Rondom het belijden der Kerk
PROF. DR. J. SEVERIJN
Door een misverstand is dit vervolgartikel op het voorgaande, dat werd geplaatst in het nummer van 5 september '63, pag. 278, blijven liggen. Wij verzoeken de welwillende lezer onze excuses hiervoor te aanvaarden
door ds. H. Volten. Uitgeversmij J. H. Kolk N.V. Kampen 1962
(III)
De schrijver heeft een zeer uitgebreid veld in zijn titel gekozen, zodat we hem geen verwijt kmmen maken over wijdlopigheid, maar zijn verwijzing naar tot „prachtige boek" van Berkouwer over „De Verkiezing Gods", dat hij in handen wenste van vele „Gereformeerde Bonders" en zijn wensen voor „tientallen predikanten" niet-Bonders, om ze het preken te beletten, alvorens ze in dit werk getentamineerd waren, (blz. 106), klinken ongepast vrijmoedig.
Trouwens ook zijn critiek op de 37 geloofsartikelen maakt het niet gemakkelijk aan de goede trouw te geloven van ds. Volten, hoewel dit mogelijk aan de vogelvlucht moet geweten. Een christelijke geloofsbelijdenis moet men niet in vogelvlucht beoordelen en zeker niet veroordelen. Als er genoeg op gewezen is, dat bij de opsomming in art. 4 de klaagliederen van Jeremia en Habakuk ontbreken, die overigens door iedere oprechte belijder worden meegeteld, omdat niemand aanleiding heeft daarvoor enige afwijzende of critische oorzaak te onderstellen, moet men in vogelvlucht daaraan voorbij gaan. En wat moet men zeggen over „de dubieuze kwestie", omdat de Hebreënbrief in de opsomming aan Paulus wordt toegeschreven ? Laat het een dubieuze kwestie zijn, doch niemand heeft bewezen, dat Paulus er niets mee te maken heeft gehad.
Wat anders is de mening, dat art. 3—7 naar zijn inzicht in hun geheel ontoereikend zijn om in onze dagen tot uitdrukking te brengen, wat wij van de Schrift te geloven hebben. Ik weet niet, of ds. Volten de leer aangaande de Heilige Schrift van de Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk gezien heeft, mogelijk op het oog heeft, doch indien dit laatste het geval is en deze leer ook naar het oordeel van ds. Volten een verbetering biedt boven de belijdenis in art. 3—7, is er toch wel aanleiding om aan te nemen, dat hij er, evenals de Hervormde Synode, wat anders over denkt dan de Gereformeerde refomatoren.
De opmerking over art. 27—30 en over art. 36 wordt afgereageerd met een aanhaling van Prof. H. Bavinck, waarin wordt gewaagd van de hoogte en de behoefte van deze tijd (blz. 109). Maar dan komt ds. Volten met zijn bezwaar tegen art. 16 „waarin te rechtlijnig geredeneerd wordt vanuit twee deugden Gods". Hier komen we alweer tot de vraag, of de schrijver „de uitverkiezing", richtlijnen van de Generale Synode der Ned. Hervormde Kerk kent en mogelijk op het oog heeft. Indien dat het geval is, zou het wellicht aanbeveling verdienen deze dingen eens rustig te bestuderen. Zo ook met de verdere opmerkingen. Zeker, de belijdenis van de 36 artikelen is evenals de Catechismus en de Dordtsche leerregelen, mensenwerk en draagt daarvan de kenmerken.
Maar, als het nu gaat om de hoofdzaak, om de belijdenis van het geloof in de God der Schriften, om de verzoening in en door de Heere Jezus Christus, over de onderrichting van de Heilige Geest, over Doop en Avondmaal, kortom over die practische stukken, die in de belijdenis aan de orde zijn, m.a.w. over de hoofdzaken van het geestelijk leven van personen en gemeente, dan behoeft er toch geen aanleiding te zijn tot verandering ? Het is n.l. mogelijk, dat verandering geen verbeterinig zou kunnen zijn, maar verslechterinig. Met de stukken van de Synode der Hervormde Kerk over de Heilige Schrift en over de verkiezing, is dat zonder twijfel het geval.
