DE CATECHISMUS (12)
In Adam verloren.
Vraag en antwoord 6.
Vr. Heeft dan God de mens alzo boos en verkeerd geschapen ?
A. Neen Hij; maar God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.
God schiep Zijn mens in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Met deze heerlijke gaven en deugden stond de mens voor zijn God, ja, was hij gelegd aan Diens Vaderhart.
De mens kende zijn God. We legden er reeds de nadruk op, dat dit een kennen der gemeenschap was. God had de mens zo geschapen, dat hij ontvankelijk was voor Zijn openbaring. De mens was bekwaam om de gedachten Gods op te vangen en te verwerken, ze te verstaan en ze in lofprijzing en aanbidding weer te geven. Steeds deed God Zijn verlichtende openbaring instralen in 's mensen ziel, en de mens — geheel toegekeerd naar zijn God — mocht ontvangen en verstaan. De mens mocht steeds weer en meer inblikken in de diepten van Gods wezen en voorts ook de werken Gods in Zijn schepping in hun ware gedaante en betrekking tot hun God onderkennen. Zo was er de teerste betrekking tussen God en de mens in deze kennis van levensgemeenschap, waarin God Zich openbarend wegschonk, en de mens Hem mocht ontvangen in liefdeservaring en in zijn bewustzijn mocht verstaan. Hierin lag voor hem de bron der zalige genieting.
We kunnen slechts stamelen van deze kennis in de staat der rechtheid. Toch mogen we er iets van verstaan, als voor ons de geschonden gemeenschap mét God in Christus wordt hersteld en we de God en Vader van onze Heere Jezus Christus als onze God kennen. „Hoe zoet zijn Zijn redenen, meer dan honing mijn mond". Het spreken van de Vader in de Zoon is enkel zaligheid voor het kind. — Ja, als we door genade herboren werden, mogen we — hoewel nog slechts van verre — benaderen, wat die volle kennis in de gemeenschap met God en de gedurige omgang met Hem geweest is. De natuurlijke mens heeft hiervan geen notie ; hij verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Die van Christus is, heeft er echter heimwee naar, omdat immers in beginsel deze kennis weer wordt opgericht in zijn hart en leven.
Dat de mens in ware rechtvaardigheid geschapen was wil zeggen, dat hij in de rechte verhouding tot zijn God stond. Zijn staat was recht. Hij — en wij in hem — stonden in de houding der gehoorzaamheid tegenover God. De mens was geheel overeenkomstig Gods wet. God zag Zijn mens voor Zich in de rechte verhouding tot Hem en Zijn goedkeurend oordeel ginig overhem. De vrede als rechtsverhouding heerste tussen God en mens. Er was geen wanklank, geen disharmonie. Wij stonden in Adam volkomen onschuldig voor God.
En aan onze staat beantwoordde geheel en al onze innerlijke toestand. Dat laatste wordt bedoeld met de woorden : in ware heiligheid.
Het is goed om van het begin af te letten op dit onderscheid tussen de begrippen staat en toestand. De staat wijst immers op de verhouding krachtens een rechterlijk oordeel; de toestand op de innerlijke gesteldheid. Onze staat in Adam vóór de val was die van een rechtvaardige, terwijl onze toestand was die van ware heiligheid, d.i. van volkomen smetteloze reinheid van binnen, zodat ons hart en onze innerlijkste zielsaandoeningen en begeerten onbezoedeld waren in ons leven in God en voor Hem.
Onze staat en toestand in de schepping zijn niet van elkaar te scheiden, maar toch moeten we hier wel onderscheiden. Dat is namelijk van het grootste belang in verband met de leer van Christus en de Heilige Geest, dus het herstel van het beeld Gods. Het rechte inzicht in het „hoe" van onze schepping bepaalt onze visie op de verlossende en vernieuwende genade. Wie hier scheef gaat, gaat in heel zijn verdere dogmatische bezinning scheef, ja ook in de ethiek. Missen we bij iemand het stellen van het onderscheid tussen staat en toestand in de leer van het beeld Gods, dan missen we ook bij hem het juiste inzicht in het onderscheid tussen rechtvaardigmaking en heiligmaking ; we bemerken spoedig, dat men beide vereenzelvigt en van nieuwheid van leven, het leven der godzaligheid niet weten wil. We komen daarop nog terug.
