De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

12 minuten leestijd

Enige tijd geleden was er een persdebat gaande tussen prof. Ridderbos en het Gereformeerde Weekblad (Kok) en prof. Kamphuis in de Reformatie, over de leer der uitverkiezing. Prof. Ridderbos was aan de beurt van antwoorden, maar deze ging met vacantie en droeg met het eindredacteurschap ook de beantwoording aan prof. Pollman over. Het ligt voor de hand dat in deze beantwoording het accent enigszins verlegd werd van het exegetische naar het dogmenhistorische.

Aan het adres van prof. Berkouwer en prof. Ridderbos verweet prof. Kamphuis, dat de wijze waarop de gereformeerden spreken over „het eeuwige besluit der verwerping", betekende een terugglijden naar de opvattingen van de remonstranten uit de 17e eeuw. Vooral ook in verband met de opvattingen die neergeschreven zijn in het hervormde synodale schrijven over de uitverkiezing is het van groot belang kennis te nemen van deze discussie in de gereformeerde kerkelijke pers.

Beide opponenten beroepen zich uitvoerig op de „Schriftelijke Conferentie" van 1611 (in het vervolg steeds afgekort tot SC).

Prof. Polman verwijt aan prof. Kamphuis, dat hij praat over zaken waar hij geen verstand van heeft; hij kent of begrijpt de inhoud van de SC. niet, en toont dat met verschillende voorbeelden en citaten ook aan. Prof. K. beweerde dat de Dondtse Leerregels wel de algehele symmetrie en paralellie van verkiezing en verwerping afwijzen, maar dat ze toch wel degelijk het eeuwig besluit der verwerping leren. De verwerping komt ter sprake met de blikrichting naar de verkiezing.

Als prof. K. zich daartoe dan ook nog op de SC. beroept, verwijt prof. P. hem dat hij de SC. niet kent of niet begrijpt. Niet minder scherp reageert prof. K. op deze scherpe taal; het zal nu hard te­gen hard gaan, zoals prof. K. zelf zich uitdrukt.

Prof. P. gaat aantonen dat in het eerste artikel van de SC. alles beperkt wordt alleen maar tot de verkiezing; de verwerping laten ze rusten, op dat punt bestaat eigenlijk geen verschil tussen remonstranten en contra-remonstranten. Met de stukken gaat prof. K. nu van zijn kant aantonen dat prof. P. er totaal naast is met deze beweringen. De SC. betogen alleen maar, dat, als de remonstranten de bijbelse leer van de uitverkiezing aannamen, men zich dan niet meer druk behoefde te maken over de verwerping; daar zou dan vanzelf overeenstemming over zijn, want die zit in de leer der verkiezing opgesloten. Prof. P. ontkent dit, want — zo zegt hij — dat is een logische conclusie en die logische conclusie trekt de Schrift niet. Prof. K. schrijft dan:

Maar die schijnbare diepzinnigheid zet geen enkele zode aan de dijk. Want de gereformeerden redeneren helemaal niet per logische conclusie van het ene dogma tot het andere, maar ze stellen, dat met het ene het andere gegeven is. Als God „een zekere menigte mensen" uit liet gevallen menselijk geslacht tot het eeuwige leven uitverkiest, dan volgt daar maar niet, maar dan houdt dat in, dat Hij de anderen niet-uitverkiest, voorbijgaat, verlaat, verwerpt. Zo heeft de Schrift ons leren spreken. Zo spreekt de kerk de taal van de dankbaarheid. Maar wie zegt: dat Is maar een logische conclusie, die geen stringente kracht heeft, ten wel die schijn opwekken, dat hij tegen orthodoxistisch rationalisme positie kiest door niet bij die logische conclusie te willen leven, maar alleen , bij de eenvoudige Schrift, maar in werkelijkheid heeft hij de taal der liefde niet verstaan en daarom de exclusiviteit van de liefde gecorrumpeerd. Is het soms een „logische conclusie", wanneer een bruid van haar bruidegom zegt, dat hij haar heeft uitverkoren en dus geen enkele andere ? Is het soms werkelijk oppositie tegen rationalistische conclusie-trekkerij, wanneer een man de liefde corrumpeert door grinnekend te verklaren, dat hij om één niet allen haten kan ? Neen toch ? Die man heeft van de liefde geen weet, omdat hij de persoonlijk-gerichte, uitverkiezende liefde veracht.

