhebben en leven met God. Wezenlijk maakt het geen verschil uit met het opsommen van: kennis, gerechtigheid en heiligheid. Maar m.i. wordt door de formulering van de catechismus duidelijker dan door de dogmatiek, die eenvoudig spreekt van „kennis, rechtvaardigheid en heiligheid", onderstreept, dat het geschapen naar Gods beeld" vooral gekenmerkt is door de relatie van de mens tot zijn God. Zijn leven is gedragen door de levensverhouding met zijn Schepper. Hij heeft geen kennis op zichzelf, losstaande van God, maar alleen in gemeenschap met de Zich openbarende God en Zijn openbaring opvangend en die verwerkend.

Het is — dacht ik — wel van belang dat goed in het oog te houden. Naar mijn smaak is vaak veel te veel gesproken over het beeld Gods en het „beelddrager Gods zijn" als iets zelfstandigs en op zichzelf staande. Alsof de mens in en op zichzelf het beeld Gods zou zijn. Ligt of lag hier mogelijk ook reeds het gevaar om de wedergeborene als een op zichzelf staande te zien, toegerust met bepaalde genadegaven, waarmee hij moet werken? En kwam daarvoor, als het over de wedergeborene ging, de relatie tot God van het geloof in Christus niet genoeg naar voren? — Ik meen, dat dat vragen zijn, die de overdenking waard zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS (11)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's