Zo stond dan Adam in het paradijs in volmaakte heerlijkheid. Alle krachten van ziel en lichaam waren op zijn God gericht. Met zijn gehele bestaan keerde hij zich naar God toe. Hij leefde uit God, zocht in alles zijn God, verloor zich in God, legde zijn oor te luisteren naar Gods stem, lag aan Gods hart, vertolkte de vredesgedachten Gods, wandelde met zijn God als een kind aan de hand van zijn Vader. — Zo was de mens voorwerp van de verlustiging Gods. En steeds rijker zou zich dit leven van de mens ontplooien, opdat het eenmaal in eeuwige heerlijkheid zou vastgesteld worden. — Welke onnoemelijke rijkdommen lagen er voor hem te wachten.
Wij, die in zonde en ongerechtigheid ontvangen en geboren zijn, kunnen nimmer volkomen inleven, wat de staat van de mens vóór de val is geweest. Maar in ontdekkingstijd zal wel heimwee naar het verloren paradijs de zondaar aangrijpen. Dan wordt immers gevoeld, wat het zeggen wil de gemeenschap met God te moeten derven. En het oordeel Gods treft de ziel en snijdt door het hart: Zó geweest, en nu zó . . . . . , doch we zullen geoordeeld worden naar wat we geweest zijn ! God schiep de mens naar Zijn beeld, maar wij brengen kinderen voort naar óns beeld! (Gen. 5 : 3).
Wat is dan het goddelijk ontfermen onuitsprekelijk groot, daar het in de Tweede Adam een weg ontsloot om ons terug te brengen aan Gods vaderhart en ons vaster te stellen dn de staat der genade en der heerlijkheid dan onze eerste vader Adam ooit gestaan heeft.
Daareven hadden we al het oog op enkele dwalingen in verband met het geschapen zijn van de mens naar Gods beeld. Een drietal wil ik noemen.
1. Rome ziet het beeld Gods a.h.w. in twee verdiepingen. Zij ziet de mens allereerst als een zuiver natuurwezen, Als zodanig heeft de mens zijn bestemming op aarde en heeft hij natuuriijke deugden. Doch God voegde hieraan de bovennatuurlijke gaven toe. Door deze laatste had de mens zijn bestemming in de hemel en was hij in staat tot bovennatuurlijke godsdienst.
Nu leert Rome verder, dat bij de zondeval wel de bovennatuurlijke gaven werden verloren, maar dat de natuurlijke gaven (de ondernatuur) ongerept bleven. Als natuurwezen is de mens ongeschonden.
Zo loochent Rome de totale verdorvenheid van de mens en kan nooit aan het „sola gratia" (door genade alleen) die plaats geven, die de Reformatie eraan gaf. Rome blijft hierin zichzelf gelijk, hoezeer zij haar aangezicht ook zou mogen, veranderen.
Daarbij is volgens roomse voorstelling de rechtvaardigende genade, waardoor de bovennatuurlijke gaven weer terug geschonken worden, hebbelijke genade, genadekracht, die ingestort wordt door middel van de sacramenten. Maar daarop gaan we nu niet verder in.
2. De Pelagiaanse en Remonstrantse dwalinig is, dat God de mens zou geschapen hebben tussen goed en kwaad in. Hij was niets bepaalds, maar kon nog alles worden.
De Schrift leert echter, zoals we zagen, dat God de mens volwassen geschapen heeft in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Eigenlijk wordt door de Remonstrant zo de val van de mens verontschuldigd. En vanzelf komt men op dit spoor uit bij de loochening van de erfzonde, terwijl dan Christus het grote voorbeeld wordt, dat dient nagevolgd te worden. Wie zijn oor goed te luisteren legt, hoort de vrijzinnigen — ondanks hun „opschuiving naar rechts" — nog altijd hetzelfde remonstrantse lied zingen. Voor verzoening door voldoening is daarin geen plaats.
Wel bemerken we, dat inderdaad de beschouwing van het beeld Gods bepalend is voor de gehele verdere dogmatische gedachtenwereld.
3. Dat komt ook zeer sterk aan het licht in de Barthiaanse opvatting. Door Barth wordt eigenlijk de val gezien in het naakte zo-zijn, het zijn als mens, prijsgegeven aan de tijdelijkheid. De verzoening is gesteld in de vleeswording krimpen ineen tot een en hetzelfde, namelijk een louter geldingsoordeel. Er blijft voor het leven der godzaligheid (de heiligmaking in haar voortgang) geen plaats meer over.
, , , ding des Woords (de grote blikseminslag Gods). Rechtvaardiging en heili ..............(ontbreekt hier een gedeelte van de zin???NBcorrector)
Zo zien we hoe in de dogmathiek alles met alles samenhangt, en dat daarom een verkeerde stant over het gehele vlak der dogmatische bezinning doet schipbreuk lijden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's