De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

6 minuten leestijd

HOOFDSTUK V, ARTIKEL 2Hieruit spruiten de dagelijkse zonden der zwakheid, en ook aan de allerbeste werken der heiligen kleven gebreken. Hetwelk hun gestadige oorzaak geep om zich voor God te verootmoedigen, hun toevlucht tot de gekruisigde Christus te nemen, het vlees hoe langer hoe meer door de Geest des gebeds en heilige oefeningen der godvruchtigheid te doden en naar het eindperk der volmaaktheid te zuchten, totdat zij, van dit lichaam des doods ontbonden zijnde, met het Lam Gods in de hemelen zullen regeren.

Reeds hier op aarde is een grote rijkdom verbonden aan het geloof in Christus, maar de volmaaktheid behoort niet tot ideze rijkdom. Het is reeds voor menigeen een gevaar gebleken, dat hem gezegd werd : „ziekte en nood zouden in uw leven niet zijn, als gij Gods belofte maar geloofde". Dit is niet naar de Schrift. De apostel Paulus geeft daarvan een aangrijpend getuigenis in 2 Corinthe 12. Hij was in grote nood en hij bad zeer krachtig, maar de Heere voldeed niet aan zijn verlangen. Hij bleef in die nood, al werd hij er wel in getroost.

Hij mocht verstaan, dat zijn ziekte of zijn nood, wat het dan ook was, voor hem noodzakelijk was, opdat hij zich niet zou verheffen op de weldaden Gods. En verder moest hij maar zwak blijven en ellendig en door de engel des satans geslagen worden. Hier op aarde worden de laatste tranen niet afgewist. Een volkomenheid tijdens de aardse bedeling, — een hemel op aarde, is in de Schrift onbekend. Hoezeer de Heilige Geest ook in de gelovige woont, hij blijft van nature geneigd God en zijn naaste te haten. Daarvan zuchtte de wedergeboren Paulus : „Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde". Zonde en nood blijven tot onze laatste snik.

Terecht begint ons artikel 2 dan ook met de vaststelling, dat er dagelijkse zonden blijven. Het merkwaardige is nu, dat deze zonden medewerken ten goede voor de gelovige. Want ten eerste maken zij hem ootmoedig voor God. In de Heilige Schrift vinden we een zekere angst voor hoogmoed. Bij Paulus komt telkens naar voren : „opdat niemand roeme". Een christen kenmerkt zich door een toenemend schuldbesef. Minder zonde doen en meer zonde zien. Maar er is een tweede. De dagelijkse zonde brengt een christen steeds vaker aan de voet van het kruis. En zo bestrijden wij de dagelijkse zonden.

Door de toevlucht te nemen tot Christus.

Wat is de kracht van de christen ? Ligt zij in de Heilige Geest, in het al meer vol zijn van de Geest van Christus en daardoor in staat zijn tot al kloekere daden ? Zó zou ik het niet willen zeggen. Het zijn niet onze daden, ons vervuld zijn, onze gebeden, onze gaven van gezondmaking of wat ook, waar wij op steunen alls gelovigen. Het is zoals art. 24 van de Ned. Geloofsbelijdenis zegt: „Onze gewetens zouden altijd gekweld worden, indien zij niet leunden en steunden op de verdiensten des lijdens en stervens onzes Zaligmakers". De kracht van een christen is dus gelegen in Christus. Het hopen op de gerechtigheid van Christus is begin en einde. Deze waarheid doet niets af aan het verlangen van de gelovige om naar al Gods geboden te leven. Hij wil graag goede werken doen, omdat God het geboden heeft en omdat de Heere daarin verheerlijkt wordt. Maar met Jacob kan hij moeiijk een eerste prijs halen in de loopbaan, zoals de vlugge loper die halt. Hij loopt al kreupeler. Hij ziet geen kans de zonde te overwinnen, ook niet op de duur". Dat smart hem zeer. Maar wat of wie zal hem nu troosten ? Hier komt het eerste antwoord van de Heidelberger weer in 't gezicht. Christus is en blijft zijn enige troost in leven en in sterven. Hoe meer zonde en tekortkomingen hij ziet, des te meer vlucht hij naar de Heiland van zondaren. In het leven van de gelovige zijn er, met betrekking tot Christus, drie zaken. Er is een gaan tot Christus, een zijn in Christus, een komen tot de Vader door Christus. Eerst is de Heere Jezus verborgen. Maar zodra de Heilige Geest voor de ontdekte zondaar de weg der Verlossing ontsluit, die in Christus is, geeft hij het in beginsel op de zaligheid te zoeken in de werken der wet. Dan wordt hij een Jezuszoeker. In deze weg leert hij wel, dat hij geen voeten heeft om tot de Heere Jezus te gaan, maar dan draagt de Geest hem tot Christus. De Jezuszoeker komt er altijd. De Heiliige Geest ontsteekt in hem een waar geloof, waardoor hij Christus omhelst. Dan is hij in Christus, en is er geen verdoemenis meer voor hem. Die door Christus omhelsd zijn en die Hij op de schouders gelegd heeft, brengt Hij tot de Vader, opdat zij tot God in de ondervindinig hunner ziel Vader leren zeggen. Onderwijl blijven zij in Christus. Maar dat geeft hen dezelfde bewegingsvrijheid als de kuikens genieten. Daardoor komen de gelovigen in gevaar van af te vallen. Alle zonde is een beginnende afval. Doch bij Gods kinderen begint de orde van de Catechismus dan opnieuw te werken. Zij hebben smart over hun zonde, herinneren zich de genade van Christus, vluchten tot Hem, zoeken weer door Christus de vergeving des Vaders. Aan David zien we, dat dit niet altijid een zaak is van korte duur. Daar kunnen tijden in het leven komen van een leven ver van de genade, waaruit een nieuw ingrijpen Gods alleen redden kan. Dit is echter weer niet de gewone gang van zaken. In de gewone gang is de christen veelmeer een mens van op en neer, die weliswaar zijn weken heeft, dat hij niet tot de Koning nadert — wat altijd aan hem ligt —, maar ook zijn weken dat hij dicht bij de Heere leeft. Zo wassen zij op in de genade en in de kennis van Jezus Christus.

Blijven Gods kinderen verder lijdelijk? Daar bestaat een goede Schriftuurlijke lijdelijkheid: zij is, meen ik, schoon uitgebeeld in 't woord van Naomi: „zit stil mijn dochter, totdat gij weet, hoe de zaak zal vallen, want die man zal niet rusten tenzij dat hij heden deze zaak voleind hebbe". (Ruth 3 : 18). In Jesaja 30 : 15 lezen we: „Want alzo zegt de Heere Heere, de Heilige Israels: Door wederkering en rust zoudt gijlieden behouden worden, en stilzitten en vertrouwen, zou uw sterkte zijn; doch gij hebt niet gewild". Er is een goede lijdelijkheid, die hierin haar wezen heeft, dat wij het God laten doen. De apostel vermaant: „Laat u met God verzoenen" (2 Cor. 5:20).

De christen vindt in de zonde telkens oorzaak om zijn toevlucht tot de gekruisigde Christus te nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1963

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's