Kroniek
— Diverse stemmen over 31 oktober 1517— Herdenking 150 jaar Nederlands Bijbelgenootschap— Een opzienbarende Bijbelvertaling— Jaarvergadering Bond van Herv. Mannenverenigingen op G.G., op 19 oktober 1963.
Zondagavond 27 okt. j.l. luisterde ik naar ds. C. Aalders uit Den Haag. Het was de derde maal, dat hij „een wekelijkse bespiegeling over leven en samenleving" gaf voor de microfoon van de N.C.R.V., in de Omroepgids aangekondigd onder het hoofd „Reflex". Deze serie behoort ook tot de „vernieuwingen", door genoemde Omroepvereniging sedert begin oktober ingevoerd.
Eerlijk opgebiecht, hadden de beide eerste „bespiegelingen" mij niet bijzonder geïnteresseerd en ik had geen grote verwachting, dat de derde het zou doen. Maar het kwam anders uit. Ik moest intens luisteren. De spreker bepleitte in welgekozen woorden de blijvende herdenking der Reformatie op de 31ste oktober, de dag, dat in 1517 in de geladen atmosfeer der West-Europese christenheid „de lont voor het kruitvat" werd gelegd en in de explosieve kracht van Gods Geest, de Reformatie haar zegenrijke loop aanving. Zo herkreeg de gemeente Gods haar schat, het Evangelie der vrije genade. In zijn pleidooi voor een blijvende en voortdurende herdenking van dit feit, waartoe de aanhechting van de 95 stellingen aan de Slotkapel te Wittenberg baanbrekend was, citeerde ds. A. de uitspraak van Calvijn : „door de verwarring der mensen, werkt de Voorzienigheid Gods". Jammer, dat hij de vindplaats in het werk van de Geneefse reformator ons niet gaf. Het deed echter aan de waarde van het gegevene niet af. Ik moest het betoog temeer waarderen, omdat de spreker poneerde, dat ondanks de groeiende belangstelling voor de oecumenische contacten met Rome, de herdenking der Reformatie ter bezinning op de schatten ons in haar gegeven, moest blijven.
Vóórdat ik deze „bespiegeling" beluisterde, had ik kennis genomen van een summier overzicht van het in 1962 verschenen boekje, geschreven door een r.-kath. hoogleraar in de Theologische Faculteit te Trier. Het boekje is getiteld: „Luthers Thesenanschlag Tatsache oder Legende? " — „Luthers aanhechting der stellingen, feit of legende ? " — en suggereert in zijn titel wel, dat volgens de schrijver — hij heet Erwin Iserloh — wat vier eeuwen lang als een onomstreden feit aanvaard is, een „legende" bleek. Hij grondt zulks op een nader onderzoek van de historische gegevens. Welke zijn dat ? Voornamelijk een brief, door Luther geschreven aan de aartsbisschop van Mainz, waarin hij dezen verzoekt, de aflaatverkoop van Tetzel te verbieden, wijl die aflaatpractijk tegen de Schrift is en grote verwarring en gewetensnood onder de bevolking teweeg bracht. En verder, dat, indien hij van de aartsbisschop geen instemmend bericht ontving, hij over zal gaan tot publicering der 95 stellingen, welke bij reeds klaar had. De stellingen zijn wel gepubliceerd, toen het antwoord van de aartsbisschop uitbleef, doch Luther heeft ze — volgens Iserloh — niet aangeslagen aan de Slotkapel. Dat dit zou gebeurd zijn op 31 oktober 1517, is een mededeling van Melanchton, die zich daarin vergist, volgens Iserlob, gelijk bij deze vriend van Luther meermalen het geval zou zijn geweest.
Ik heb het voortgaande vrij weergegeven naar een artikel over deze kwestie in „Woord en Dienst", d.d. 26-10-'63, van de hand van prof. dr. A. J. Bronkhorst. Natuurlijk is van Lutherse zijde het antwoord niet uitgebleven. Twee hoogleraren, een uit München en een uit Leipzig hebben zich verzet tegen de stelling van Iserloh. Betoogd werd, dat men voorzichtig moet zijn met Melanchton van verkeerde voorstellingen te betichten, omdat deze heel goed op de hoogte was van wat in Wittenberg geschiedde al werd hij daar eerst in 1518 als hoogleraar geroepen.