Zo meen ik, dat al wat in de richting van de verloochening van de uitverkiezing, naar de belijdenis der Gereformeerde Kerken, gaat: algemene verzoening, algemene verkiezing, negatie van de verwerping, aan de taal en het klimaat van de liefde Gods, zoals deze ons in de termen van uitverkiezing, daarom ook in de termen van liefde en haat in de Schrift is geopenbaard, voorbijgaat. Zo is men, als Polman, ook onmachtig de gereformeerde documenten te lezen.

In hetzelfde artikel in de Reformatie van 14 september heeft prof. Kamphuis nog iets op zijn hart. Prof. Polman kan namelijk bewijzen dat de gereformeerden geen bezwaar hadden tegen het eerste artikel van de „remonstrantie", waarom zij dit eerste artikel zelfs als „schriftmatig" hebben verklaard. Prof. P. illustreert deze bewering zelfs nog met een sappige anecdote. Prof. K. laat dit echter niet op zich zitten en schrijft:

Maar dr. Polman redeneert en selecteert in zijn artikelen kennelijk op de manier van de remonstranten. Die zeiden ook maar steeds: waarom zouden we in de kerk niet in vrede samen kunnen leven; ge zegt toch van ons eerste artikel, dat het schriftmatig is ? Waarom moeten wij dan gedrongen worden hoger of dieper te gaan ? (SC. 415). Maar de gereformeerden hebben daar tegenover gesteld: in dat eerste artikel der remonstrantie wordt als het er op aankomt, helemaal niet over de verkiezing gesproken. Noch over de verwerping. Want als daar beschreven wordt, dat God besloten heeft de regel te stellen: Wie in Christus gelooft, ontvangt het eeuwige leven; wie Hem verwerpt zal de verdoemenis ondergaan, dan, zo zeggen de gereformeerden, „verstaan wy dat te wesen / niet het besluyt der verkiesinghe / maer het toesluyt van de rechtveerdichmaeckinghe des menschen voor God". (SC.391). Het eerste punt, waarin zij dan ook voornamelijk het verschil met de remonstranten achten te toestaan, is dat de remonstranten zeggen, dat er geen andere praedestinatie ter zaligheid in de Schrift is geopenbaard dan in het eerste artikel van de remonstrantie is gesteld, terwijl de gereformeerden van het tegendeel overtuigd zijn. (SC. 39). Wanneer Polman daarom zakelijk juist zou hebben weergegeven, dan had hij bij wat hij nu schreef onmiddellijk moeten zeggen: maar de gereformeerden waren van oordeel, dat dit, wat de remonstranten in het eerste artikel gaven, niet het besliuit van de verkiezing was en waren er dus van overtuigd, dat de remonstranten de verkiezing naar de Schrift verloochenden, ook al schreven ze wellicht braaf boven dat eerste artikel: Over de verkiezing en verwerping. In dat opschrift boven dit artikel zat de ketterij al! Zoals wij sinds de verschijning van Berkouwer's boek over die verkiezing nu al jarenlang hebben betoogd, dat zijn dwaling niet hieruit bestaat, dat hij de inhoud van de Heid. Cat. Z. 31, de leer van de sleutelen des hemelrijks, accentueert, dat God dus ook de regel heeft gesteld van de verdoemenis van de ongelovigen, maar hierin dat hij stelt, dat dat de uitputtende leer van de Schrift over de verwerping is. Dat is puur remonstrantisme. Zoals het óók remonstrantisme is te zeggen: ge zijt het toch met die inhoud van Z. 31 Heid. Cat. eens ? Wat zal uw bezwaar dan tegen de verwerpings-theorie van Berkouwer zijn ?

