NOG NIET
Meditatie
Niet, dat ik het alreede gekregen heb, af alreede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht. Filippensen 3 : 12 a.
Wat is het chistelijk leven eigenlijk? Wel, dat is nogal duidelijk: het leven van een chiristen. Vraagt u verder: En wat is het leven van een christen, dan luidt het antwoord: het leven met Christus. Het staat en valt immers met Hem; 't is zonder Hem niet te denken; u vindt er een voortdurend en toenemend kennen van Christus in. Daarom kijken wij er zo vaak vreemd tegenaan. Wij leven, van nature, ons eigen leven. Misschien wat christelijk gestempeld, maar toch het eigen leven. Dat „eigen" verdedigen wij tegen ieder, die het te na komt; als ware dit het toppunt van geluk: zijn eigen leven leven. Terwijl het zo'n ongelukkig leven is. Wanneer u het wat nader beschouwt, dan is het verstrikt in de zonde, dan zit het vastgeklemd in de dood. Daar kan het niet uit, daar komt het niet uit.
Het leven van een christen is daarentegen uit strik en klem verlost. De strik is gebroken en ik ben ontkomen. Was die christen dan zo sterk? Neen, Christus is zo sterk. De kracht van Zijn opstanding wordt verheerlijkt; daarom is dit leven naar oorsprong en aard opstandingsleven. Het eigen leven schiet er bij in. Paulus mocht zijn eigen leven, vol omgerechtigheid en eigengerechtigheid aan Christus meegeven, om met Hem te sterven en begraven te worden. Zodoende ontving hij door Zijn verrijzenis het nieuwe, het eeuwige leven.
De kracht van Christus opstanding wenst hij te kennen, als een levende en drijvende kracht, die hem vernieuwt en voortstuwt. Hij worstelt er om en verlangt er naar, hij ziet reikhalzend uit naar de wederopstanding der doden. Daar is dit nieuwe leven op aangelegd. Het buigt na verloop van tijd, niet terug naar de dood. Nee, het groeit mettertijd door tot het volk, het voltrekt en volmaakt verloste leven. Dat is hoog gegrepen, niet waar.
Te hoog? De apostel valt zichzelf in de rede. Er dreigt hier een misverstand, dat hij meteen uit de weg wil ruimen: Niet, dat ik het alreede gekregen heb. Hoe dikwijls wordt dit woord misbruikt, als ginig het hier over het heil. Zelfs Paulus was er nog niet zeker van, verklaart men. Maar Paulus is er blijkens het voorafgaande, wél zeker van, door het geloof in Christus. Het eeuwige leven is hem geschonken. Hij heeft het echter nog niet verkregen; hij kan het nog niet ten volle verstaan en omvatten. Wat dit nieuwe leven is, wordt gaandeweg duidelijk, wanneer de knop zich ontplooit tot een bloem, die zijn bladen openvouwt, om eindelijk in al haar schoonheid te prijken, tot heerlijkheid Gods des Vaders, in Christus Jezus, door de Heilige Geest.
Paulus matigt zich niets aan. Wie ten dele kent heeft nog veel te leren; daar komt hij eerijk voor uit: Ik meen niet, dat ik het reeds verkregen heb. Alles waarvan in de vorige verzen sprake was; de volkomen doorwerking van de kracht zijner opstanding, de gemeenschap met Christus in kruis en krom, de wederopstanding der doden. Daar ontbreekt nog heel wat aan. Dat kan ook niet anders, want dat krijgt pas in de toekomst van Christus zijn gestalte en zijn beslag. Zoals Christus aan de rechterhand des Vaders toewerkt naar Zijn wederkomst, zo strekt Paulus zich daar ook naar uit. Zijn leven ligt zo nauw aan Christus verbonden: Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn. Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Dan hebt u het verkregen.
