ENIG WOORD VAN VERTROOSTING
Toen die oversten van de synagoge te Antiochië in Pisidië Saulus en Barnabas lieten vragen, of zij soms het een en ander tot de schare te zeggen hadden, hebben zij zich zeer merkwaardig uitgedrukt. Zij lieten hun namelijk het verzoek overbrengen — kennelijk op een plechtige wijze — of zij ook „enig woord van vertroosting tot het volk" hadden. Men zie Handelingen 13 : 15.
Nu heeft het Griekse woord, dat hier met „vertroosting" is vertaald, een dubbele klank, die door ons niet veronachtzaamd mag worden. Als het duidt op bemoediging, klinkt er toch altijd ook iets van vermaning in door. Vanuit de situatie, waarin de Joodse gemeenschap in Antiochië verkeerde, krijgt dit verzoek dan ook een bepaalde kleur, waarin deze twee nuances terdege meespreken.
Wij moeten niet vergeten, dat de Joden te Antiochië zich in de verstrooiing bevonden. Jeruzalem en het heilige land waren vèr weg. Men verbleef in den vreemde, en men vertoefde onder de heidenen.
Dat bracht problemen met zich mee, waar wij niet gering van mogen denken. Het was een hele opgave om trouw te blijven aan de Joodse gewoonten en instellingen. Gedurig was er het gevaar, dat men méé ging doen met het cultuurleven van die dagen en dat men ten onder ging in het syncretisme (vermenging van godsdiensten), waarbij de God van Israël gelijkgesteld werd met heidense godheden. Verder was er reeds in de antieke wereld een anti-semitisme, dat ontstellende vormen had aangenomen. Welke gemeenheden over de afkomst en de religie van het Jodendom destijds de ronde deden en voor waarheid werden uitgegeven, kan al genoegzaam blijken uit wat een schrijver als de Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus daarvan weet te verhalen. Flavius Josephus heeft eens een boekje geschreven, dat „Tegen Apion" heette. Toen hij tegen deze Apion de Strijd aanbond, heeft Josephus meteen van de gelegenheid gebruik gemaakt allerlei laster tegen de Joodse godsdienst te ontzenuwen. Het loont de moeite zich daar eens in te verdiepen en na te gaan wat men zo al de Joden naar het hoofd geslingerd heeft. Dan krijgt men er tenminste enigszins een indruk van, onder welke omstandigheden dit volk vaak heeft moeten leven. Tenslotte zij er nog op gewezen, hoe óók de onderhouding van de Joodse wet in een heidense omgeving voor vraagstukken plaatste, die niet in een handomdraai op te lossen waren. Men denke slechts aan de handhaving van de sabbath, en aan de bepalingen over rein en onrein. Het was waarlijk geen gemakkelijke taak, wanneer men begeerde vast te houden aan het eigen karakter van de Joodse godsdienst.
Hoe was er niet steeds de verleiding dat op te geven teneinde mee te kunnen gaan met de wereld waarin men gesteld was en tenminste voor „vól" te worden aangezien bij het heidendom. Dat velen er niet voor teruggedeinsd zijn hun afkomst te verloochenen, treedt wel naar voren uit de praktijk het lidteken der besnijdenis zo veel mogelijk weg te werken.
Van hieruit gezien, wordt het bijzonder zinvol, dat die leiding van de synagoge te Antiochië de beide dienstknechten van Chiristus Jezus gelegenheid heeft gegeven iets te zeggen, dat tegelijkertijd tot vertroosting èn tot vermaning wezen kon. Daar was voor de Joodse kolonie in deze Kleinaiziatische stad gerede aanleidinig toe.
Van de geboden kans werd een gretig gebruik gemaakt. Paulus is opgestaan en heeft zich gericht tot degenen, die in de synagoge bijeen waren. Dat hij daarbij met zijn hand heeft gewenkt, zoals ons wordt medegedeeld, bewijst niet alleen dat de apostel een beweeglijk mens is geweest, maar ook, dat zulk een gebaar nodig was om de stilte te verkrijgen die voor het aanhoren van zijn prediking noodzakelijk was. Wie wel eens een synagoge heeft bezocht, zal het niet onbekend zijn, dat het daar vaak verre van rustig is door het geroezemoes der onderlinge gesprekken.
De toespraak, die Paulus daarop gehouden heeft, is ons vrij uitvoerig overgeleverd. Het is één van de weinige „preken" van de apostel, die bewaard gebleven zijn. Daar kunnen wij niet dankbaargenoeg voor wezen, want wij kunnen er ons een beeld door vormen, hoe Paulus gepreekt heeft wanneer hij op zijn zenidingsreizen zich naar de Joodse synagogen begaf om daar te betuigen, dat Jezus de Christus is.