Voorts, dat als Luther aan de aartsbisschop schreef — de brief is gedateerd 31 oktober 1517 — niet tot publicatie te zullen overgaan alvorens het antwoord van de prelaat te hebben ontvangen, hiermee heel wel bedoeld kan zijn „in druk" laten verschijnen. „Dit is geschied toen het antwoord uitbleef". Maar dat sluit niét in, dat de stellingen niet aan de Slotkapel zouden zijn aangespijkerd. „Het waren stellingen, die moesten verdedigd worden, dus ter kennis van hoogleraren en studenten moesten gebracht worden, en zulks op de toen gebruikelijke wijze, gelijk Luther deed. Dit was strikt genomen geen „publiceren", doch ter kennis brengen van de universitaire samenleving".
Zo is er dus alle reden om „31 oktober 1517" historisch juist te aanvaarden, en niet naar het rijk der legende te verwijzen.
Wij hebben dat machtige feit, hetzij in een kerkdienst, hetzij op andere wijze met dank aan God herdacht. Het is de klaroenstoot in „de verwarring der mensen" geweest en God de Heere heeft in Zijn Voorzienigheid die trompetklank doen horen in heel West-Europa. Menig hart is er door wakker geschud, en onder Gods wondere leiding des Geestes met dorstig hart gebracht tot de springende fonteinen van de wateren des Levens. Welzalig het hart, dat, zo zijn Bijbel, bet Evangelie Gods in Christus heeft leren kennen en genieten. Dat zal blijven gedenken, en danken, dat Luthers daad op 31 oktober 1517, de stoot mocht geven, en Gods Kerk uit het diensthuis werd uitgevoerd. Dat hart zal te meer zich bezinnen op de „schat der Kerk", om met de pelgrimsstoet der eeuwen, zich te verlusitigen in de vrijheid der kinderen Gods, om voor de erfenis der Reformatie pal te staan.
Reformatie en Bijbel horen samen. Daarover zijn wij het allen wel eens. Daarom moet alles, wat in het werk gesteld wordt om de Bijbel onder de volkeren te brengen, ons hart hebben, en onze belangstelling.
In 1964 zal het 150 jaar geleden zijn, dat het Ned. Bijbelgenootschap werd opgericht. De oprichting had plaats 29 juni 1814 in de Engelse Kerk op het Begijnehof in Amsterdam. Die Engelse Kerk had een bijzondere betekenis. Het initiatief ging uit van de predikant der Engels-hervormde gemeente in de hoofdstad en bij de oprichting zelf was een secretaris van het iets eerder opgerichtte Brits en Buitenlands Bijbelgenootschap, dat ook naast het Ned. Bijbelgenootschap hier te lande aan Bijbelverspreiding deed, en bij velen meer vertrouwen bad, omdat het een getrouwer weergave van de tekst van de Statenvertaling gaf. Toen in 1888 ook het Ned. Bijbelgenootschap overging op de tekst van de St. Vert., slonk het wantrouwen en kwam het N.B.G. er beter in. Aanvankelijk bedoelde het Genootschap de Bijbel hier gratis: onder de min vermogenden te verspreiden. Later heeft men met die gedragsregel gebroken en een prijs, een luttele, gevraagd, of zoveel men missen kon. Aan het werk der colportage, heeft men veel gedaan. Meerdere Bijbelcolporteurs bereisden in mijn jeugd nog diverse streken van ons land. Ze hadden geen gemakkelijke taak. Ze ontmoeten vaak tegenstand en vijandschap. Die was in de tijd, die ik mij herinner, niet zo fel, als wijlen Joh. van 't Lindenhout, bekend als de stichter van de Weesinrichting te Neerbosoh, ondervond toen hij, gegrepen door de waarheid van het Evangelie, als colporteur rondtrok in vele streken van ons land. Een soort klankbeeld, dat de N.C.R.V. dezer dagen liet horen, ter herinnering aan het in deze zomer gevierde 100-jarig bestaan der Weesinrichting te Neerbosch, heeft daarvan nog het een en ander doen herleven.
