Kroniek
Rondom het Concilie - Kinderen, Assen, Wereldraad - Van een televisieuitzending.
De pers hier te lande besteedt bijzondere aandacht aan de 29 september j.l. aangevangen tweede zittingsperiode van het Vaticaans Concilie. Vooral de N.R.Crt., die, vergeleken bij vroeger, in deze tijd merkwaardig weinig kerkelijk nieuws geeft, publiceert de laatste weken meerdere artikelen over wat op het concilie aan de orde komt. Ze zijn van de hand van een correspondent, die wel goed van de zaken op die hoogte is. Allerlei kwesties, die met de behandeling van het schema „de ecclesia", over de kerk, verband houden, worden ons in het verband, waarin zij behoren, of naar aanleiding daarvan, gemeld. Zo is er o.m. gesproken over de Maria-verering. Er waren leden, vooral buiteneuropeese, die tegen overdrijving waarschuwden, en zulks met het oog op het gevaar van afgoderij.
Ook de onfeilbaarheid van de paus kwam ter sprake. Niet, dat dit dogma op zichzelf discutabel zou zijn. Van herroeping is geen sprake en kan ook naar de leer der r.k. kerk geen sprake zijn. Neen, de zaak kwam naar voren in verband met een verandering in de positie der bisschoppen in de kerk. Men wil een zekere decentralisatie in het bestuur der kerk doorvoeren. Bijzondere aandacht verdient wel 't verlangen van velen, dat bij de doop en de mis de landstaal mag gebruikt worden. Hoewel velen — de meerderheid der concilieleden — voorstanders zijn, kon het voorstel geen tweederde van de stemmen halen en werd het verworpen, zij het voorlopig.
Ik ga op deze zaken nu niet dieper in, noemde ze slechts om te laten zien, dat men op het Vaticanum II wel degelijk bezig is, de eigen kerkelijke zaken te regelen, nodige wijzigingen aan te brengen, en dat alles om de „openheid" naar de wereld, — een der wezenlijk voornaamste redenen, waarom het concilie werd belegd — tot stand te brengen. Gegeven dit motief, kan het geen verwondering wekken, dat de grote pers hier te lande veel werk maakt van het concilie. De wereld van vandaag, hoezeer ook in haar de afval van kerk en christendom onrustbarend toeneemt, toont, althans in meerdere harer leaders, een zekere „good-will voor religieuse organisaties. Deze kunnen haar dienen tot verwezenlijking van de idealen van broederschap en vrede. Merkwaardig kwam dit tot uiting bij de opening — men sprak zelfs van „inwijding", een woord uit de roomse sfeer, doch bij protestanten meer en meer gebruikelijk — van het kerkelijk centrum der V.N. Die „plechtige inwijding" — aldus las ik in de N.R. Crt. van 3 okt. j.l. — geschiedde een der laatste dagen van sept. 1.1. te New-York. Het is een imposant gebouw, verrezen op initiatief van de nationale „Raad van Kerken" en kon tot stand komen door een gift van 3 miljoen dollars, geschonken door de Methodisten kerk in de Verenigde Staten. Bij de plechtigheid waren aanwezig afgevaardigden van protestantse kerken, van de r.k. kerk in Amerika en van de joodse geloofsgemeenschap. Ter gelegenheid van de opening sprak de heer Thant, de secretaris-generaal der V.N. over „de noodzaak om ernaar te streven naast de materiële waarden de geestelijke waarden te verwezenlijken.
De speurtocht naar vrede, zei hij, kan slechts met succes worden ondernomen indien op gepaste wijze de fundamentele aspiraties der mensheid voor een beter leven worden bevredigd, een leven van ethische vervulling, zowel als van materieel welzijn".
De strekking van dit kerkelijk centrum wordt gezien als „versterkinig van de geestelijke grondslagen" (N.R. Cri; .) en kan, blijkens hetgeen de heer Thant zei, de V. N. dienen, tegenover wier hoofdkwartier het verrees.