Zo ver is het nu nog niet, en dat merk ik terdege: Of alreede volmaakt ben. Ik merk aan mijzelf, dat ik het nog niet heb, en dat ik er nog niet ben. Volmaakt is een groot woord. Het betekent hier: tot volledigheid en volkomenheid geraken. Daar is alles bij inbegrepen: rechtvaardigmaking, heiligmaking en heerlijkmaking. Dat alles is nog niet af. Volmaakt staat tegenover ten dele. En dit ten dele wordt tot een te kort. Nu dacht ik, dat Paulus eens geschreven had: En gij zijt in Hem volmaakt. Neemt hij dat hier terug? Nee, hij vult het aan: met dat ik reeds volmaakt ben. Dat is de spanning van het Christenleven, de spanning tussen het: „in Hem" en het „nog niet" zij spoort ons aan om te volharden, niet te vertragen, voort te varen tot de volmaaktheid.
Schrikt Paulus daar niet van? Hij kent de nood en de smart van die onvolmaaktheid. Maar hij is niet meer onder de wet, doch onder de genade. Onder wet is het verschrikkelijk: ik ben niet volmaakt. Want dan hangt ons leven af, van wat wij zelf zijn. Dat is hier niet meer het igeval. Alles hangt er van af, of wij in Christus zijn. De weg des geloofs kent geen voorwaarde van volmaaktheid, zij kent wel het einddoel der volmaaktheid. Dat is een groot verschil. Paulus tracht niet volmaakt te worden, om verlost te worden. Die krampachtige pogingen leiden tot niets, dat weet hij uit ervaring. Hij is verlost, om volmaakt te worden. Daarheen is hij onderweg. En onderweg is het einddoel nog niet bereikt.
Wat zou deze volmaaktheid zijn? Het voIkomen beantwoorden aan de wet Gods, liever nog het gelijkvormig worden aan het beeld van Christus, zodat Hij gestalte in ons krijigt, dat ons leven doorzichtig wordt tot op Christus, wiens heerlikheid er in schittert. Paulus vertoont dat beeld nog maar ten dele, andere beelden schuiven er zich overheen. Het komt nog niet volkomen tot zijn recht. Hij draagt het lichaam dezes doods nog om. Wie waagt het zich boven hem te verheffen? Wie moet niet toestemmen: Of alreede volmaakt ben?
Veel christenen stemmen dat al te gemakkelijk toe. Is daar enerzijds het gevaar, dat wij die weg der werken inslaan, om volmaakt te worden, anderzijds is er de neiging om zich bij deze onvolmaaktheid neer te leggen. Om genoegen te nemen met dit: nog niet. Paulus zou dan op zijn lauweren kunnen gaan rusten. Hij is dan het geloof gerechtvaardigd; hij twijfelt er niet aan, dat Christus hem van God geschonken is tot een volkomen verlossing. Welnu, wat deert hem dan de onvolkomenheid, die hij in zijn leven gewaar wordt? Wel, Paulus heeft geen lauweren behaald; de overwinning waarin hij mag delen ïs de overwinning van Christus. Daar mag hij in rusten met heel zijn hart. Daaraan ontleent hij de vrede en de strijd, de moed in de nood. Hij hangt Christus aan en de Geest van Christus woont in hem. Dat nu brengt een nieuwe onrust in zijn leven. Niet de onrust van de twijfel: of. .. Het is de onrust van het geloof en van de hoop en van de liefde: of! Maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht. Of ik er beslag op mag leggen; of ik het helemaal in bezit mag nemen.
Hij begeert geen eigen volmaaktheid, die eigen gerechtigheid zou betekenen. Die acht hij alleen maar schadelijk, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus zijn Heere. Hij behoeft niet uitmuntend te zijn, als Christus maar uitnemend is. Doch die uitnemendheid te kennen, niet als wetenschap die het leven niet raakt, maar als gemeenschap, die het leven vormt en vervult, ziet, daar is het hem om te doen. De spanning van het opstandingsleven noopt hem tot inspanning.
En zo gaat het hem niet om eigen roem en eer. Was ik maar volmaakt, was ik maar niet langer beneden de maat. Hoe speelt het eigen in zulke verzuchtingen nog de hoofdrol. Het ga er ons om, dat Christus voluit in ons verheerlijkt wordt. De gemeenschap van Zijn lijden, de kracht van Zijn opstanding. En zo verstaan wij wat Paulus bedoelt: Ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht.
(Putten)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's