De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE PREDIKING VAN CALVIJN VOOR ONZE TIJD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE PREDIKING VAN CALVIJN VOOR ONZE TIJD

JAC. VERMAAS

6 minuten leestijd

/ JAC. VERMAAS

III

SoU Deo Gloria

Als we ikont zouden wiillen samenvatten wat Cailvijn in zijn igesöhiiften en arbeid bedoék, dan zoudien we dat kunnen weergeven met ihet Scihiriftwooid: Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijldieid tot in eeuwigheid. We weten dat het Calvijn iboven alles en in alles gaat om de ere Gods.

Dit vindt ge ooüc geweven door al zijn preekwerk henen. Bij hem staat nooit, op weilke wijize dan ook, de mens in het middelpunt. Ook niet de zaligheid van de mens. Van de hervormer is het ontzagilijke woord, dat het beter is „dat de wereld miljoen malen ondergaat, dan dat de eer van God zou verdonkend worden". Al worden dan ook door de piedikinig des Woords niet allen zalig, „het is iiudmschoots voldoende, wanneer de pnedikinig de eer van God bevordert: door ook de verworpenen de redhtvaardige verdoemenis tfe brengen".

Toch kunt ge bij Calvijn ook wel uitspraken vinden, die er op wijzen dat hij onze zaHgheid en onze hoop op vertroosting als hoofddoel der predtoig stelt. Dit is g^n tegenspraak, geen tegensteilling, maar voor Calvijn higgen deze ziaken allen op 't nauwst saamverbonden. Door de zaiHgiheid henen wordt God op het hoogst verheerlijkt. Als door de verlossing een zondaar de Heere gaat dienen en voor Hem gaat léven, dan strekt dit ter venheerlij'king Gods. Dit wordt de vreugde, de weelde en het leven van al Oods kinderen. Ons leven moet Gode gewijd zijn. En Hij is het waaixi om door het schepsel geloofd en geprezen te worden.

Wat is het nodig idit alles beheersende gegeven ook in onze tijd 'fcrachtiig naar voren te brengen. Wij leven in een tijd van lontzagweifckende mogöHjikheden. Alleriltei technische prestaties brengen ons in beroering. De verleiding is sterker dan ooit om 't uit te ax> epen: wat heibben wij mensen het vei- gebraöht. De Toep van de revokitiegeest: de mens op de troon, dte mens alle eer, alles doen om onsizelfs wil, wordt steeds idriester gehoord. Torenbouwers van Babel maken zioh op om de hemol te bestormen.

En wie geeft God de eer? Wie is er op uit om al de gaven die Hij sdhenkt aan te wenden tot groötmaking van Zijp Naam en Zijn daden er in te prijzen? Integendeel, God moet meer en meer worden uitgesohafceld. De schittering van Zijn eer moet worden verduisterd. Zijn Naam worden uitgewist. Er is veélsains een vragen naar zaligheid, naar „in de hemel komen", waarbij aan de ere Gods en het dienen van Hem in de verste verte niet wondt gedacht. We zijn dan siedhts bezig met de vraag of wij van alle ellende en miodte af ikunnen komen en een goed leven kunnen ikiijgen. Van het „tot Hem" is geen sprake. Ook al vwrdt het „alles tot ere Gods" wel heel gemakkölijk in de mond genomen. En todh zal alle w©i< k dat uit God en door God is, dit stempel dragen dat het ook tot God is. Het zal zidh gaan richten op de eer des Heeren. Wij gaan het middelpunt uit en de Drieënige ikomt in 't centrum te staan. Waar God werkt door Zijn Woord en Geesit, daar ikomt de lust om de Heere welbehagelijk fte zijn, opdat Zijn Naam door ons niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde. Dan worden we teer op de eer des Heeren.

Diep bederf.