Dit feit illustreert de tendens in de huidige wereldontwikkeling, gelijk ik die hiervóór aanduidde. Daarom is de belangstelling van de grote pers in de vernieuwingsontwikkeling van de r.k. kerk, gelijk die op het concilie haar beslag schijnt te krijgen, zo goed te begrijpen. De roomse kerk is immers de grootste onder de Christelijke kerken. De N.R. Crt. heeft bijzonder veel aandacht gewijd aan de opening van het concilie en de rede door de paus. Paulus VI, daarbij uitgesproken. Die opening was in sobere stijl. De paus memoreerde, dat hier slechts van een voortzetting van het concilie kon gesproken worden.
Bijzonder is onderstreept, dat Paulus VI verklaarde te wensen, dat ook in het concilie de lijn van zijn voorganger doorgetrokken zal worden. De versllaggever in de N.R. Crt. zag in wat de paus in zijn openingsrede als richtlijnen aangaf „een poging om aan het woord „Katholiek" inhoud te hergeven". Hij heeft dat „pogen" waarschijnlijk ook gezien en ontdekt in wat het geestelijk hoofd der roomse kerk zeide: „zijn blik richtend tot de niet-christelijke godsdiensten", in dezer voege sprekend, „dat het roomskatholicisme, zoals dat ook behoort, alles wat zij aan waars en goeds en menselijk hebben, hoog acht". Daarvóór had hij tot de staatshoofden gezegd : „U kunt van de mensheid één stad maken, en God zal met u zijn".
De poging om aan het woord „Katholiek" inhoud te hergeven, heeft de bovengenoemde correspondent zeker ook gespeurd in de uiterst vriendelijke bewoordingen, waarmede de paus zich richtte tot de „afgescheiden broeders". In de rede kwam zelfs een stuk voor, dat in hier meergenoemd blad het opschrift draagt: „Vergiffenis". Ik geef het hier door : „Indien er in die oorzaken van die scheiding ons een fout zou kunnen worden aangewreven, dan vragen wij nederig vergiffenis aan God en wij vragen om de toegeeflijkheid der broeders, die zich door ons beledigd zouden voelen, en wij zijn bereid voor wat ons betreft de beledigingen te vergeven, die de kerk zijn aangedaan en de smart te vergeten, die zij heeft ondervonden in de lange reeks afscheidingen. Moge de hemelse Vader deze verklaring aanvaarden en ons allen terugbrengen tot een waarlijk broederlijke vrede".
Velen zullen deze woorden wellicht hogelijk prijzen. Ze zijn mij te gereserveerd. Er wordt m.i. wat te veel verondersteld — „zouden kunnen" en zo meer — en ten opzichte van wat „de kerk" zou zijn aangedaan, wordt het woord "smart" gebezigd. Ik moest bij het lezen en herliezen van deze woorden denken aan wat wijlen dr. A. Kuyper Sr. schreef in „De Standaard" ter gelegenheid van de 300ste verjaardag van de Bartholomeüsnacht. Dat stuk ving aldus aan : „Een dag van rouwe, een dag op de graven" .... Hier sprak een reformatorisch hart, dat in smart was over het bitter onrecht, de belijders van de Waarheid des Evangelies aangedaan. Meer hierover te zeggen, lust mij niet. De paus zal het eerlijk bedoeld hebben, doch de kloof wordt zo m.i. niet overbrugd.
In het laatst van september is de Synode der Gereformeerde Kerken, de Synode van Groningen, verdaagd tot begin 1964. Of men dan weer in Groningen samenkomt is nog de vraag. Ook de Synode van Groningen is in het „nieuws" geweest. En zij zal nog wel verder in de pers beoordeeld worden, dan reeds geschiedde. Er zijn dan ook beslissingen gevallen, die opzien verwekt hebben. „Hervormd Nederland" van 5 okt. 1963 wijdde een artikel aan Groningen, waarboven de schrijver — G. Allb. van Dongen — als opschrift plaatste: „Kinderen - Assen - Wereldraad". Misschien een tikje sensationeel, doch die drieslag vat wel 't voornaamste, ter Synode behandeld, raak samen.