Prof. C. H. Dodd, die een studie heeft gemaakt van de apostolische prediking en haar ontwikkelingsgang, en daarbij ook enige aandacht geschonken heeft aan deze rede te Antiochië, vat de hoofdlijnen van Paulus' betoog als volgt samen:
„God voerde Israël uit Egypte en gaf hun David tot koninig. Uit het geslacht van David is Jezus voortgekomen als de Verlosser. Zijn voorloper was Johannes de Doper. Zijn discipelen volgden Hem van Galilea naar Jeruzalem. Daar werd Hij door de leidslieden van de Joden voor de rechterstoel van Pilatus gebracht, die Hem met tegenzin veroordeelde. Hij stierf naar de Schriften en werd begraven. God wekte Hem op uit de doden, naar de Schriften, en Hij werd door getuigen gezien. Door Hem worden vergeving en rechtvaardiging geschonken. Sla dus goed acht op dit alles".
Dezelfde prof. Dodd heeft, in ander verband, alle toespraken uit de Handelingen der apostelen aan een onderzoek onderworpen. Hij heeft daarbij ontdekt, dat zij haast alle een zelfde schema hebben, volgens hetwelk de opbouw verloopt. Dit ziet er zo uit:
1. De vervulling van de beloften Gods aan het volk Israël is geschied.
2. Vermelding van de reeks gebeurtenissen waarmede die vervulling heeft plaats gevonden.
3. Aanwijzing, welke gevolgen deze gebeurtenissen hebben.
4. Een ernstige oproep, gericht tot de toehoorders.
Het komt ons voor, dat het van uitermate groot belang is deze „opzet" te herkennen. Daar komt immers in uit, hoe de verkondiging, waarmee die apostelen tot Israël gekomen zijn, er heeft uitgezien. De vier onderdelen, door Dodd ontdekt, kunnen met gemak ook in de rede te Antiochië wordten aangewezen.
Opvallend is evenzo de manier, waarop Paulus zijn toehoorders heeft aangesproken. Tot tweemaal toe keert hij zich tot hen in de aansprekende vorm: „Gij Israëlitische mannen en gij die God vreest..." (vers 16), en: „Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en die onder u God vrezen ..." (vers 26).
De apostel maakt dus duidelijk onderscheid tussen twee groepen. Hij wendt zich tot echte Israëlieten, maar ook tot zogenaamde Godvrezenden. Hij had zelfs nog een derde groep kunnen noemen — de Jodengenoten. Dat heeft hij echter niet gedaan. Misschien heeft hij niet zeker geweten, of zich zulke Joden-genoten onder zijn gehoor ophielden, en hen daarom niet afzonderlijk vermeld. Later zal echter blijken, dat er te Antiodhië, naast de Joden en de Godvrezenden, inderdaad ook nog Jodengenoten waren. Men vergelijke Handelinigen 13 vers 43.
Wij moeten ons goed bewust zijn, wat deze indeling van het publiek, dat in de synagoge aanwezig was, inhoudt. Anders ontgaat ons de gehele portee van het optreden van Paulus en Barnabas.
Wie de Joden zijn, behoeft niet nader verklaard te worden. Dat ligt voor de hand. Het gaat om het volk van het oude verbond, om de kinderen Israels, om de afstammelingen van Abraham.
Nu deed zich evenwel in de wereld van die tijd het verschijnsel voor, dat ook anderen onder het beslag van Israëls religie kwamen. Sommigen van hen wensten dan in het geheel van het Joodse volk te worden ingelijfd. Deze heidenen waren gereinigd van hun heidense smetten door de doop, ontvingen daarna het teken der besnijdenis, en waren verplicht een offer te brengen in de tempel te Jeruzalem. Men heeft zich van Joodse zijde sterk ingespannen zuIke „Jodengenoten" (proselyten) te winnen.
Daarop zinspeelt Christus in Matth. 23 vers 15: „Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeërs, gij geveinsden; want gij omreist zee en land om een Jodengenoot te maken; en als hij het gewordten is, zo maakt gij hem een kind der hel, tweemaal meer dan gij zijt." Wij weten, dat b.v. koningin Helena van Adiabene en haar zoon Izates zó tot het Jodendom zijn overgegaan. Dat was de vrucht van een ontmoeting met een Joodse koopman, Ananias geheten, die zich voor zijn geloof niet schaamde. Jodengenoten werden beschouwd als volwaardige leden van het volk Gods.
Niet alleen echter kwamen tot 't besluit zich geheel en al bij het Joodse volk te laten inlijven. Dat waren degenen die zonder twijfel onder de indruk waren van hetgeen in Israël te vinden was, die het heidendom vaarwel hadden gezegd, die zich hielden aan de Joodse voorschriften, maar die zich niet wilden laten besnijden. Zo iemand was o.a. de hoofdman van Kapernaüm (Matth. 8 vers 5 vv.). In het oog der Joden golden zij echter nog als heidenen. Men kan dat constateren bij Cornelius. Hij was zo'n „Godvrezende". Na zijn bekering echter zegt Petrus: „Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering gegeven ten leven." (Hand. 11 vers 18). Wel een bewijs, hoe men in Joods-denkende kringen over de Godvrezenden oordeelde!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's