Het N.B.G. voert nu de colportage meer op moderne wijze en zal daarin niet zoveel tegenstand ontmoeten als voorheen. Het werk van 't Genootschap heeft een enorme expansie gekregen, doordat 't zich inzette, ten behoeve van de Zending de Bijbel te vertalen, waar deze het nodig heeft. Men denke aan de taalgeleerde, dr. van der Veen, die onze G.Z.B, daartoe diende in Toradja-land. Zo zou er meer te noemen zijn. Men denke aan ons nieuwe zendingsterrein in Kenya. De vertaling waaraan van 't Veld daar werkt zal zeker ook wel voor druk en verspreiding de steun van het N.B.G. ontvangen. De voorbereiding van de viering van het 150-jarig jubileum bedoelt o.m. vermeerdering van het ledental en van de jaarlijjkse bijdragen.
Onlangs werd gemeld, dat in Zeeland het tweehonderdduizendste lid was ingeschreven. Dat geeft wel blijk van groeiende belangstelling en meeleven. Ik hoop, dat ook onder ons zulks zal blijken. Het Nederlands Bijbelgenootsxhap, waarin de diverse protestantse kerken samenwerken en vertegenwoordigd zijn, heeft het nodig voor zijn grote en zegenrijke arbeid. Wie nog afzijdig staat, geve zich op als lid en schenke zijn geldelijke bijdrage.
Onder het schrijven over het 150-jarig jubileum van het N.B.G. moest ik denken aan een nieuwe vertaling van de Bijbel in Duitsland, waarover in „Herv. Nederland" van 28 september j.l. een artikeltje stond onder het opschrift: „Bruns best-seller". Het is de vertaling van één man Pfarrer Bruns, van de evangelisch-Lutherse Kerk. Hij heeft ze ook van aantekeningen voorzien. Hij heeft dit werk ondernomen, omdat een herziene vertaling van Luther door een kerkelijke commissie van vakgeleerden z.i. te lang op zich liet wachten, en de nood om de Bijbel door het volk beter te doen verstaan, hem drong. Maar de vakgeleerden hebben er grote kritiek op. Eén hunner, Hans Conzelmann heeft in een radiotoespraak gezegd: „Je weet niet waar de Bijbel en waar Hans Bruns spreekt". Dat zal wel mede hierdoor komen, dat Bruns zijn verklarende aantekeningen tussen de teksten door geeft. Maar er schijnen ook minder juiste overzettingen te zijn. Hoe dan ook, men zit met deze uitgave, waarvan het twee jaar geleden verschenen N.T. al in een kwart miljoen exemplaren is verkocht. Voor het O.T. dat pas uitkwam, verwacht men een niet minder grote afname. Er schijnen nu maatregelen genomen te worden om een geheel nieuwe vertaling te geven — het plan om een revisie van Luther's Bijbelvertaling lijkt opgegeven te zijn — in „teamwork". Bruns gaat daarmee „akkoord", door zijn bezwaar is, dat dit zo lang duurt en daarom handhaaft hij de zijne.
Vertalen is moeilijk werk. En het is even moeilijk iets in dezen te geven, dat de „moderne mens" bevredigd. Want de schrijver van het artikel, waaruit ik iets overnam, zegt in het slot, dat men van de Nieuwe Vertaling van het N.B.G. moeilijk kan zeggen, dat zij „aankomt bij mensen, die geen bijbel of kerktaal verstaan". Hij oppert de gedachte, de opzet van Pfarrer Bruns te bekijiken op bruikbaarheid voor Nederlandse navolging. Ik las ergens (N.R.C. d.d. 5-10-'63) dat het N.B.G. tegen de julbileumviering enkele Evangeliën nl. Markus en Johannes en de Handelingen der Apostelen zal uitgeven „in hedendaags Nederlands". Is de „Nieuwe Vertaling" nu al verouderd? Geen „hedendaags Nederlands"? Ik heb waardering tot op zekere hoogte voor „de Nieuwe Vertaling", al bevredigt ze mij in meer dan één opzicht niet. Doch over de aangekondigde Evangeliën-uitgave, houd ik mijn hart vast.