Om met bet laatste „Wereldraad" te beginnen. Dit punt is uitgesteld tot het volgend jaar. Of dan een beslissing tot aansluiting zal worden genomen ? Het schijnt dat het dilemma, aansluiten bij de Wereldraad of bij de I.C.C.C., niet meer bestaat, omdat de I.C.C.C. reeds zou zijn afgeschreven. Dan blijft dus over de Wereldraad. Er is een stroming in de Geref. Kerken, die aansluiting wenst; er is ook een, die daartegen is. Hoe groot beide strominigen zijn, weet niemand precies. Aldus zegt het de heer Van Dongen in het boven genoemde artikel. Op de Gereformeerde Oecumenische Synode, deze zomer in Grand Rapids gehouden, is deze kwestie ook ter sprake geweest. Prof. Herman Ridderbos, een der afgevaardigden voor de Geref. Kerken in Nederland, schreef daarover in het „Gereformeerd Weekblad" (uitgave Kok) van 11 okt. jl. Daar is door meerdere afgevaardigden uit verschillende landen, ernstige verontrusting uitgesproken over wat men vreest, dat de Geref. Kerken hier zouden doen, n.l. tot aansluiting overgaan. Het punt kwam eigenlijk terloops naar voren. De Nederlandse afgevaardigden hebben weten te bereiken, dat wat in de desbetreffende nota was voorgesteld, ietwat verzacht is. Het werd geen „motie van wantrouwen". Het is zeer de vraag of de verontrusting van buitenlandse kerken, nog mede zal werken, om aansluiting te verhoeden. Zal 1964, de verlengde „Groningse synode", de beslissing geven? Die zal zeker, hoe ze uitvalt, deining geven.
Over „Assen" kan ik kort zijn. Het betreft de binding aan de besluiten in 1926 genomen in de zaak wijlen dr. Geelkerken, waarmede deze zich niet kon verenigen, wat leidde tot de exodus van „de geref. kerken in hersteld verband", die kort na 1945 overgingen naar de Herv. Kerk. Het bleek ter synode in Groningen wel, dat men — ik zeg het huiselijk — van die bindinig wel af wilde. Allerlei gewijzigde inzichten op exegetisch terrein ten opzichte van de eerste drie hoofdstukken van Genesis schenen er toe te dringen. „Studie-deputaten" en synodecommissie gaan een oplossing zoeken, om de zaak komende winter weer aan te vatten.
En nu het derde. De synode aanvaardde met op twee na algemene stemmen een rapport over „Gezinsvorming". Men zal uit de kranten hierover wel genoegzaam zijn ingelicht en weten, dat de twee tegenstemmers waren: ds. ten Kate en oud. Warnaar. Zij hebben pal gestaan tegenover een verbluffende meerderhieid. Ik heb daarvoor sympathie en respect, omdat ik mij met hen één voel. De inhoud van het rapport zal in een boek worden verwerkt, dat de gemeente nader moet inlichten.
De reacties tegen het gevallen besluit zijn uit de geref. kerken niet uitgebleven. En men heeft daarin ook critiek geuit op het feit, dat dit rapport in openbare zitting is behandeld.
Dr. Kunst uit Amsterdam, de praeses der synode, heeft deze openbaarheid in zijn kerkblad verdedigd. Prof. H. Ridderbos, dit stuk van dr. Kunst overnemend, heeft daarbij enkele opmerkingen gemaakt, die ik onze lezers niet wil onthouden.
Na de vraag gesteld te hebben of het aanbeveling verdient dergelijke voorafgaande discussies in het openbaar te houden zegt hij: „Als vanzelf krijgen bepaalde omstreden punten onevenredig grote aandadht in de persverslagen en komen bepaalde personen als voor- en tegenstanders van voorbehoedmiddelen etc. te boek te staan. Ik kan mij ook een resultaat voorstellen, dat tenslotte niet minder concreet is, maar dat eerst de nodige bespreking in comité heeft ontvangen en daarna als pastorale boodschap van heel de Synode uitgaat. Ik bedoeldaarmee geen kritiek te oefenen op de thans gevolgde behandeling, maar acht het meer in overeenstemming met de aard van pastorale boodschappen, dat zij pas publiek worden als ze klaar zijn. Wij kunnen onze hooggeloofde democratische openbaarheid ook wel eens te ver drijven".
Hierin zijn behartigenswaardige dingen gezegd. Liever nog had ik gehad, dat het besluit betreurd zou zijn.