Per saldo is het dus helemaal niet waar, dat de gereformeerden het eerste artikel van de remonstranten ook maar enigszins zouden hebben toegestemd! Integendeel: zij hebben de remonstrantse leer, dat die regel: den gelovigen de zaligheid, den ongelovigen de verdoemenis, de uitputtende leer van de Schrift over de praedestinatie zou zijn, als een afschuwelijke ketterij verworpen, zodat zij het voor de vrede der Kerk noodzakelijk achtten dat de remonstranten hun gevoelen niet meer zouden verbreiden (SC. 407).

Dat blijft er van die consensus over ! En Polman moest nadat hij de hoogleraren Greijdanus en Schilder als geraffineerde remonstranten de kerk heeft uitgewerkt, niet alle mogelijke moeite doen om met een remonstrants trucje zijn en Berkouwer's remonstrantisme te camoufleren. Want heel deze wijze van verdediging is één brok remonstrantisme. Polman is een goed leerling van Wtenbogaert maar minder van Calvijn. Hij moet zich de naam van zijn leermeester alleen maar schamen.

We zullen het er mee eens kunnen zijn, dat het hier inderdaad hard tegen hard gaat. Overigens hebben we wel de indruk, dat prof. Polman, wat de inhoud van dit uitvoerige en scherpe artikel betreft, voorlopig weer zijn handen vol heeft. Wellicht zal hij, ook al is dan zijn tijdelijk einidredacteurschap reeds lang weer beëindigd, zich toch genoodzaakt zien om de pen op te nemen en ruimte te vragen in het Gereformeerd Weekblad.

In het Gereformeerde Weekblad (Kok) van 13 september schrijft ds. Plomp in de rubriek Van Week tot Week iets over de hedendaagse moraliteit. Hij doet dit naar aanleiding van een beschouwing die hij te in Katholiek Archief. Graag willen we een groot deel van deze uiteenzetting ter lezing en ter overdenking, in deze rubriek aan onze lezers doorgeven :

Profumo zelf is niet belangrijk meer. Hij is al uit het gezicht verdwenen. Maar de „zaak" is gebleven en ze heeft in Engeland aanleiding gegeven tot allerlei vragen. B.v. tot deze: kan uit deze affaire iets geconcludeerd worden voor de zedelijke toestanden in bepaalde kringen of zelfs van het Engelse volk als geheel ?

Niet weinigen hebben de neiging deze vraag  bevestigend te beantwoorden. Maar dan komen  zij voor een nieuwe vraag te staan: hoe kon  het komen tot zulk een moreel verval? Verschillenden wijzen dan in de richting van de pers.  Zo b.v. de schrijver van een ingezonden stuk  in de Londense Times. Deze zegt, dat de mensen geen vetrmogen meer hebben om te onderscheiden en te oordelen; hun wordt ook geen  respect voor het gezag meer bijgebracht. Maar  wat wil men ? „De oorzaken... moeten eerder  dichterbij Printing House Square (adres van  The Times) gevonden worden, dan bij Westminster. Zij moeten in feite gezocht worden in Fleet  Street (de straat van de kranten bureaus). Jaar  na jaar wordt miljoenen mensen zowel op zondag als op werkdagen een voortdurende vloedgolf van trivialiteiten opgediend en, erger dan  dat, gebaseerd op waarden die van het laagste  allooi zijn. De levens van half- of geheel ontklede schoonheidskoninginnen, de Iiefdesaffaires  van drie- of viermaal getrouwde filmsterren, de  inrichting van yachts van miljonairs, het succes van Pool-winnaars, de (bekentenissen van dieven en moordenaars en de herinneringen van  gescheiden leden van de adel — dit zijn de zaken die dag in dag uit ter bewondering van  ieder worden voorgehouden. Dit voedsel, dat  steeds meer en meer gekruid wordt, is de oorzaak van de psychologische en geestelijke verlaging van de natie, die geleerd is, dat er slechts  twee dingen van enig belang bestaan, n.l. sex  en geld".

Overdreven? Katholiek Archief weet mee te  delen, dat de oplaag van een zondagsblad met  driekwart miljoen exemplaren is toegenomen,  sinds het blad de levensgeschiedenis begon te  publiceren van een van de protagonisten in de  zaak-Profumo, verlucht met onsmakelijke foto's,  en dat zulke personen aan dergelijke publicaties  25 maal zo veel „verdienen" als de Eerste Minister per jaar toucheert. 