Als de tegenwoordige omstandigheden een aanvulling van de Christelijke belijdenis gewenst doen zijn, zal het aanbeveling verdienen een nieuw geschrift saam te stelen. Maar, gelet op de genoemde geschriften van de Synode der Hervormde Kerk, kan men niet hopen op korte verhandelingen, zoals de schrijver voorstaat.
Mochten er in de reformatorische belijdenis zinsneden zijn ingeslopen, die met het getuigenis der Heilige Schrift op gespannen voet staan, dan zouden de kerken, die trouw blijven aan de Gereformeerde leer, met elkander hebben te overleggen teneinde overeenstemming te verkrijgen over een goede correctie.
Het is niet gemakkelijk om ds. Volten te begrijpen, laat staan het met hem eens te wezen. Wat hij zelf zou willen en wat hij van de Hervormde Kerk , verwacht, is ten enenmale onduidelijk. Hij weet, zoals we hebben opgemerkt, dat de Hervormde Kerik tot de reformatorische belijdenis niet terug komt, en vindt het nodig te wijzen op de tweeslachtigheid in haar belijden. Volkomen terecht wijst hij op het visioen van een Kerk in beweging en op het belang van de vastigheid van het fundament, (blz. 155). De richtingen zijn in modaliteiten veranderd, d. w. z. van boven af, zodat in de Hervormde Kerk nooit van „ketterij" wordt gesproken, „waar de Schrift ons toch in voorgaat, en ook niet van „valse Christussen" (blz. 156).
Dan noemt de schrijver een hele reeks dingen op, die in de Hervormde Kerk geheel of gedeeltelijk waar, maar die geheel of gedeeltelijk ook niet waar zijn. „De hervormde kerk is nog een zieke kerk", zo zegt hij. „Maar er zijn ernistige tekenen, dat zij het dieptepunt van de crisis te boven komt", (blz. 157). „Zij worstelt met de waarheid". (blz. 157). Maar — „men laat de Christusontkenning nog op de kansel toe " (blz. 157-158).
Modaliteiten, de kerk in beweging, de belijdenis achter en voorbij, geen ketterijen meer, dieptepunt van de crisis gepasseerd, en Christusontkenning op de kansel.
Dat is alles niet doen, waartoe het Evangelie van Christus verplicht. Dat is niet terug keren tot de waarachtige dienst des Heeren, zoals de schrijver zich uitlaat op blz. 163-164. En op blz. 165 begint hij waarlijk weer over de drie formulieren van enigheid om de fundamenten der Kerk vast te leggen en te omschrijven. Op blz. 166 komt hij tot de kreet: „Toch bevatten de 3 formulieren (onze gemeenschappelijke basis) in beginsel alles, wat de leer der Schrift van de heilswaarheid meedeelt".
Toch maar weer de die formulieren. Daarmede kan ik het eens zijn, —en dan zegt ds. Volten weer een paar lelijke dingen van een ziekelijke richting, die zich in de hervormde kerk als gereformeerd aandient en in de kerk van Christus niet mag worden getolereerd. (blz. 167). „Er zal ook een leertucht moeten zijn in de richting van uiterst rechts". (blz. 167).
In § 8. Waarom hereninging met de hervormde kerk? wordt de vraag behandeld, waarom de schrijver zo sterk aanstuurt op de hereniging met de hervormde kerk en niet heeft gerept van een mogelijke fusie met de Christelijk- Gereformeerden of de broeders van art. 31 'of van de „Gereformeerde Gemeenten" . . . .
Het antwoord luidt: „Wij hebben de drie formulieren met deze groepen niet gemeen. Dat is maar schijn; hier is alleen een formele overeenkomst, die de drie formulieren overschaduwt... De één is nog zuiverder dan de ander. (blz. 174-175).
Dus eenheid met de Hervormde Kerk, maar zij moeten elkaar vinden. „Meer dan enige kerkelijke hereniging is deze beslissend voor het behoud van de schatten der Reformatie in ons volksleven", (blz. 178).
Die vereniging zit de schrijver hoog. Hij heeft er verwachting van, en toch heeft hij er veel moeite mee, zoals blijkt uit zijn aanvulling. Want 't moet gebeuren „op basis van de drie formulieren van enigheid", dat vindt hij eigenlijk ook — maar de Hervormde Kerk is er voorbij, de Gereformeerde denominaties zijn onderling verdeeld en „de oecumenische gedachte is in deze kerken nog zo goed als niet doorgedrongen". (blz. 177).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's