Zaterdag 28 september l.l. heeft het Oecum. jongerencongres te Utrecht onder veel belangstelling plaats gehad. Zowel in de dagbladen als in de kerkelijke pers heeft men daarover enthousi aste verslagen kunnen lezen. Officieel hebben de jeugdinstanties uit de Geref. Kerken aan dit congres niet meegewerkt. Er waren daarvoor bepaalde bezwaren, waarop ik uiteraard hier niet inga. Wel was er een aanmerkelijk groot aantal geref. jongeren op het congres aanwezig.
Het enthousiasme, waarvan ik melding maakte is begrijpelijk. We leven in een tijd, waarin de oecumenische gedachte de geesten beheerst. De jongeren hebben in hun activiteiten in vele kringen de wind mee. En wanneer die dan op grootscheepse wijze gaan congresseren, is het te verstaan, gegeven het klimaat, dat er ontvankelijkheid is voor waardering, gelijk die in de pers naar voren kwam. Daar komt nog bij, dat de aanblik van een volle Margriethal ook het zijne doet. De massa imponeert en inspireert. Dat is door alle tijden heen veler ervaring. Dit grijpt eigenlijk als vanzelf congressisten en sprekers aan. Dit alles zal wel mede de verslagen hun kleur gegeven hebben.
Wat ik van het daar gebeurde in de bladen niet heb gelezen — het kan mij ontgaan zijn — heeft de T.V. doen zien. Mr. A. B. Roosjen, de voorzitter van de N.C.R.V. heeft daarvan gewag gemaakt, op een vergadering in IJsselstein. In „Trouw" d.d. 15 okt j.l. stond te lezen, dat hij bij die gelegenheid „ernstige kritiek" heeft uitgeoefend op die T.V.-uitzendinig, welke verzorgd is door het I.K.O.R. en Convent van Kerken. „Volgens mr. Roosjen was voor de T.V. als hoogtepunt van het congres een cabaret getoond, waarin de schoolstrijd werd afgedaan met „een eeuw donderen".
Dat is wel heel erg. Mr. Roosjen heeft terecht er op gewezen, dat „de schoolstrijd een geloofsstrijd" is geweest. Ja, dat was hij. Onze ouders hebben daar offers voor gegeven. Zij hebben erin „de smaadheid van Christus" geleden en getoond, dat die hun „meerdere rijkdom" was dan de schatten der wereld.
In financieel waarlijk niet rooskleurige tijden hebben zij hun offers gegeven. God heeft het gezegend.
Daarom is een uitdrukking als in het caberet voor de T.V., smadend, 't Is te verstaan, als mr. Roosjen de hoop uitspreekt, dat I.K.O.R. en Convent zullen mogen begrijpen, „dat deze televisieuitzending een misgreep is geweest".
Wie treft in dezen de meeste schuld? De jongeren? Verondersteld mag worden, dat zij of hun ouders, toch wel zoveel besef van de goede toon en eerbied hebben, dat zij van dergelijke uitdrukkingen wars moesten zijn. Maar kennen zij de geschiedenis van de schoolstrijd? Het geschiedenisonderwijs schijnt tegenwoordig niet een van de favorietvakken. Dat ligt niet aan de geschiedenis. Misischien aan de wijze waarop ze gedoceerd wordt. Jammer, dat naar het schijnt, de geschiedenis van de schoolstrijden op de lagere christelijke scholen, en op onze kweekscholen stiefmoederlijk verzorgd wordt. De schuld ligt bij ons allen. Aan Israël gaf God bevel hun kinderen „in te scherpen" de daden Gods, ervan te spreken „als gij in huis zit en op de weg zijt". Zie, als wij in onze gezinnen onder dat Woord Gods komen, zullen onze kinderen en kindskinderen de band met het voorgeslacht voelen trekken. Wij zullen onze scholen — alle incluis — en hun docenten dringen om dit erfgoed der vaderen onze kinderen als iets groots, iets door God gewerkt, te doen zien, en op het hart te binden. Alleen zo, kan de liefde voor onze christelijke scholen herboren worden en zich doorzetten tot een bloei, die hard nodig is, die God in de hemel ons schenke op het ootmoedig en schuldbelijdend smeekgebed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's