Geen wonder, dat de schrijver van het ingezonden stuk opmerkt, dat het een "ironische  paradox" is, dat zij die het hardst te keer gaan  tegen corruptie aan de top en het schandaal  van een minister zelf de grootste bijdragen hebben geleverd en nog dagelijks leveren aan het  scheppen van toestanden, waarvan de minisiteriële misstap slechts een enkele uiting is. Men  zou ook kunnen zeggen: deze manier van doen is satanisch. Iemand wordt tot zonde verleid  en wanneer hij verleid is aan de kaak gesteld  en ondertussen gaat het verleiden mistig voort!  Het oordeel van de inzender is hard, maar  schijnt niet onbillijk. En toch zou men verder  willen doorstoten en de vraag willen stellen:  maar waaróm vullen die kranten hun kolommen met deze rommel ? Het antwoord zal moeten luiden: omdat „men" er op gesteld is. Dat lokt weer een andere vraag uit: hoe komt het  dat „men" op zo iets gesteld is ? 

Gelukkig worden ook in Engeland zulke vragen gesteld. Vooral aankerkelijke zijde, zegt  Katholiek Archief. Enkele uitlatingen van kerkelijke leiders worden doorgegeven. Het meest  trof mij de verklaring van de rooms-katholieke  aartsbisschop van Cardiff, Mgr. Murphy, in een  interveuw. 

Velen maken zich bezorgd over de immoralitiet van deze tijd, zei hij. Zelf was hij meer bezorgd over de hedendaagse moraliteit. „Als men  immoreel is en men aanvaardt het feit dat men  in zijn menselijke zwakheid gevallen is, dan is  er alle kans op vergiffenis. Maar indien de mens  immoreel handelt en er aanspraak op maakt moreel te zijn, daarbij bewerend dat hij zich alleen  maar losmaakt van ouderwetse taboe's of de  „moraal" van onze tijd volgt, dan moet de wereld  verloren beschouwd worden. Dit is een onvergeeflijke zonde, want in deze „moraal" is er  niets te vergeven". Volgens de aartsbisschop ging  in de beruchte zaak feitelijk niemand vrij-uit,  maar in het bijzonder dienden godsdienstige leiders die preken, politici die regeren, programma-leiders van radio en televisie, journalisten en  roman- en toneelschrijvers „hun stenen in hun  zak te houden" en allereerst „op hun eigen  borst te kloppen". 

Ik geloof, dat wij er in Nederland geen goed  aan doen, als wij bij het kennisnemen van morele excessen in het buitenland, de brave jongen zouden spelen : die Fransen, die Engelsen toch .. .  Want niet alleen gaan wij dan onze eigen schandaaltjes voorbij, maar bovendien vergeten wij,  dat wat zich in het buitenland op dit gebied afspeelt wezenlijk ook onder ons, ja in heel de  westerse en door het westen beïnvloede wereld  aan de orde is: vervaging van de traditionele  morele normen, in onze wereld destijds duidelijk  door het leven bij het evangelie gestempeld.   

Thans vervagen deze normen, bij ons, evengoed  als elders.  Het is hier niet de plaats dit verschijnsel uitvoerig te analyseren. Maar het is naar mijn mening duidelijk, dat hier ten minste twee factoren  in het spel zijn. Allereerst het loslaten van het  voorvaderlijk geloof bij velen en bij anderen,  wie het geloof in Christus nog steeds dierbaar  is, een niet meer weten hoe „het in deze tijd  moet". Dit laatste is niet zo heel verwonderlijk.  De statische wereld van vroeger is een zeer snel  veranderende wereld geworden. De oude levenspatronen doen het niet meer. Ook oude positiveringen van het gebod Gods zijn vaak niet meer  bruikbaar. In zo'n situatie dreigt acuut het door  de aartsbisschop van Cardiff gesignaleerde  kwaad, nl. dat men niet meer zoekt naar nieuwe  positiveringen en „zo maar wat" leven gaat. Dan  krijgt als moraal de im-moraliteit een kans en  deze dringt dan overal dóór, in de pers, de radio  en de televisie. En de gevolgen zijn niet te overzien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's