Het kan inzake vertalen en verstaan van de Bijbel ook te „hedendaags". Dan „komt" het de moderne lezer ook „niet aan". Ik heb ook wel gehoord, dat „.modern" ingestelde lieden, de Statenvertaling prefereerden boven de „Nieuwe". De gewijde taal sprak hen meer aan. Voor verstaan van de Bijbel, hebben we een uitlegger nodig. En de beste is de Heilige Geest, die door alle taalbarrières heen doet breken. Bij alle bijbelverspreiding zij daarop gewezen en daarom gebeden.
Op zaterdag 19 oktober j.l. hield onze Bond van Herv. Mannenverenigingen op G.G. zijn jaarvergadering in Tivoli (noodgebouw) in Utrecht onder grote belangstelling. De voorzitter ds. A. Vroegindeweij van Veenendaal hield een openingstoespraak, afgestemd op Openb. 3 : 11, waarin hij de situatie van heden juist typeerde. De vergadering werd o.m. toegesproken door prof. dr. J. Severijn namens alle herv. geref. bonden. Hij deed dit op treffende wijze. Een woord dat insloeg. De referaten over: „De gereformeerde zede", en „De zekerheid des geloofs", respectievelijk van ds. P. Lamens uit Bennekom, en ds. W. Vroegindeweij van Katwijk aan Zee — men kan ze lezen, want ze verschenen in druk, uitgave Bondsbureau — waren uitstekend verzorgd. Het eerste is beknopt — een verdienste — al is het m.i. iets te descriptief. Het tweede gaat goed op de vragen in, doch was voor mijn gevoel iets te uitgebreid.
Het verslag in „Trouw" d.d. 22 okt. 1963, was niet al te verzorgd. Het gaf een overzicht, dat zich vlot liet lezen, doch het betrof de morgensamenkomst, en het beloofde vervolg ontbrak in het blad.
Namens het moderamen onzer Synode, zo vermeldt bovengenoemd blad, sprak ds. G. Spilt uit Utrecht. Behalve goede wensen en woorden van waardering voor de arbeid, plaatste hij de opmerking, dat uit de Herv. geref. kring — van Synodewege wel eens genoemd „lastige kinderen", in het kerkelijke koor de „tweede stem" werd gezongen. Hij doelde hier, vermoed ik, op de kritiek uit onze groepering, en noemde het woord „kanttekeningen". Misschien was de bedoeling van ds. Spilt, dat uit onze kring een iets meer positieve klank voor het kerkewerk zou opklinken. Dat positieve kan ook door de „contra-punt" gegeven worden. Het is een muziekterm en duidt aan „de kunst om op een bepaald thema een of meer andere melodieën te zetten" (van Dale). Dat zou bijvoorbeeld in verband met art. X K.O. kunnen zijn een andere uitwerking dan tot nu toe ons wordt gegeven. Als mede door het werk van de Mannenbond die „kunst" beoefend wordt — ook door „kanttekeningen" — kan het de Kerk ten goede komen. Die zegen gunne onze God ons. Dan zal er wel eens een klank komen, die wat disharmonisch klinkt.
In dit verband kwam mij in herinnering een uitspraak van Allard Pierson in „Oudere Tijdgenooten", schrijvend over Bilderdijk en diens ontevredenheid over de tijdgeest. Pierson zegt daar: „Gezegend zijn de groote ontevredenen; gezegend de wangeluiden, geworpen in het koor der voldaanheid en der verheerlijking van eigen tijd", (blz. 151).
En voorts, de „Mannenbond" kan terugzien op een geslaagde jaarvergadering.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1963
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's