Dat dfe Heere waard is deze eer te ontvangen en er redht op heeft, blijkt zonneklaar uit de HeiBge Schrift. De Heei-e heeft alle dingen, ook de mens, schoon gemaakt. Ja, Hij heeft ons geschapen naar Zijn beeld en gehjikenis, in ware kennis Gods, gerechti^eid en heiligheid. Calvijn legt er de nadruk op dat wij diiep zijn gevallen, niet door Gods schuld, maar door eigen schuld. In een preck over Efeze 2 : 1—5 zegt hij: „Wij zijn gestort in een afgrond zo verschrikkelijk, dat waimeer wij er aan denken, wij verschrikt mioeten wordlen en de haren ons Ite berge rijzen .. . het is onmogelijk dat wij niet bewogen en aangevuurd wonden om de naam Gods te zegenen dat Hij ons in die diepte gezocht heeft om ons te brengen tot heit Koninkrijk der hemelen ... Want hoezeer wij voor idle mensen nog enige schijn hebben, wij zijn anne krengen, er is niets dan bederf en besmetting in ons, God houdt ons voor vei^Werpelijk, wij zijn veroordeeld en veriloren voor Hem, de engelen hebben ons in verachting, alle schepseien vervloeken en verachten ons, en vragen lom wraak tegen' ons, omdalt wij hen bederven . .. er is geen idruppel leven in ons dat verdient daarvoor gehouden te worden; in het kort wij zijn als in een graf geworpen; de mens geboren wmdenjde draagt de dood in zich, niet maar omdat ihij sterfelijk is, doch omdat hij gescheiden is van God... Wij zijn reeds dood, omdat onze zielen geheel verdorven zijn. Er is geen gedachte en geen aandoening in ons, idie niet naar het kwade neigt en alles is als strijdendie tegen God en de regel zijner igerechtighcid... wij kunnen in onze geest miets smeden dan zonden en ongerechtigheid". Wanneer Calvijn zó preekt, dan is dat omdat 'Gods Woord de mens in 'dit licht plaatsit. Dan is dat 'Omdat Calvijn weet 'dat het God behaagt om door Zijn Geest deze prediking zo te doen ingaan in het hart dat de zondaar daardoor ontdekt, vernederd, opgeschrikt wordt, ja aille 'Orischuld ihen wordt ontnomen'. Calvijn weet dat alleen aan dé zodanigen Christus dienbaar en onmisibaar wordt.

Daarom fulmfineert Calvijn tegen al­ len, die van de mens nog iets gpeds verwachten. Diie hem nog op een voetstukje BteHen, welke naam ze dan ook dragen mogen in hun dwaMng.

Het is nodig in deze tijd naar de schriftuurlijke prediking van Calvijn over ons diep bederf te luisteren. We hebben hier toch te maken nitet een 'boodschap, waartegen ons ganse vlees zich verzet. Op ^Iterilei manier zien we er onder uit te komen. Vandaar dat een ontdeikkende prediki'nig, een pi'ediiking der 'wet, waardoor de kenni's der zonde is, wordt verworpen. Men wil, dat wij al onze eigen kleren mogen bhj'ven dragen en dat het kleed van Christus daar dan maar over heen geworpen v«> idt. We willen dezelfde blijven in onze hoogmoed en goede gedachten over onszelf en izó zalig worden. We willen er niet aan, dat de enge poort zo eng is, dat we er alleen naakt doorfieen kunnen.

En als er dan nog over gesproken wordt en als men 'er oog naar luisteren wil, dan toCh dan 'aleen, als met zevenmijlslaarzen over ons diep bederf wordit heengestapt. Op grond van Gods Woord leert Calvijn ons < da!t anders en 'beter. Zoals hij ons ook leert dat we er rdet zijn met een uitvoeri'ge beschouwing over onze ellenidige staat voor 'God. Neen, we moeten juist door de ontdekkende prediking, gedaagd 'voor Gods gericht, met ons hart onze schuld en Clende, ons oordeel leren (kennen en ondervinden dat wij geen enkele gerechtigheid hebben, 'die voor God kan ibestaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE PREDIKING VAN CALVIJN VOOR ONZE TIJD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's